Misschien, bedacht Michel D'Hooghe achteraf, moet hij binnen een paar jaar nog eens een boek schrijven. Op de vraag om even na te denken over het alfabet van Club Brugge was hij zeer plichtsgetrouw ingegaan. D'Hooghe had alles met de hand netjes genoteerd. Op 22 pagina's. En, vertelde hij, hij had er veel plezier aan beleefd. Het was voor hem een duik in het verleden, met veel vreugde en soms verdriet, met weemoed en euforie. En voor de journalist een gemakkelijke opgave: je hoefde het alleen maar over te tikken en hier en daar wat in te korten, wat aan te vullen en wat bij te stellen.

Wat volgt, is een uitstap door de geschiedenis van Club Brugge. Over de zwarte momenten spreekt D'Hooghe al evenmin als over zijn ontgoochelingen. Dit moest een positieve boodschap worden. Als afsluiter van deze extra bijlage.

Axelsson

"Toen Kurt Axelsson vanuit Zweden in Zaventem arriveerde, ben ik hem gaan ophalen. Dat was in 1967. Ik was nog student, maar toch al zijdelings bij Club Brugge betrokken. Het eerste contact verliep heel moeizaam, ik sprak hem aan in het Engels, Frans en Duits, maar de communicatie vlotte niet. Tot ik in Brugge enkele woorden met mijn chauffeur wisselde, in het Brugs, en Axelsson glimlachend zei dat hij alles begrepen had. Toen merkte ik voor het eerst dat er veel overeenkomsten waren tussen het West-Vlaams dialect en de Scandinavische talen.

"Kurt raakte trouwens heel snel ingeburgerd. Hij trouwde met een Brugse. Op het veld was hij een echte leider, een organisator. Daarbuiten sprak hij zeer weinig. Hij was de absolute voorloper van het professionalisme. Samen met de toenmalige trainer Norberto Höfling, de man die hem heeft gehaald."

Boone

"Als reservedoelman maakte Fernand Boone zoveel indruk dat de toenmalige titularis Albert 'Berten' Carels op een gegeven moment bij het bestuur aanklopte om te zeggen dat ze Boone in de ploeg moesten zetten. Omdat die veel beter was dan hij. Ik denk dat zoiets nog maar weinig is gebeurd. Boone was van een uitzonderlijk niveau, een doelman die weinig fouten maakte en bij ieder tegendoelpunt ook al een uitleg klaar had, hij praatte dan over een tegenspeler die niet gedekt stond. En iedereen ging in die uitleg mee. Als international werd hij geremd door eerst Jean Nicolay en later Christian Piot. In 1967 kreeg hij de Gouden Schoen, een bekroning voor zijn carrière.

"Ik wil ook Raoul Beuls vermelden. Hij trad toe tot de raad van bestuur in 1970 en werd ondervoorzitter tot hij de limiet van 75 jaar had bereikt. Hij was belast met de juridische zaken en sociale projecten en deed dat echt op een schitterende manier."

Ceulemans

"Hier zijn er een hoop kandidaten. Charles Cambier, een steunpilaar van de kampioensploeg uit 1920. Of Leo Canjels, de trainer die Club in 1973 kampioen maakte. Of Pierre Carteus, die over een geniale pass beschikte. En Julien Cools natuurlijk. Maar één man steekt erboven uit: Jan Ceulemans is samen met Raoul Lambert de beste speler uit de geschiedenis van Club Brugge. Ceulemans was niet de meest verfijnde technicus, maar hij was fysiek sterk, balvaardig, geëngageerd, tactisch intelligent en hij bezat scorend vermogen. En hij maakte ook zijn ploegmaats beter.

"Dat het nadien fout is gelopen met zijn trainersloopbaan bij Club is voor ons beiden een ontgoocheling, een blijvend trauma dat littekens heeft nagelaten."

De dynastie De Clerck

"Ook hier genoeg namen. Voorzitter Albert Dyserinck, die Club de gronden van de Klokke schonk. Marcel Deldaele, de bankdirecteur die na een zware crisisperiode voor financiële orde en stabiliteit zorgde. Filips Dhondt, een van de bekwaamste medewerkers die ik had. Marc Degryse, een supertalent, ook getalenteerd naast het veld. Of Roger Davies en Jacques De Nolf.

"Maar de letter D associeer ik toch met de dynastie De Clerck die tussen 1937 en 1989 aan het hoofd stond van Club Brugge. Émile zorgde ervoor dat de spelers een job kregen in zijn blikslagerij, Andrélag aan de basis van het professionalisme en onder Fernand beleefde Club zijn grootste successen. Fernand was meer dan een kwarteeuw voorzitter, bleef altijd op de achtergrond, maar was en is een groot voetbalkenner, ook al liep hij daarmee nooit te koop."

