Het is woensdag 7 maart en in het Genkse Themacafé is het op een doordeweekse ochtend ouderwets over de koppen lopen. De voorrangsperiode voor abonnees voor tickets voor de bekerfinale is afgelopen. Dan is het de beurt aan de meer dan 7000 kandidaat-ticketkopers die zich inschreven op een wachtlijst. Een deel van hen ontving de dag voordien een mail met de vraag om zich woensdag aan te bieden voor tickets. Wie niet opdaagt, heeft zijn kans verkeken. Woensdagavond heeft KRC Genk na één dag vrije verkoop al 19.000 tickets aan de man gebracht. De resterende 1000 plaatsen (Genk kreeg er net als Standard 20.000 toegewezen) worden donderdag en vrijdag aan de man of vrouw gebracht.
...

Het is woensdag 7 maart en in het Genkse Themacafé is het op een doordeweekse ochtend ouderwets over de koppen lopen. De voorrangsperiode voor abonnees voor tickets voor de bekerfinale is afgelopen. Dan is het de beurt aan de meer dan 7000 kandidaat-ticketkopers die zich inschreven op een wachtlijst. Een deel van hen ontving de dag voordien een mail met de vraag om zich woensdag aan te bieden voor tickets. Wie niet opdaagt, heeft zijn kans verkeken. Woensdagavond heeft KRC Genk na één dag vrije verkoop al 19.000 tickets aan de man gebracht. De resterende 1000 plaatsen (Genk kreeg er net als Standard 20.000 toegewezen) worden donderdag en vrijdag aan de man of vrouw gebracht. Daarom is er geen stoel meer vrij in het Themacafé. Iedereen nipt van zijn drankje, wachtend tot zijn of haar nummer verschijnt, en haast zich dan naar de kassa. Achter de bar komt uitbater Dirk Medved handen te kort. De bijna 50-jarige oud-verdediger, die 26 interlands met de Rode Duivels speelde, moet harder werken dan toen hij profvoetballer was, wordt gegrapt. Medved is één van de drie ex-spelers die vandaag in de Luminus Arena aan de slag is die er ook bij waren toen bijna dertig jaar geleden de fusie tussen Winterslag en Waterschei doorging en de nieuwe kern voorgesteld werd. De verdediger met Sloveense roots was een jeugdproduct van Waterschei. Na één jaar Genk, waarbij de fusieclub meteen degradeerde naar tweede klasse, trok hij naar het AA Gent van René Vandereycken. Daarmee was hij in feite het eerste jeugdproduct dat KRC Genk verliet voor een stap hogerop, en in ruil voor een transfersom. Hij zou niet de laatste zijn. De tweede ex-speler die de start van de fusie meemaakte, was Medveds ex-ploegmaat bij Waterschei. Domenico Olivieri staat die woensdagochtend op het trainingsveld als assistent van hoofdtrainer Philippe Clement. De derde speler die in de fusieploeg speelde, zit in de catacomben van het stadion. Pierre Denier was destijds kapitein van Winterslag. Dat had net het behoud in eerste klasse afgedwongen, waardoor de fusieclub in eerste klasse van start kon gaan. Vandaag is Denier, de vorige vier bekerfinales op de bank als assistent-trainer en één keer als hoofdtrainer, teammanager van het eerste elftal. De hele week voert Het Belang van Limburg hem op onder de rubriek 'De Vier van Pier', met verhalen over zijn vier vorige bekerfinales, anekdotes uit de oude doos. Zoals die keer dat Pierre er niets beter op vond dan na de bekerwinst 's avonds met de trofee naar het café van zijn broer Mathieu (ook een ex-Winterslagspeler) in hun beider woonplaats Molenbeersel te rijden. Daar stond de beker de hele avond op tafel. Geen inwoner van Molenbeersel die er geen persoonlijk verhaal kan over vertellen, als hij zich tenminste nog herinnert van die nacht. Het zijn verhalen die weer naar boven komen, nu