Talent is er bij de volksclub FK Zeljeznicar Sarajevo altijd geweest. Maar volgens AlmirMemic is de oorlogsgeneratie misschien wel de beste generatie van de laatste twintig jaar. De assistent-coach van de landskampioen van Bosnië & Herzegovina was juniorentrainer toen onder meer de beloften Edin Dzeko en Ervin Zukanovic er doorstroomden naar de A-kern. "Na de oorlog was er euforie en boomde het aantal aansluitingen", zegt hij. "Ik geloof dat we toen zo'n vijfhonderd jeugdspelers telden." We staan met Sead Zukanovic, vader van Ervin, naar een training te kijken op het oefenveld van het nog altijd niet gerenoveerde Grbavicastadion. "De oorlogsgeneratie is ook de generatie van wie de ouders alles zelf moesten betalen", werpt hij op. "Hun kledij, hun schoenen, hun trainer, álles. De clubs waren arm en geld was er wel voor de profs, maar niet voor de kinderen." Alleen weeskinderen moesten niet betalen om te voetballen, kinderen van wie de ouders de oorlog niet overleefden. Zo waren er veel. Heel veel. Daar getuigt het aantal weeshuizen nog steeds van.
...

Talent is er bij de volksclub FK Zeljeznicar Sarajevo altijd geweest. Maar volgens AlmirMemic is de oorlogsgeneratie misschien wel de beste generatie van de laatste twintig jaar. De assistent-coach van de landskampioen van Bosnië & Herzegovina was juniorentrainer toen onder meer de beloften Edin Dzeko en Ervin Zukanovic er doorstroomden naar de A-kern. "Na de oorlog was er euforie en boomde het aantal aansluitingen", zegt hij. "Ik geloof dat we toen zo'n vijfhonderd jeugdspelers telden." We staan met Sead Zukanovic, vader van Ervin, naar een training te kijken op het oefenveld van het nog altijd niet gerenoveerde Grbavicastadion. "De oorlogsgeneratie is ook de generatie van wie de ouders alles zelf moesten betalen", werpt hij op. "Hun kledij, hun schoenen, hun trainer, álles. De clubs waren arm en geld was er wel voor de profs, maar niet voor de kinderen." Alleen weeskinderen moesten niet betalen om te voetballen, kinderen van wie de ouders de oorlog niet overleefden. Zo waren er veel. Heel veel. Daar getuigt het aantal weeshuizen nog steeds van. Ervin is net vijf jaar geworden wanneer in Sarajevo de Bosnische oorlog begint, zijn broer Adnan acht. De familie Zukanovic woont op dat moment in een appartement op de derde verdieping. "De kinderen waren buiten aan het spelen toen de granaten vielen", vertelt de vader in het stadscentrum bij een kop koffie. "We hebben ze binnengeroepen en zijn in de kelder gaan schuilen. Maar ik heb vrijwel meteen gezegd: 'We moeten hier weg!' Een week later zijn we vertrokken naar vrienden in Ljubljana, in Slovenië, met één grote tas en een klein beetje geld. Twee dagen waren we onderweg, met de trein en met de bus. Zeshonderd kilometer ver. De man die ons naar het station voerde, kwam nadien om het leven." Moeder: "We hebben heel veel geluk gehad, ook bij de controles aan de grens en de blokkades van de Serviërs." Vader: "Sommigen werden er uitgepikt en geslagen. Zelf werd ik er ook één keer uitgepikt door een officier, maar toen die zag dat ik in Herzegovina geboren was, liet hij mij gaan. Nog altijd word ik daar niet graag aan herinnerd. Negentig procent van de mensen die toen niet konden vluchten, hielden aan die tijd een trauma over. Bijna vier jaar lang zonder stroom, zonder water en zonder gasleidingen, en elke dag vrezen voor granaten en sluipschutters, kan je je voorstellen wat dat is? 