Mijn meer

Lukas Marecek (28): 'Wanneer ik 's winters thuiskwam van de school, zwierde ik mijn boekentas in een hoek en trok ik met mijn schaatsen en stick meteen naar een meertje in ons dorp. Meestal schommelde het kwik tussen min vijftien en min tien, het water was er dus altijd bevroren. Op dat meertje speelden mijn vrienden en ik ijshockey, vier tegen vier of vijf tegen vijf. Soms stonden er doelen en als die er niet waren, maakten we er zelf door twee schoenen op het ijs te leggen. Vonden we niet direct een puck, dan speelden we met een tennisbal.
...

Lukas Marecek (28): 'Wanneer ik 's winters thuiskwam van de school, zwierde ik mijn boekentas in een hoek en trok ik met mijn schaatsen en stick meteen naar een meertje in ons dorp. Meestal schommelde het kwik tussen min vijftien en min tien, het water was er dus altijd bevroren. Op dat meertje speelden mijn vrienden en ik ijshockey, vier tegen vier of vijf tegen vijf. Soms stonden er doelen en als die er niet waren, maakten we er zelf door twee schoenen op het ijs te leggen. Vonden we niet direct een puck, dan speelden we met een tennisbal. 'Ik dacht altijd: als ik geen profvoetballer word, dan toch zeker ijshockeyspeler. In Tsjechië is ijshockey heel populair. Mijn eigen dorp, Domasov, telt amper 1600 inwoners en heeft toch een eigen team. Maar ik ben fan van de club in Brno. Dat is na Praag de tweede stad van het land, ze ligt op dertig kilometer van Domasov. Als ik thuis ben, pik ik altijd graag een match mee van Kometa Brno. De voorbije twee seizoenen werd die ploeg telkens landskampioen. Hun hal zit bij elke thuismatch stampvol, er is maar plaats voor 7500 man. 'Hoewel ik stapelgek ben op ijshockey, ben ik altijd nog méér verzot geweest op voetbal. Ik begon te spelen bij Domasov, maar stapte al vlug over naar FC Zbrojovka Brno. Toen reed mijn vader haast elke dag met mij die dertig kilometer naar Brno - jaren aan een stuk. Soms liet hij er zelfs zijn werk in de garage voor staan, hij had in die tijd een job als automecanieker. Mán, wat moet ik hem toch dankbaar zijn. En mijn moeder ook. Zij werkte in een supermarkt, maar telkens als mijn vader en ik terugkwamen van de training, toverde zij een lekkere maaltijd voor ons op tafel. Vaak was dat svickova, een klassieker uit de Tsjechische keuken. Dat is een gerecht met gemarineerd rundsvlees, een lekkere saus en een toefje slagroom.' 'Als je naar Tsjechië komt, gids ik je zeker eens door Praag, onze parel. De Karelsbrug over de Moldau is prachtig. Onze hoofdstad ligt aan het water en een boottocht is een ideale manier om er kennis mee te maken. Vanaf de Moldau kun je bijvoorbeeld de Burcht van Praag heel goed zien. 'Als ik naar Tsjechië ga, las ik altijd eerst een tussenstop in Praag in. Ik heb daar een appartement sinds ik voor Sparta speelde. Nadien reis ik door naar Moravië, de regio waar Domasov ligt. ( lacht) Bij Sparta lachten mijn teammaats me altijd uit, omdat ik in zo'n godvergeten gat woonde, maar het is nu eenmaal mijn streek, en mijn moeder woont er nog altijd, samen met haar moeder, mijn broer en mijn zus. 'Moravië is vooral bekend om zijn wijn: Pavlov en Mikulov. Zelf hou ik ook van een glas, maar enkel als het witte en zoete wijn is.' 'De top drie van beste Tsjechische voetballers aller tijden is: 1. Pavel Nedved, 2. Petr Cech en 3. Tomas Rosicky. Nedved staat voor mij op één omdat hij de Gouden Bal won. Hij is nu vicevoorzitter bij Juventus en zegt nog altijd dat voetballers zich honderd procent moeten geven tijdens een training en dat ze na zo'n training, wanneer ze bekaf zijn, nog twintig minuten extra moeten trainen. Als je dat kunt opbrengen, ondanks de vermoeidheid die je voelt, ga je écht vooruit, is zijn motto. Ik probeer dat soms te doen en dan denk ik aan hem.' 'Anders dan Tsjechië laat België veel mensen met een migratieachtergrond binnen. Te veel, denk ik soms. Die indruk kreeg ik toch in de periode dat ik bij Anderlecht speelde. Toen woonde ik in Molenbeek en dat was geen fijne ervaring. Ik wist vooraf niks over Brussel en had gewoon een appartement gezocht dat dicht bij het centrum lag en ook niet te ver van de club. Zo belandde ik haast per ongeluk in Molenbeek. Het leven was er crazy. Jan Polák en Daniel Zitka woonden in Asse en die hadden blijkbaar beter gekozen. In Molenbeek ging het er heel chaotisch aan toe. Af en toe had ik moeite om zelfs gewoon thuis te geraken, omdat er weer iets gebeurd was en overal straten afgesloten waren door de politie. Als jongen van het platteland voelde ik me daar niet in mijn sas. Nu woon ik in Gent, weer een stad dus, maar daar voel ik me wel goed.'