Genk weer in de ban is van de bekerkoorts. Hoofdtrainer Clement en assistent-trainer Olivieri stonden twintig jaar geleden samen op het veld toen Genk zijn eerste beker won, en op de Heizel Club afdroogde met 4-0. Denier was toen assistent van Aimé Anthuenis. Het was een memorabele wedstrijd, en niet alleen omdat er bij de acht Belgen die aan de aftrap kwamen zes Limburgers waren (alleen Kempenaar Andy Stroy en Antwerpenaar Clement kenden het Limburgse volkslied niet van buiten). Het was namelijk ook de allereerste prijs van Genk, en pas de derde prijs van een Limburgse club, nadat Waterschei in 1980 en 1982 al eens de beker won. Een jaar later zou Genk Limburg een allereerste landstitel bezorgen, een prijs waar men op hoopte maar amper durfde aan te denken sinds FC Beringen in 1950 als allereerste Limburgse club in de hoogste klasse belandde. Welgeteld tien man woont anderhalve week voor de bekerfinale de open training bij, op het oefenveld achter het stadion. Dat zijn evenveel toeschouwers als trainers en begeleiders, met die ene gastcoach die keepertrainer Guy Martens uit Nederland op bezoek kreeg meegeteld. Het lijkt veel, maar ze hebben allemaal hun handen vol, met zo veel volk tussen de lijnen. De eerste weken overwoog Clement om een paar van de aanwezigen langs de kant te vragen om mee te doen, om aan voldoende volk te geraken om een partijtje te kunnen spelen. Hij had toen precies twaalf fitte en twee halffitte spelers. Vandaag doet iedereen weer mee, op Bryan Heynen na. In totaal zijn er 27 veldspelers en vier doelmannen aanwezig. Daar is Maarten Vandevoordt nog niet bij, die met de nationale U16 weg is. Vandevoordt tekende vorige week op zijn zestiende verjaardag een profcontract en geldt als een enorm keeperstalent. Hoewel hij nog maar vijftien jaar was, mocht hij in januari al mee op stage in Spanje. Daar dreef hij een aantal ervaren kernspelers tot wanhoop, omdat ze bij de partijtjes en het afwerken amper een bal binnenkregen. Het maakt dat er nu al gezegd mag worden dat in doel bij Genk de opvolger voor Danny Vukovic, de laatste weken zo goed bezig dat hij misschien mee mag met Australië naar het WK, zeker een Belg zal zijn. Op de vraag of hij hem, pas zestien geworden, al zou durven te zetten mocht Vukovic uitvallen, zou keepertrainer Martens laconiek geantwoord hebben: 'Absoluut.' De sfeer is ontspannen, bij momenten uitgelaten, ondanks de ruime kern. Clement en assistent Jos Daerden hebben pittige oefeningen voorzien waarin het fysieke aspect niet wordt geschuwd. Het type spelletjes waar ook volwassen voetballers zo van houden, in vier groepjes, die het tegen elkaar opnemen. Kortom: het type oefeningen waar de vorige trainer, Albert Stuivenberg de wenkbrauwen bij gefronst zou hebben, wegens te weinig wedstrijdgerelateerd, maar waarmee Clement de profs helemaal doet opleven. De gretigheid waarmee sommige Genkse voetballers werken heeft ook te maken met hun hervonden fitheid, meer dan met de zon die boven Genk schijnt. Leandro Trossard vliegt erin met het enthousiasme van een jong veulen, al zal dat waarschijnlijk niet volstaan om de bekerfinale te halen, die voor hem een week te vroeg komt. De Noorse middenvelder Sander Berge traint rustig mee, maar haakt af wanneer de intensiteit omhoog gaat, kwestie van hem een terugval te besparen. Berge maakte ophef toen hij vorig seizoen als amper 19-jarige nieuwkomer na de winterstop de net naar Leicester vertrokken Wilfred Ndidi moeiteloos verving. Na amper een paar maanden al klonk het dat de