's Nachts slaap je niet, want je denkt: zullen mijn kinderen morgen wel overleven? Vergeet niet: in Sarajevo vielen meer dan 11.000 doden, onder wie ongeveer 1600 kinderen." Moeder: "Die oorlog maakte alles kapot. Het is één groot trauma en het is de schuld van de nationalistische politici." Broer: "Ik heb daar niet veel herinneringen aan. Van mijn jeugd onthoud ik vooral dat Ervin en ik altijd vochten. Als hij zijn zin niet kreeg, dan kon hij heel onbeschoft zijn. (lacht) Elke dag was er wel iets. Hij gooide zelfs met steentjes naar andere kinderen. Waar hij ook absoluut niet tegen kon, was dat hij altijd verloor tegen mij in de FIFA-game. In één jaar gooide hij wel vijftien joysticks kapot tegen de muur." Moeder: "Ervin was een zeer onrustig kind." Vader: "Hij stond meer op zijn hoofd en op zijn handen dan op zijn voeten." Moeder: "Altijd! Ongelooflijk. Ik was kapot van hem, ik ben zelfs naar een psycholoog moeten gaan." Vader: "Hij was een enorm actief kind, maar wanneer hij zich 's avonds neerlegde, viel hij meteen in slaap." Broer: "Ik ben meer zoals mijn moeder: rustiger. Ervin is meer zoals mijn vader: niet kunnen verliezen, willen dat alles op zijn manier gebeurt en alles zelf willen beslissen. Ik herinner mij toch ook dat mijn vader tijdens het kaarten wel eens de kaarten door het raam gooide." (lacht) Vader: "Ervin heeft mijn energieke karakter. Maar intussen vond hij zijn plaats in het leven en in het voetbal en is die rust zijn kracht geworden." Zeven jaar bleven ze uiteindelijk van huis weg. Eén jaar woonden ze in Ljubljana, daarna verhuisden ze voor zes jaar naar Duitsland in de buurt van Augsburg. Daar is voor Ervin alles begonnen. Op een veldje naast een restaurant is hij beginnen te voetballen. Vader: "Maar we sloten hem snel aan bij TSV Neuss, een clubje uit de vijfde of de zesde afdeling. Iedereen was verrast dat hij zo goed met de bal kon omgaan en zo hard kon trappen. Het was meteen duidelijk dat hij talent had. Hij won in Duitsland veel trofeeën en medailles, met zijn ploeg, maar ook individueel: van topschutter en van beste speler. Zijn eerste trainer zei van in het begin: 'Jij wordt Profi!' Ervin was op dat moment nog maar zes jaar. Vorig seizoen is die man, die intussen in de tachtig is, naar de wedstrijd van Kortrijk tegen Beerschot komen kijken. Ervin schonk hem toen zijn shirt." Moeder: "Super!" Vader: "We hebben goede herinneringen aan Duitsland." Moeder: "Ze hielpen ons daar enorm. Bijna de hele school van Ervin weende toen we moesten vertrekken. Er werd zelfs een afscheidsfeest voor hem georganiseerd." Vader: "En de Allgemeine Zeitung is gekomen, en gaf Ervin een bal als afscheidsgeschenk." Moeder: "Die mensen daar zijn zo trouw. Sommigen bellen ons nog wel eens en we zijn er ook nog terug geweest. Wij houden van Duitsland." Vader: "Dat is normaal. We konden er leven zoals de Duitsers, we kregen er een woning, werkten in een goede firma en verdienden er goed." Moeder: "Duitsers zijn zo menselijk." Vader: "Ze hebben toen heel veel Bosniërs geholpen." Moeder: "In iedere straat woonden er." Vader: "In totaal vingen ze een kwartmiljoen Bosnische vluchtelingen op. Toen we terug moesten keren, heb ik gezegd: 'Bedankt voor die zes jaar.' Daardoor konden mijn kinderen gezond blijven in het hoofd. Wie weet wat er anders allemaal was gebeurd. Misschien waren ze wel omgekomen. Het is geen toeval dat de huidige nationale ploeg van Bosnië zo veel vluchtelingen