Onze vlucht

Mërgim Vojvoda (23): 'Zeven maanden lang leefden we in bossen en wouden. Telkens als het geweld te dichtbij kwam, trokken we weer verder. Ik was nog geen jaar. Mijn ouders waren met mijn broer en mijn twee zussen eerst naar Duitsland gevlucht. Daar ben ik geboren. Maar Duitsland stuurde ons terug naar Kosovo.
...

Mërgim Vojvoda (23): 'Zeven maanden lang leefden we in bossen en wouden. Telkens als het geweld te dichtbij kwam, trokken we weer verder. Ik was nog geen jaar. Mijn ouders waren met mijn broer en mijn twee zussen eerst naar Duitsland gevlucht. Daar ben ik geboren. Maar Duitsland stuurde ons terug naar Kosovo. 'Tijdens de oorlog verplaatsten we ons eerst met de tractor. Op een keer zat mijn vader achter het stuur en mijn broer op de kar, tussen zakken met tarwe. Plots zoefde er een kogel door zo'n zak. Mijn broer had die dag veel geluk. De tractor raakte op den duur vernield. Toen moesten we te voet verder. Ik werd de hele tijd gedragen door mijn moeder of vader. We sliepen onder de blote hemel, in de regen, met honger en dorst. 'Na een tijd verzeilden we in Tsjechië. Daar gooide de politie mijn vader, mijn broer en mijn oudste zus in de gevangenis. Toen leefde ons gezin zes maanden gescheiden. Uiteindelijk konden we toch samen ontkomen. We kwamen naar België. Hier woonden twee tantes. 'Ik groeide op in Luik en voel me helemaal thuis in dit land. Maar als ik terugkom in Kosovo, voel ik me echt-echt-écht thuis. Mijn vader en grootvader hebben gevochten voor die plek. In Kosovo kan ik genieten tot in het diepste van mijn ziel.' 'De Serviërs erkennen onze onafhankelijkheid niet. Maar wij wéten dat ons land van ons is. Hier, bij Moeskroen, speel ik met verscheidene Serviërs. Ik heb geen problemen met hen. Met één ben ik zelfs bevriend. Maar in Kosovo voelt het allemaal anders aan. Mocht ik in Pristina een Serviër kruisen, dan zou ik haat voelen, zelfs als het een jongere zou zijn die niet in de oorlog gevochten heeft. Wie weet zou ik zelfs een klap uitdelen. ( herneemt zich) Het is niet zo dat ik een blinde haat voel tegenover alle Serviërs, maar ik weet dat zij ons pijn gedaan hebben. Dat kun je niet uitgommen. Als ik naar Kosovo ga, kan ik in principe door Servië rijden, maar ik neem liever de route langs Kroatië en Montenegro, ook al doe ik er zo acht uur langer over.' 'We hebben nu een eigen nationale ploeg. Eerst speelde ik voor Albanië en dat was goed, want Albanië en Kosovo hebben bijna alles gemeen. Maar toen ik voor Kosovo kon spelen, twijfelde ik geen seconde. Er overviel me een heel speciaal gevoel. Bij elke match met Kosovo stel ik me voor dat het weer oorlog is. Op het veld ben ík nu de soldaat en is het aan mij om mijn land te verdedigen. Dat gevoel zal nog sterker worden nu we onze thuismatchen niet meer in Albanië moeten afwerken. Straks spelen we voor het eerst in het gerenoveerde stadion van Pristina ( op 10 september 2018 in de Nations League tegen de Faeröer, nvdr). Op onze grond willen we zeker niet verslagen worden, daar hebben we al genoeg pijn geleden. 'Het is wel jammer dat we voor een nieuwe vlag spelen. Vroeger had Kosovo dezelfde vlag als Albanië: die rode met de dubbelkoppige, zwarte adelaar. Voor dié vlag hebben onze vaders en grootvaders gestreden, dié prijkte op hun borst toen ze naar het slagveld trokken. Vandaar dat Xherdan Shaqiri en Granit Xhaka met hun handen de adelaar vormden toen ze op het WK de twee Zwitserse goals maakten tegen Servië. Voor mij had Kosovo perfect onafhankelijk kunnen zijn met dezelfde vlag als Albanië.' 'In Kosovo bots je midden in de stad nog op mannen die met hun koeien op de weg lopen. Kosovaren omarmen de agricultuur nog. Melk en fruit halen zij gewoon uit hun tuin. 'In Kosovo zijn de mensen ook gewend dat de stroom elke dag één à twee uur uitvalt. Je zit er naar de televisie te kijken en ineens poef. Het voordeel is wel dat je daar nog echt blij wordt als je de tv aanzet en hij blijkt te werken.' ( lacht) 'De grootste Kosovaarse voetballer ooit is in juni overleden: Fadil Vokrri. Hij was de voorzitter van onze voetbalbond. Hij speelde ook een tijd in Servië, bij Partizan. Hij werd erg gerespecteerd. Bij zijn dood toonde Patrizan overal een foto van hem. Zulke dingen sterken me om te zeggen dat voetbal veel in beweging kan zetten, dat we het voetbal moeten aangrijpen om zaken ten goede te veranderen.'