vaste waarde in de Noorse nationale ploeg na het seizoen moeilijk te houden zou zijn. Maar Genk was vastbesloten om na het vertrek van Ndidi en Leon Bailey, momenteel met Leverkusen één van de revelaties in de Bundesliga, niemand meer te laten vertrekken, ook omdat het met de riante transfersommen die het voor Bailey en Ndidi kreeg (samen goed voor zo'n 33 miljoen euro) genoeg geld op de rekening had staan om het seizoen met een bonus af te sluiten. Papa Berge, een advocaat, was de eerste om er zijn aarzelende zoon op te wijzen dat die bij zijn volle verstand een contract had getekend, en moest leren zich daar ook aan te houden. Wat de welopgevoede Sander zonder morren deed. Berges uitvallen in de thuismatch tegen Club Brugge in november was een van de oorzaken van de flinke Genkse winterdip. Toen ook nog zijn vervanger Heynen geblesseerd raakte, was het Genkse middenveld helemaal ontregeld en liepen de paradepaardjes Alejandro Pozuelo en Roeslan Malinovski positioneel verloren, verplicht als ze plots waren om heel andere taken uit te voeren dan degene waar ze de kwaliteiten voor hadden. Met de inbreng van DriesWouters en later via de wintermercato van Ibrahima Seck werd dat gaandeweg gecompenseerd. Het maakte dat de twee vedetten, die misnoegd aan de competitie begonnen omdat zij niet waren weggeraakt, eind januari helemaal open bloeiden en weer hun beste vormpeil bereikten. Dat kwam ook door de aanpak van de nieuwe trainer die al snel doorhad waar de pijnpunten in zijn groep zaten: een lamentabele fysieke conditie en vooral een grote mentale kwetsbaarheid. Gebrek aan vertrouwen was werkpunt nummer één, en daar ging de nieuwe trainer meteen mee aan de slag. Niet dat het trainerseffect meteen merkbaar was. De malaise zat diep. Veel dieper nog dan Clement zich gerealiseerd had bij zijn komst. Hij legde meteen een duidelijke lijn in zijn communicatie en kreeg zo de groep in de hand. Dat kon op het einde niet meer van Stuivenberg gezegd worden, al pleit voor de Nederlander dat hij daar nooit over zeurde, nooit spelers aanviel en evenmin naar externe excuses zocht die bij dat soort malaise voor de hand liggen. Maar binnenskamers was zijn krediet al langer op en kwam het al eens tot uitbarstingen met de meer mondige spelers. Die ergerden zich steeds meer aan het feit dat de Nederlander vooral oog had voor het corrigeren wat verkeerd liep en daar op een schools-wetenschappelijke manier probeerde aan te verhelpen. Dat pakte Clement toch wel heel anders aan. Al in de eerste gesprekken met het bestuur gaf hij aan dat hij veel belang hechtte aan de menselijke verhoudingen en rekening hield met diversiteit van karakters. Een aangename verrassing vonden de bestuurders dat, die er niet meteen van uitgingen dat iemand met een ingenieursopleiding zo geïnteresseerd zou zijn in de menselijke factor. Maar het werkte wel, zij het langzamer dan Clement had gehoopt. Feit is dat hij Pozuelo en Malinovski gaf wat ze nodig hadden: menselijke warmte en vertrouwen. Dat moest leiden tot een omslag, en die kwam er ook met de nipte bekerkwalificatie tegen KV Kortrijk. Vorige week riep Malinovski in een interview met Het Belang nog uit: 'Clement heeft me mijn fierheid teruggegeven.' Sindsdien lukt alles wat voorheen verkeerd liep op het veld. Ook de barometer die een training als deze op woensdag toch is geeft aan dat het goed zit. Het zal ook voorzitter Peter Croonen, nog geen jaar in functie, verheugen, want uiteindelijk is het toch een moeilijk seizoen geworden. Niet dat Croonen, die