telt - Ervin, Ibisevic, Salihovic, Begovic,..." Terug in Sarajevo ging Ervin voetballen bij FC Bubamara, de voetbalschool van de gewezen Joegoslavische international Pedrag Pasic. Een jaar later vertrok hij naar FK Zeljeznicar, de grootste club van het land - en in 1985 halvefinalist in de UEFA-beker. Maar vooral de aanpassing aan het leven was er moeilijk. Broer: "Toen we in 1996 tijdens de zomer een eerste keer terugkeerden, 'op vakantie', begon ik bij het zien van de stad te wenen. Het was alsof de Tweede Wereldoorlog er net had plaatsgevonden. Er stond amper nog een gebouw helemaal overeind. Op het oefenveld van Zeljeznicar waren mensen begraven. Onvoorstelbaar. "In 1998 zijn we definitief teruggekeerd. Ook op school kenden we problemen. Veel leerlingen waren heel arm en droegen versleten kledij en altijd dezelfde trainingsbroek. Wij droegen een jeans en werden bekeken alsof we aliens waren. Onze ouders waren nochtans allesbehalve rijk. Maar in Duitsland hadden ze allebei gewerkt en geld gespaard. Daarmee konden ze in Sarajevo een zaak beginnen - een kafana, zo 'n typische Balkanbistro. De eerste maand zat ik te slapen in de klas. Ik was gewoon om Duits te spreken, moest de taal opnieuw leren en niemand zocht contact met mij. Vluchtelingen die na de oorlog terugkeerden, werden gehaat. Er was heel veel jaloezie. Vooral onder kinderen was dat erg. Onze uurwerken en onze telefoons werden gestolen. Tot in 2003 was er onder teenagers veel geweld. In enkele buurten kon je niet veilig over straat wandelen. Daar gold de wet van de sterkste. Er heerste een agressieve sfeer en sommige jongeren liepen er rond met messen en pistolen. Zo waren wij in Duitsland niet opgegroeid en ik kon er niet aan wennen. Je moest enorm opletten wat je zei of deed, want voor het minste riskeerde je dat er iemand terugkeerde met een geweer. Ik zag zelf ooit dat jonge gasten die zich op straat verveelden een slachtoffer zochten, er willekeurig iemand uitpikten, hem overmeesterden, in de knie schoten en wegliepen. Ervin had een vriend die iets te veel naar gangsterfilms keek en niet altijd de beste invloed op hem had, maar uiteindelijk is alles toch goed gekomen. (lacht) Mijn broer bleef ook maar vier à vijf jaar in Sarajevo." Vader: "Op een dag kreeg ik telefoon dat Ervin met de eerste ploeg moest meetrainen. Hij was toen zeventien. 's Anderendaags stond in de krant dat 'de jonge Zukanovic' de week erna al zou debuteren tegen FK Borac Banja Luka. Maar twee dagen later blesseerde hij zich op training. Hij kreeg een profcontract van vier jaar, maar op een dag kwam hij aangeslagen thuis en zei hij: 'Papa, je moet geld geven, pas dan zal ik mogen meespelen.' Ze wilden hem opeens uitlenen aan een klein clubje in een dorp ergens. Maffiosi! Ik ben meteen zijn papieren gaan vragen om zijn vrijheid te bekomen." Broer: "Je moest geld geven, de juiste mensen kennen of je vader moest sponsor zijn. Dan kreeg je een andere behandeling. Zeker toen was er heel veel corruptie." De jongste Zukanovic vertrekt daarna met een toeristenvisum naar Duitsland en gaat er inwonen bij een Bosnische vriend die bij Greuther Fürth keept. Die neemt hem mee naar Duisburg, waar op initiatief van de voetbalbond werkloze voetballers onder leiding van gediplomeerde trainers hun conditie kunnen onderhouden en vriendschappelijke wedstrijden kunnen spelen. Na een oefenmatch tegen Keulen, tien dagen voor zijn visum afloopt, komt een