Elza

"Elza was de echtgenote van André De Clerck. Zij is een unieke figuur geweest in de geschiedenis van Club, de beste public relations die er bestond. Ze was altijd even vriendelijk, op de receptie na de wedstrijd had ze troostende woorden voor de bezoekers die weer eens waren afgetroefd. Bij haar begrafenis was Constant Vanden Stock speciaal uit Brussel overgekomen, het illustreert de waardering die ze van alle kanten kreeg.

"Elza De Clerck was mijn doopmeter. Ze heeft me met blauw-zwart water gedoopt. Ik ben haar daar eeuwig dankbaar voor."

Fons

" Fons Bastijns was de kapitein van de ploeg die alle grote successen behaalde. Norberto Höfling haalde hem weg bij Racing White, waar hij in de spits stond, en vormde hem om tot rechtsachter. Door zijn snelheid was hij eigenlijk zowel rechtsachter als rechtsbuiten. Hij had een groot anticipatievermogen en een snedige humor. Fons was een intelligente en fijne persoonlijkheid, die op een zeer spontane manier ontzag afdwong."

Goetinck

"Ik kan hier niet om Torten Goetinck heen, die 27 jaar voor Club Brugge speelde en het uithangbord was van de ploeg die in 1920 de eerste titel behaalde. Later werd hij ook nog trainer en bestuurslid.

"Maar er zijn nog veel andere namen. Erik Gerets bijvoorbeeld, zeer succesvol als trainer. Of Fernand Goyvaerts, de dribbelkoning. En Han Grijzenhout, de trainer die Club in 1980 naar de titel loodste. En niet te vergeten Ruud Geels, de Nederlandse spits die naar Club Brugge kwam in een periode dat er veel kon.

Happel

"Natuurlijk moet je Ernst Happel naar voren schuiven, hoewel ik ook Norberto Höfling moet noemen, de eerste professionele trainer van Club. Hij zorgde voor een meer internationaal gerichte dimensie en schrok niet terug voor een of andere tactische spitsvondigheid. Zo liet hij Club eens met twee rechtsbuitens aantreden.

"Maar Happel stond natuurlijk op eenzame hoogte. Een voetbaldier, hard voor zichzelf en voor anderen. Met Happel leefde je constant op een vulkaan, er kon altijd iets gebeuren, hij was onvoorspelbaar en ondoordringbaar. Over zijn trainerskwaliteiten hoef ik hier al even weinig uit te weiden als over zijn successen."

Ipswich

"Een naam die ik nooit zal vergeten. De Europese thuismatch tegen Ipswich Town, in 1975, behoort bij de meest memorabele. Ginder met 3-0 verloren en thuis met 4-0 gewonnen. Zelden heb ik een wedstrijd gezien waarin de supporters achteraf zo ontroerd waren, er werden veel zakdoeken bovengehaald. Uiteindelijk zouden we in dat seizoen de finale van de UEFA Cup bereiken.

"Een paar jaar later nam Ipswich deel aan de Brugse Metten. In mijn speech zei ik tegen trainer Bobby Robson: " You have already been here." Hij antwoordde zeer gevat: " Yes, and it nearly cost me my job."

Jensen

"Een topkeeper en een volkse rebel. Birger Jensen was ongelooflijk populair. En een sleutelfiguur in de periode onder Happel: fysiek ijzersterk, goed meevoetballend en nagenoeg onklopbaar in een-tegen-eensituaties. Je kon zijn populariteit meten tot in het moederhuis: hoeveel Birgers zouden er in de jaren zeventig in en rond Brugge geboren zijn?

"Jensen nam geen blad voor de mond. Je kon met hem beter geen ruzie maken. Zelfs Happel was bang van hem. En hij was niet bang om tegen Happel te zeggen wat hij dacht."

Kyndt

"Misschien is dat voor de buitenwereld een verrassende keuze, maar niet voor insiders. Marcel Kyndt is gedurende meer dan 30 jaar de zeer gewaardeerde ondervoorzitter geweest van Club. Als voorzitter van het financiële departement oefende hij een zeer rigoureuze financiële controle uit. Zelf kwam hij nooit in de belangstelling, maar het gaf ons altijd een goed gevoel te weten dat de financiën bij hem in goede handen waren. Het was onvoorstelbaar hoeveel uren hij na zijn dagtaak in Club Brugge stak.

"Daarnaast moet ik het ook hebben over George Kessler, de trainer die Club weer op het goede spoor zette. Hij effende eigenlijk de weg naar een nieuwe toekomst. En dan is er nog Edi Krieger, een van de snelste en meest wendbare verdedigers die ik ooit zag. Ik ben toen zelf nog naar Oostenrijk gereden om hem aan te trekken. Omdat Happel vond dat er achteraan iets ontbrak. En dat hij een speler kende die deze leemte zou opvullen."

Lambert

"Het absolute boegbeeld van Club Brugge. Raoul Lambert is een levend standbeeld geworden, iemand waar elke supporter ongelooflijk van houdt. Enorm getalenteerd, razendsnel en toch altijd de eenvoud in persoon.