de naam heeft zelf graag de touwtjes in handen te nemen, regelmatig de trainingen volgt. Dat is nu ook weer niet nodig. Na de wedstrijden gaat hij altijd even in de kleedkamer goeiedag zeggen. Voor de match betreedt hij enkel de kleedkamer wanneer de trainer daar uitdrukkelijk om vraagt. Dat gebeurde dit seizoen nog maar één keer: voor de terugwedstrijd in de halve finales van de beker, toen Genk nipt won van Kortrijk, voor amper 8000 aanwezigen, die nu allemaal trots zijn dat ze er die barre winteravond op dinsdag bij waren. Drie dagen later was onder de neerdwarrelende sneeuw de heropstanding een feit toen Genk met de competitiezege tegen Zulte Waregem weer het publiek achter zich kreeg. Het was de avond dat Patrick Janssens ontslagen werd en dat Dieumerci Ndongala uitgefloten werd bij zijn invalbeurt. Woedend en schamper reageerde men toen de Congolees op de laatste dag van de wintermercato werd binnengehaald als enige transfer, na de eerder al gehaalde Ibrahima Seck. Is dat alles wat Patrick Janssens kon bedingen tijdens de wintermercato? Het klopt dat Janssens mee aandrong op de komst van de speler van wie iedereen riep dat hij niet het juiste Genk-DNA had. De CEO was als één van de weinigen wél overtuigd van Ndongala omdat hij had wat Genk op dat moment nodig had: flitsende acties langs de lijn, en het lef om de bal keer op keer te vragen, ook in moeilijke situaties. Wie vandaag Ndongala ziet lachen, spurten en pingelen op training en in wedstrijden, -gelooft zijn eigen ogen niet. Veel Genkwatchers moeten plots hun woorden van een dikke maand geleden inslikken. Het is, geeft men ootmoedig toe, wat voetbal zo'n aantrekkelijke sport maakt, dat onvoorspelbare. In volle drukte zitten aan een paar aparte tafeltjes aan de overzijde van het Themacafé algemeen directeur jeugd Roland Breugelmans, zijn staf en enkele van de beloften aan het middagmaal. Een paar van hen waren mee op winterstage met de A-kern, vandaag zitten ze hier, zoals Kevin De Bruyne en Thibaut Courtois een aantal jaar geleden aan deze tafels, gewoon tussen de supporters. Misschien zijn een paar van hen de sterren van morgen, zoals ze dat in Genk de laatste jaren gewoon geraakt zijn. Twee weken geleden publiceerde de Italiaanse sportkrant Gazzetta dello Sport in zijn dinsdageditie nog een lovend stuk over de filosofie van KRC Genk en het werk van Breugelmans die al sinds het eerste jaar van de fusie bij de jeugd van KRC Genk werkt, eerst tien jaar als jeugdtrainer, de laatste twintig jaar als verantwoordelijke. Het artikel lijst een elftal op dat de laatste tien jaar door Genk van de hand werd gedaan, allemaal spelers die voor veel geld werden verkocht en vandaag wereldtop zijn, of daar net onder zitten. Thibaut Courtois en Kevin De Bruyne staan erop, net als Ndidi en Bailey, maar ook Yannick Carrasco, Kalidou Koulibaly (nu met Napoli één van de beste verdedigers in Italië) en Timothy Castagne (regelmatig in de basis bij Atalanta Bergamo). 'Mocht een Italiaanse club zo'n opleidingssysteem met zo'n lijstje hebben, dan zou de Squadra Azzurra er niet zo slecht voor staan', is de lovende conclusie voor Breugelmans en co. Wie ook in dat elftal staat, is Sergej Milinkovic-Savic van Lazio, dit seizoen algemeen beschouwd als dé beste middenvelder in de Serie A. Van Milinkovic-Savic had Genk niet meteen verwacht dat hij een wereldtopper zou worden. Daarvoor voetbalde hij te kort in de Luminus Arena. Na een geslaagd jeugd-WK met Servië wilden een paar Italiaanse eersteklassers hem absoluut kopen