makelaar hem zeggen dat hij een contract van een jaar kan tekenen bij de Oostenrijkse tweedeklasser Austria Lustenau. Hij gaat op de aanbieding in. Veel verdient hij er niet. Hij woont in een appartement op het tweede, terwijl het enige toilet zich op het eerste bevindt. Bovendien blijkt hij er niet-EU-speler op overschot en speelt hij het hele seizoen geen minuut met het eerste elftal. Hij keert terug naar Sarajevo, tot hij via een kennis een aanbod krijgt van een Oostenrijkse vierdeklasser uit de buurt van Lustenau. FC Sulzberg. De burgemeester zorgt voor een werkvergunning en een baantje in een fabriek die ramen maakt. Ervin staat er van zes uur 's ochtends aan een machine en gaat 's avonds drie keer per week trainen. Voor 150 euro huurt hij een kamer en deelt hij een keuken en een woonkamer met andere bewoners van het gebouw. Wanneer zijn vader er op bezoek komt, kan die het niet aanzien. Vader: "Ik zei: naar huis! Hij had niet eens een eigen bed. Daar woonden wel dertig mensen samen, geloof ik. De ijskast was leeg, hij reed met een motorfiets en deed strontwerk. Ik wilde hem meteen meenemen, maar hij wou blijven proberen. Nerven, nerven, nerven! (lacht) Ervin bezorgde mij veel zenuwen. Maar... zolang hij maar gezond was! Je kind dat aan de cocaïne zit, dát is een echt probleem." Zijn geduld en doorzettingsvermogen loont. Plots krijgt hij bericht van een makelaar dat hij bij de Duitse derdeklasser KFC Uerdingen 05 terechtkan en dat er misschien ook opportuniteiten zijn in België. Hij neemt het risico, begint in Duitsland weer als een prof te trainen en test met succes bij Excelsior Moeskroen. Maar net wanneer hij er op advies van Enzo Scifo een contract kan tekenen, krijgt die club door financiële problemen een transferverbod opgelegd. Uiteindelijk kan hij naar Dender. Johan Boskamp zet hem er meteen in de basis en sindsdien gaat het almaar beter met Ervin Zukanovic. Van Dender gaat het via Eupen naar KV Kortrijk en een jaar geleden naar AA Gent. De tocht was lang en moeilijk, maar niet tevergeefs. Broer: "Ik wist van in het begin dat hij prof zou worden. In de school was hij niet geïnteresseerd, alleen het voetbal telde. De eerste keer in zijn leven dat hij een bal aanraakte, wilde hij voetballer worden. Zijn vrienden gingen uit, hij stond 's winters om zes uur op om zich voor te bereiden. Ervin kende geen normale jeugd zoals ik die kende. Ik kon mij niet voorstellen dat hij later iets anders zou doen dan voetballen. Ik ben in alles geïnteresseerd, ik wil alles weten; hij is alleen op voetbal gefocust. Eigenlijk leeft hij er al sinds zijn zesde voor om profvoetballer te worden. Bij Zeljeznicar ontsnapte hij zelfs op school om te trainen om in de eerste ploeg te kunnen raken. Politiek interesseert hem niet, het nieuws in de kranten en op tv ook niet zo. Wat soms een voordeel is, hoor, want als je hier je televisie aanzet, is het dikwijls om depressief van te worden. Mijn broer is net als mijn vader een doener. Ik ben een denker. Ik denk alvorens ik iets doe. Zij doen eerst en denken daarna pas. In de sport is het beter niet na te denken. Waarschijnlijk ben ik daarom geen sporter geworden. (lacht) Ik studeerde sociaal werk en in afwachting dat ik in die sector aan een job raak, werk ik in een hotel." DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE IN SARAJEVO"Negentig procent van de mensen die niet konden vluchten, hielden aan de oorlog een trauma over." vader