"Onze eerste contacten verliepen via de infirmerie waar hij, door zijn frequente blessures, een meer dan trouwe klant was. Uit die contacten groeide een vriendschapsrelatie. Ik heb nog zijn jubileumwedstrijd, de Jubilotte, helpen organiseren en ik heb mee aan zijn boek geschreven 'Voetballen is aanvallen'. Maar het mooiste verhaal is natuurlijk dat van de nacht na de kwalificatie voor de Europacupfinale, de overwinning tegen Juventus in april 1978. Ik heb het al vaker verteld: hij kwam zwaar gehavend uit de wedstrijd en het kostte uren om hem medisch te verzorgen, bij hem thuis in Sint-Michiels. Om vier uur 's ochtends heeft zijn vrouw Hedwige dan nog gekookt. Ik zie ons daar nog zitten aan tafel, dat was een zeer intens en speciaal moment.

"En bij de letter L mag ik zeker Georges Leekens niet vergeten. Hij was niet alleen een uitstekende verdediger maar ook een onderschatte voetballer. Ook al werd hij door Happel mein langes stuk ellende genoemd en mocht hij de middellijn niet overschrijden. Anders kreeg hij een boete.

"Ik wil ook de naam van Willy Lagasse noemen, heel lang de secretaris van de club en zonder enige twijfel een van de belangrijkste administratieve figuren. Ze noemden hem de sjerpe omdat je hem nooit zonder sjaal zag."

Marcel en Meentje

"Dit wordt een duobaan: Marcel Van Vyve en zijn vrouw Meentje. Hij was de conciërge op de Klokke, zij baatte de cafetaria uit onder de tribune. Samen zorgden ze voor de uitrusting van alle ploegen. Ze deden dat met een verterende liefde.

"En dan is er nog Gilbert Marmenout. Hij was de beenharde maar toch faire stopper in de periode Lambert- Thio-Carteus . Voor elke wedstrijd wreef hij zijn spieren in met een speciale visolie die hij had gekregen van een visser. Je kon hem al op 100 meter ruiken. Het verhaal gaat dat hij na een wedstrijd nooit bij zijn echtgenote mocht slapen. Zelfs na verschillende douches verdween die verschrikkelijke stank niet."

Nico Rijnders

"Hij kwam van Ajax en vertoonde snel verdachte symptomen rond het hart. Op 12 november 1971 bleef hij in de thuiswedstrijd tegen Club Luik klinisch dood liggen. Ik heb hem toen kunnen reanimeren. Ik heb me zelden zo gelukkig gevoeld als op het moment dat hij de dag nadien weer bij bewustzijn kwam.

"Tijdens zijn verdere cardiale revalidatie zijn we erg bevriend geraakt. Nico Rijnders compenseerde zijn fysieke beperking met een mateloze inzet en een koppig doorzettingsvermogen."

Offside

"Het is de enige echte moeilijke regel in het voetbalreglement, aanleiding tot veel emotie en tot veel ergernis. Medische studies wijzen uit dat de taak van de lijnrechter in feite onmogelijk is: het 'driehoekszicht', één oog op de bal en één oog op de lijn, behoort niet tot de menselijke mogelijkheden. Steeds verlopen er een paar fracties van een seconde tussen zijn zicht op de bal en zijn zicht op de lijn. In die paar fracties kan er veel gebeuren.

"Mijn respect voor de wedstrijdleider is altijd heel groot geweest. Niemand moet meer lopen dan de scheidsrechter. Omdat hij constant de bal in het oog moet houden, dient hij veel achterwaarts te lopen, met specifieke blessures tot gevolg. Ik heb nooit in mijn carrière de scheidsrechters bekritiseerd."

Piccu

" André Piccu is het prototype van de dirigent die alle functies heeft doorlopen. Een voetbalclub zou nooit kunnen bestaan zonder figuren als hij. Daarnaast is hij ook een wandelende blauw-zwarte encyclopedie.

" Pascal Plovie moet ik ook vernoemen. Een Clubproduct van het zuiverste soort. En laten we Jean-Pierre Papin niet vergeten, gescout door Raoul Lambert in Valenciennes. Raoul belde me in het holst van de nacht op en zei dat we hem onmiddellijk moesten nemen. Ik vroeg hem met wie hij hem vergeleek. Met degene die je aan de lijn hebt, zei hij."

Querter

"De letter Q is moeilijk te vinden in de geschiedenis van Club, maar Alex Querter heeft zeker zijn plaats, al was het alleen maar wegens zijn grote polyvalentie. Ik weet niet of hij ooit in doel heeft gestaan, maar alle andere posities moet hij hebben ingevuld."

Rensenbrink

"Volgens mij is Robbie Rensenbrink de meest talentvolle Nederlandse voetballer aller tijden. Hij kon een wedstrijd met één geniale beweging naar zijn hand zetten. Hij is naar mijn gevoel veel te vroeg naar Anderlecht gegaan, al zullen ze daar in Brussel wellicht anders over denken."