van Genk. De Limburgers hadden een akkoord met Fiorentina, maar zag zich vervolgens geconfronteerd met een speler die in Firenze in tranen uitbarstte en er tot consternatie van het plaatselijke bestuur vlakaf zegde dat hij alleen naar Lazio wilde, waar hij eerder al zijn woord had gegeven. Een paar weken geleden werd aan Lazio's Albanese sportief directeur Igli Tare gevraagd of Milinkovic-Savic echt 70 miljoen euro waard was, zoals in de pers was verschenen. Tares antwoord was veelzeggend: 'Zo'n bod hebben we afgelopen zomer geweigerd.' Eerder gaf Laziovoorzitter Claudio Lotito aan dat hij weigert over een transfer van Milinkovic-Savic te praten voor minder dan 100 miljoen euro. Waarom Lazio vorig jaar niet geneigd was om zijn topspeler te verkopen, en dat straks wel wil doen, is intussen ook duidelijk geworden. Had Lazio afgelopen zomer Milinkovic-Savic verkocht, dan had het volgens het met Genk afgesloten akkoord vijftig procent van de transferinkomsten moeten afstaan aan Genk. Concreet betekent dat dat Genk bij zo'n bod van 70 miljoen 35 miljoen had gekregen. Maar net daarom hield Lazio de boot af. Het had geen zin om grote bedragen met de Belgische club te delen. Dus drong het eind september bij Genk aan om de volledige transferrechten te kopen. Genk aanvaardde dat omdat het percentage waar de Belgische club recht op had vanaf de volgende transferperiodes drastisch zou dalen, waardoor Genk ook veel minder zou opstrijken als een transfer nog even op zich zou laten wachten. Dus verkocht het in het najaar zijn helft van de transferrechten op de Serviër. De bedragen die in de Gazzetta dello Sport geciteerd werden, wil men bij Genk niet bevestigen, maar algemeen wordt aangenomen dat het totale bedrag (zestien miljoen euro) niet zo heel ver staat van wat Genk effectief ving voor zijn Servische box-to-boxspeler die de afgelopen weken gelinkt werd aan Manchester City, Manchester United, PSG en Real Madrid. Het is aan Genk om regelmatig dat soort spelers op de bühne te plaatsen, wetend dat ze daar door grotere clubs zullen weggehaald worden, liefst voor een naar Belgische normen hoog bedrag. Dat geldt voor de eigen producten en voor buitenlanders à la Milinkovic of Koulibaly die de Limburgse eersteklasser als opstapje gebruiken, waardoor Genk ook zijn structureel jaarlijks tekort kan wegwerken. In een lijstje dat het Zwitserse statistiekenbureau CIES in januari publiceerde stonden bij de lijst van de 100 spelers met de hoogste transferwaarde vijf ex-spelers van KRC Genk: Kevin De Bruyne, Wilfred Ndidi, Kalidou Koulibaly, Thibaut Courtois en Sergej Milinkovic-Savic. Hun gezamenlijke waarde werd 427 miljoen euro geschat, dat is 85 miljoen euro per speler. Het is precies die naam van opleidingsclub voor jonge Belgen én getalenteerde jonge buitenlanders die Genk op de kaart zette in Europa, en die buitenlandse makelaars ertoe brengt toekomstige toptalenten als Sander Berge bij de Limburgers onder te brengen, wetende dat ze er alle speelkansen zullen krijgen, zich volop kunnen ontwikkelen en, als de tijd rijp is, verkocht worden met alle betrokken partijen (speler, verkopende én kopende club, en uiteraard makelaar) als winnaar. Made in Genk is een kwaliteitslabel, een roeping waar Genk moet blijven aan beantwoorden, want puur op basis van wat de eigen regio oplevert aan talent én aan werkingsmiddelen (sponsors, publiek) kan men het niet bolwerken. Daarvoor is de regio toch een stuk te klein, drie landstitels en een vier (straks misschien vijf) bekers ten spijt.