Sterchele

"Hier sta ik voor een verscheurende keuze. Je hebt Trond Sollied met zijn heel speciale visie op voetbal en op discipline. Hij was succesrijk maar had wel het geluk over een zeer gedisciplineerde groep te beschikken. En dan natuurlijk Timmy Simons, ik zag hem voor de eerste keer met Lommel op Westerlo spelen en was uitermate gecharmeerd van zijn veelzijdigheid.

"Maar vooral François Sterchele zal ik nooit vergeten. Hij was een schitterende voetballer en vooral ook zeer aangenaam in de omgang. Hij liep al fluitend door het leven, in waarachtige James Deanstijl. Maar zoals de Amerikaanse filmster kwam hij in een dramatisch ongeluk om het leven. Ik heb binnen Club Brugge zelden zo veel solidariteit gevoeld als tijdens de ingetogen herdenking bij de eerstvolgende wedstrijd tegen Westerlo. Ik vergeet ook nooit zijn begrafenis waarin ik een emotionele afscheidsrede hield: " François, you'll never, never, never walk alone."

Thio

"Wellicht de meest talentvolle speler die Club ooit kende. Tegen Anderlecht trapte Johny Thio ooit vier vrijschoppen rechtstreeks binnen. Ik denk dat Jean Trappeniers dat nog altijd weet. Johny beschikte over een fenomenale traptechniek. Hij wedde met mij eens voor een bak bier dat hij van buiten de backlijn twintig ballen na elkaar tegen de deklat zou trappen. Dat leek me onmogelijk en ik ging de weddenschap aan. Na de zestiende bal zei Johny dat ik mocht kiezen met welke voet hij de laatste vier ballen moest trappen. Ik heb die bak bier met plezier betaald.

"Johny dankte zijn immense populariteit niet zozeer aan zijn technische kwaliteiten, maar vooral aan zijn eenvoudig karakter. Voor Club had hij ook nog een andere belangrijke betekenis: na zijn transfer van Roeselare naar Club bracht hij duizenden supporters mee vanuit Midden-West-Vlaanderen. Ze zijn er gebleven."

Ulrik le Fevre

"Nog zo'n virtuoos die naar Brugge kwam. Hij teerde op flitsen, zijn voorzetten vanop links waren loepzuiver, hij kon in zijn eentje een match openbreken. Nooit liep hij naast zijn schoenen. Ooit zei hij me eens: 'Michel, ik ben vaak kampioen geworden, maar nooit met een vriendelijke trainer.'"

Van Maele

"Hier zijn er veel mogelijkheden. Met Erwin Vandendaele, Réne Vandereycken, Franky Van der Elst en Jos Volders: allemaal voetballers die gouden bladzijden schreven in het geschiedenisboek van Club Brugge. Net zoals ook Antoine Vanhove met zijn voetbalkennis en waaier van contacten gouden transfers deed.

"Maar één man steekt erboven uit en dat is Michel Van Maele. Hoewel hij geen specifieke voetbalkenner was, drukte hij jaren zijn stempel. Hij redde Club in de jaren zeventig van een financiële catastrofe en was een visionair. Hij dacht altijd drie stappen sneller dan de anderen. Na onze terugkeer uit Wembley, na de finale van de Europacup I, vond hij dat we best afscheid konden nemen van Ernst Happel. Niemand die dat gedurfd zou hebben maar hij kreeg wel gelijk.

"Van Maele was een man met gezond verstand. Hij zei me eens: "Als je iets gedaan wilt krijgen, moet je het altijd vragen aan iemand die veel werk heeft. Hij stuurde me als jonge arts naar de profliga. En lag zo aan de basis van mijn latere nationale en internationale carrière."

Warrinnier

"Ik heb vijftien jaar met Eddy Warrinnier samengewerkt, een zeer bekwame kinesist. Samen hebben we de medische dienst van Club Brugge een professionele allure gegeven. Hij was ook de vertrouwensman van de spelers. Hij koppelde de vaardigheid van zijn handen aan een merkwaardig psychologisch inzicht. Hij wist beter dan gelijk wie hoe je met een voetballer moest omgaan.

"En kan je bij de letter W stilstaan zonder aan Wembley te denken? Naast de onvergetelijke belevenis herinner ik me vooral dat het een medische heksentoer was om elf fitte spelers aan de aftrap te krijgen."

X

"... is het vrouwelijke chromosoom en inderdaad, veel dames hebben een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Club. Straks heb ik het over Yvonne Lahousse maar er zijn tal van anderen. Veroniek Degrande, die sinds jaar en dag de boekhouding verzorgt en een grote steun is geweest tijdens mijn voorzittersjaren. Of Ingrid Tempelaere, een uiterst bekwame verpleegkundige."

Yvonne

"Ze was beter bekend als Vonne van de Spionkop. Yvonne Lahousse was de bazin van café Tuinwijk, een supporterscafé langs de Blankenbergse Steenweg. Ze was vooral de moeder van de Brugse spionkop die halverwege de jaren zestig voor ambiance zorgde. Samen met Fernand Coppens en trompettist Roger Leliaert werd voor het eerst in België ten aanval geblazen en dat in een vrolijke, studentikoze sfeer.

"Yvonne was een mooie volksfiguur die perfect kaderde in het volkse karakter van onze club."

Zero

"Het resultaat van al onze inspanningen om de bouw van een nieuw stadion te realiseren. Het is onvoorstelbaar welke kans daar gemist werd om Club Brugge en meteen het Belgisch voetbal naar een hoger niveau te tillen.

"Ik ben niet rancuneus. Want rancune, dat draag je als een dood gewicht mee op je schouders. Maar ik weet dat onze club daar de kans werd ontnomen om een nieuwe, zeg maar Europese dimensie te bereiken. Overal in de wereld zie ik hoe de sportinfrastructuur gestimuleerd wordt, zelfs in landen die het niet breed hebben. Nieuwe stadions vormen de basis voor een verdere sportieve, economische en sociale ontwikkeling van onze clubs. Nu boeren we dramatisch achteruit. De toekomst zal ons hiervoor met de vinger wijzen."

OPGETEKEND DOOR JACQUES SYS

CLUB BRUGGE IS ...

"Thuiskomen."

{Henk Houwaart, na speler en trainer nu actief als scout}"Hoeveel Birgers zouden er in Brugge in de jaren zeventig niet geboren zijn?"

"Zelden heb ik bij Club zo veel solidariteit gevoeld als na de dood van Sterchele."

"Leekens mocht van Happel de middellijn niet overschrijden. Anders kreeg hij een boete."

Misschien, bedacht Michel D'Hooghe achteraf, moet hij binnen een paar jaar nog eens een boek schrijven. Op de vraag om even na te denken over het alfabet van Club Brugge was hij zeer plichtsgetrouw ingegaan. D'Hooghe had alles met de hand netjes genoteerd. Op 22 pagina's. En, vertelde hij, hij had er veel plezier aan beleefd. Het was voor hem een duik in het verleden, met veel vreugde en soms verdriet, met weemoed en euforie. En voor de journalist een gemakkelijke opgave: je hoefde het alleen maar over te tikken en hier en daar wat in te korten, wat aan te vullen en wat bij te stellen. Wat volgt, is een uitstap door de geschiedenis van Club Brugge. Over de zwarte momenten spreekt D'Hooghe al evenmin als over zijn ontgoochelingen. Dit moest een positieve boodschap worden. Als afsluiter van deze extra bijlage. "Toen Kurt Axelsson vanuit Zweden in Zaventem arriveerde, ben ik hem gaan ophalen. Dat was in 1967. Ik was nog student, maar toch al zijdelings bij Club Brugge betrokken. Het eerste contact verliep heel moeizaam, ik sprak hem aan in het Engels, Frans en Duits, maar de communicatie vlotte niet. Tot ik in Brugge enkele woorden met mijn chauffeur wisselde, in het Brugs, en Axelsson glimlachend zei dat hij alles begrepen had. Toen merkte ik voor het eerst dat er veel overeenkomsten waren tussen het West-Vlaams dialect en de Scandinavische talen. "Kurt raakte trouwens heel snel ingeburgerd. Hij trouwde met een Brugse. Op het veld was hij een echte leider, een organisator. Daarbuiten sprak hij zeer weinig. Hij was de absolute voorloper van het professionalisme. Samen met de toenmalige trainer Norberto Höfling, de man die hem heeft gehaald." "Als reservedoelman maakte Fernand Boone zoveel indruk dat de toenmalige titularis Albert 'Berten' Carels op een gegeven moment bij het bestuur aanklopte om te zeggen dat ze Boone in de ploeg moesten zetten. Omdat die veel beter was dan hij. Ik denk dat zoiets nog maar weinig is gebeurd. Boone was van een uitzonderlijk niveau, een doelman die weinig fouten maakte en bij ieder tegendoelpunt ook al een uitleg klaar had, hij praatte dan over een tegenspeler die niet gedekt stond. En iedereen ging in die uitleg mee. Als international werd hij geremd door eerst Jean Nicolay en later Christian Piot. In 1967 kreeg hij de Gouden Schoen, een bekroning voor zijn carrière. "Ik wil ook Raoul Beuls vermelden. Hij trad toe tot de raad van bestuur in 1970 en werd ondervoorzitter tot hij de limiet van 75 jaar had bereikt. Hij was belast met de juridische zaken en sociale projecten en deed dat echt op een schitterende manier." "Hier zijn er een hoop kandidaten. Charles Cambier, een steunpilaar van de kampioensploeg uit 1920. Of Leo Canjels, de trainer die Club in 1973 kampioen maakte. Of Pierre Carteus, die over een geniale pass beschikte. En Julien Cools natuurlijk. Maar één man steekt erboven uit: Jan Ceulemans is samen met Raoul Lambert de beste speler uit de geschiedenis van Club Brugge. Ceulemans was niet de meest verfijnde technicus, maar hij was fysiek sterk, balvaardig, geëngageerd, tactisch intelligent en hij bezat scorend vermogen. En hij maakte ook zijn ploegmaats beter. "Dat het nadien fout is gelopen met zijn trainersloopbaan bij Club is voor ons beiden een ontgoocheling, een blijvend trauma dat littekens heeft nagelaten." "Ook hier genoeg namen. Voorzitter Albert Dyserinck, die Club de gronden van de Klokke schonk. Marcel Deldaele, de bankdirecteur die na een zware crisisperiode voor financiële orde en stabiliteit zorgde. Filips Dhondt, een van de bekwaamste medewerkers die ik had. Marc Degryse, een supertalent, ook getalenteerd naast het veld. Of Roger Davies en Jacques De Nolf. "Maar de letter D associeer ik toch met de dynastie De Clerck die tussen 1937 en 1989 aan het hoofd stond van Club Brugge. Émile zorgde ervoor dat de spelers een job kregen in zijn blikslagerij, Andrélag aan de basis van het professionalisme en onder Fernand beleefde Club zijn grootste successen. Fernand was meer dan een kwarteeuw voorzitter, bleef altijd op de achtergrond, maar was en is een groot voetbalkenner, ook al liep hij daarmee nooit te koop." "Elza was de echtgenote van André De Clerck. Zij is een unieke figuur geweest in de geschiedenis van Club, de beste public relations die er bestond. Ze was altijd even vriendelijk, op de receptie na de wedstrijd had ze troostende woorden voor de bezoekers die weer eens waren afgetroefd. Bij haar begrafenis was Constant Vanden Stock speciaal uit Brussel overgekomen, het illustreert de waardering die ze van alle kanten kreeg. "Elza De Clerck was mijn doopmeter. Ze heeft me met blauw-zwart water gedoopt. Ik ben haar daar eeuwig dankbaar voor." " Fons Bastijns was de kapitein van de ploeg die alle grote successen behaalde. Norberto Höfling haalde hem weg bij Racing White, waar hij in de spits stond, en vormde hem om tot rechtsachter. Door zijn snelheid was hij eigenlijk zowel rechtsachter als rechtsbuiten. Hij had een groot anticipatievermogen en een snedige humor. Fons was een intelligente en fijne persoonlijkheid, die op een zeer spontane manier ontzag afdwong." "Ik kan hier niet om Torten Goetinck heen, die 27 jaar voor Club Brugge speelde en het uithangbord was van de ploeg die in 1920 de eerste titel behaalde. Later werd hij ook nog trainer en bestuurslid. "Maar er zijn nog veel andere namen. Erik Gerets bijvoorbeeld, zeer succesvol als trainer. Of Fernand Goyvaerts, de dribbelkoning. En Han Grijzenhout, de trainer die Club in 1980 naar de titel loodste. En niet te vergeten Ruud Geels, de Nederlandse spits die naar Club Brugge kwam in een periode dat er veel kon. "Natuurlijk moet je Ernst Happel naar voren schuiven, hoewel ik ook Norberto Höfling moet noemen, de eerste professionele trainer van Club. Hij zorgde voor een meer internationaal gerichte dimensie en schrok niet terug voor een of andere tactische spitsvondigheid. Zo liet hij Club eens met twee rechtsbuitens aantreden. "Maar Happel stond natuurlijk op eenzame hoogte. Een voetbaldier, hard voor zichzelf en voor anderen. Met Happel leefde je constant op een vulkaan, er kon altijd iets gebeuren, hij was onvoorspelbaar en ondoordringbaar. Over zijn trainerskwaliteiten hoef ik hier al even weinig uit te weiden als over zijn successen." "Een naam die ik nooit zal vergeten. De Europese thuismatch tegen Ipswich Town, in 1975, behoort bij de meest memorabele. Ginder met 3-0 verloren en thuis met 4-0 gewonnen. Zelden heb ik een wedstrijd gezien waarin de supporters achteraf zo ontroerd waren, er werden veel zakdoeken bovengehaald. Uiteindelijk zouden we in dat seizoen de finale van de UEFA Cup bereiken. "Een paar jaar later nam Ipswich deel aan de Brugse Metten. In mijn speech zei ik tegen trainer Bobby Robson: " You have already been here." Hij antwoordde zeer gevat: " Yes, and it nearly cost me my job." "Een topkeeper en een volkse rebel. Birger Jensen was ongelooflijk populair. En een sleutelfiguur in de periode onder Happel: fysiek ijzersterk, goed meevoetballend en nagenoeg onklopbaar in een-tegen-eensituaties. Je kon zijn populariteit meten tot in het moederhuis: hoeveel Birgers zouden er in de jaren zeventig in en rond Brugge geboren zijn? "Jensen nam geen blad voor de mond. Je kon met hem beter geen ruzie maken. Zelfs Happel was bang van hem. En hij was niet bang om tegen Happel te zeggen wat hij dacht." "Misschien is dat voor de buitenwereld een verrassende keuze, maar niet voor insiders. Marcel Kyndt is gedurende meer dan 30 jaar de zeer gewaardeerde ondervoorzitter geweest van Club. Als voorzitter van het financiële departement oefende hij een zeer rigoureuze financiële controle uit. Zelf kwam hij nooit in de belangstelling, maar het gaf ons altijd een goed gevoel te weten dat de financiën bij hem in goede handen waren. Het was onvoorstelbaar hoeveel uren hij na zijn dagtaak in Club Brugge stak. "Daarnaast moet ik het ook hebben over George Kessler, de trainer die Club weer op het goede spoor zette. Hij effende eigenlijk de weg naar een nieuwe toekomst. En dan is er nog Edi Krieger, een van de snelste en meest wendbare verdedigers die ik ooit zag. Ik ben toen zelf nog naar Oostenrijk gereden om hem aan te trekken. Omdat Happel vond dat er achteraan iets ontbrak. En dat hij een speler kende die deze leemte zou opvullen." "Het absolute boegbeeld van Club Brugge. Raoul Lambert is een levend standbeeld geworden, iemand waar elke supporter ongelooflijk van houdt. Enorm getalenteerd, razendsnel en toch altijd de eenvoud in persoon. "Onze eerste contacten verliepen via de infirmerie waar hij, door zijn frequente blessures, een meer dan trouwe klant was. Uit die contacten groeide een vriendschapsrelatie. Ik heb nog zijn jubileumwedstrijd, de Jubilotte, helpen organiseren en ik heb mee aan zijn boek geschreven 'Voetballen is aanvallen'. Maar het mooiste verhaal is natuurlijk dat van de nacht na de kwalificatie voor de Europacupfinale, de overwinning tegen Juventus in april 1978. Ik heb het al vaker verteld: hij kwam zwaar gehavend uit de wedstrijd en het kostte uren om hem medisch te verzorgen, bij hem thuis in Sint-Michiels. Om vier uur 's ochtends heeft zijn vrouw Hedwige dan nog gekookt. Ik zie ons daar nog zitten aan tafel, dat was een zeer intens en speciaal moment. "En bij de letter L mag ik zeker Georges Leekens niet vergeten. Hij was niet alleen een uitstekende verdediger maar ook een onderschatte voetballer. Ook al werd hij door Happel mein langes stuk ellende genoemd en mocht hij de middellijn niet overschrijden. Anders kreeg hij een boete. "Ik wil ook de naam van Willy Lagasse noemen, heel lang de secretaris van de club en zonder enige twijfel een van de belangrijkste administratieve figuren. Ze noemden hem de sjerpe omdat je hem nooit zonder sjaal zag." "Dit wordt een duobaan: Marcel Van Vyve en zijn vrouw Meentje. Hij was de conciërge op de Klokke, zij baatte de cafetaria uit onder de tribune. Samen zorgden ze voor de uitrusting van alle ploegen. Ze deden dat met een verterende liefde. "En dan is er nog Gilbert Marmenout. Hij was de beenharde maar toch faire stopper in de periode Lambert- Thio-Carteus . Voor elke wedstrijd wreef hij zijn spieren in met een speciale visolie die hij had gekregen van een visser. Je kon hem al op 100 meter ruiken. Het verhaal gaat dat hij na een wedstrijd nooit bij zijn echtgenote mocht slapen. Zelfs na verschillende douches verdween die verschrikkelijke stank niet." "Hij kwam van Ajax en vertoonde snel verdachte symptomen rond het hart. Op 12 november 1971 bleef hij in de thuiswedstrijd tegen Club Luik klinisch dood liggen. Ik heb hem toen kunnen reanimeren. Ik heb me zelden zo gelukkig gevoeld als op het moment dat hij de dag nadien weer bij bewustzijn kwam. "Tijdens zijn verdere cardiale revalidatie zijn we erg bevriend geraakt. Nico Rijnders compenseerde zijn fysieke beperking met een mateloze inzet en een koppig doorzettingsvermogen." "Het is de enige echte moeilijke regel in het voetbalreglement, aanleiding tot veel emotie en tot veel ergernis. Medische studies wijzen uit dat de taak van de lijnrechter in feite onmogelijk is: het 'driehoekszicht', één oog op de bal en één oog op de lijn, behoort niet tot de menselijke mogelijkheden. Steeds verlopen er een paar fracties van een seconde tussen zijn zicht op de bal en zijn zicht op de lijn. In die paar fracties kan er veel gebeuren. "Mijn respect voor de wedstrijdleider is altijd heel groot geweest. Niemand moet meer lopen dan de scheidsrechter. Omdat hij constant de bal in het oog moet houden, dient hij veel achterwaarts te lopen, met specifieke blessures tot gevolg. Ik heb nooit in mijn carrière de scheidsrechters bekritiseerd." " André Piccu is het prototype van de dirigent die alle functies heeft doorlopen. Een voetbalclub zou nooit kunnen bestaan zonder figuren als hij. Daarnaast is hij ook een wandelende blauw-zwarte encyclopedie. " Pascal Plovie moet ik ook vernoemen. Een Clubproduct van het zuiverste soort. En laten we Jean-Pierre Papin niet vergeten, gescout door Raoul Lambert in Valenciennes. Raoul belde me in het holst van de nacht op en zei dat we hem onmiddellijk moesten nemen. Ik vroeg hem met wie hij hem vergeleek. Met degene die je aan de lijn hebt, zei hij." "De letter Q is moeilijk te vinden in de geschiedenis van Club, maar Alex Querter heeft zeker zijn plaats, al was het alleen maar wegens zijn grote polyvalentie. Ik weet niet of hij ooit in doel heeft gestaan, maar alle andere posities moet hij hebben ingevuld." "Volgens mij is Robbie Rensenbrink de meest talentvolle Nederlandse voetballer aller tijden. Hij kon een wedstrijd met één geniale beweging naar zijn hand zetten. Hij is naar mijn gevoel veel te vroeg naar Anderlecht gegaan, al zullen ze daar in Brussel wellicht anders over denken." "Hier sta ik voor een verscheurende keuze. Je hebt Trond Sollied met zijn heel speciale visie op voetbal en op discipline. Hij was succesrijk maar had wel het geluk over een zeer gedisciplineerde groep te beschikken. En dan natuurlijk Timmy Simons, ik zag hem voor de eerste keer met Lommel op Westerlo spelen en was uitermate gecharmeerd van zijn veelzijdigheid. "Maar vooral François Sterchele zal ik nooit vergeten. Hij was een schitterende voetballer en vooral ook zeer aangenaam in de omgang. Hij liep al fluitend door het leven, in waarachtige James Deanstijl. Maar zoals de Amerikaanse filmster kwam hij in een dramatisch ongeluk om het leven. Ik heb binnen Club Brugge zelden zo veel solidariteit gevoeld als tijdens de ingetogen herdenking bij de eerstvolgende wedstrijd tegen Westerlo. Ik vergeet ook nooit zijn begrafenis waarin ik een emotionele afscheidsrede hield: " François, you'll never, never, never walk alone.""Wellicht de meest talentvolle speler die Club ooit kende. Tegen Anderlecht trapte Johny Thio ooit vier vrijschoppen rechtstreeks binnen. Ik denk dat Jean Trappeniers dat nog altijd weet. Johny beschikte over een fenomenale traptechniek. Hij wedde met mij eens voor een bak bier dat hij van buiten de backlijn twintig ballen na elkaar tegen de deklat zou trappen. Dat leek me onmogelijk en ik ging de weddenschap aan. Na de zestiende bal zei Johny dat ik mocht kiezen met welke voet hij de laatste vier ballen moest trappen. Ik heb die bak bier met plezier betaald. "Johny dankte zijn immense populariteit niet zozeer aan zijn technische kwaliteiten, maar vooral aan zijn eenvoudig karakter. Voor Club had hij ook nog een andere belangrijke betekenis: na zijn transfer van Roeselare naar Club bracht hij duizenden supporters mee vanuit Midden-West-Vlaanderen. Ze zijn er gebleven." "Nog zo'n virtuoos die naar Brugge kwam. Hij teerde op flitsen, zijn voorzetten vanop links waren loepzuiver, hij kon in zijn eentje een match openbreken. Nooit liep hij naast zijn schoenen. Ooit zei hij me eens: 'Michel, ik ben vaak kampioen geworden, maar nooit met een vriendelijke trainer.'" "Hier zijn er veel mogelijkheden. Met Erwin Vandendaele, Réne Vandereycken, Franky Van der Elst en Jos Volders: allemaal voetballers die gouden bladzijden schreven in het geschiedenisboek van Club Brugge. Net zoals ook Antoine Vanhove met zijn voetbalkennis en waaier van contacten gouden transfers deed. "Maar één man steekt erboven uit en dat is Michel Van Maele. Hoewel hij geen specifieke voetbalkenner was, drukte hij jaren zijn stempel. Hij redde Club in de jaren zeventig van een financiële catastrofe en was een visionair. Hij dacht altijd drie stappen sneller dan de anderen. Na onze terugkeer uit Wembley, na de finale van de Europacup I, vond hij dat we best afscheid konden nemen van Ernst Happel. Niemand die dat gedurfd zou hebben maar hij kreeg wel gelijk. "Van Maele was een man met gezond verstand. Hij zei me eens: "Als je iets gedaan wilt krijgen, moet je het altijd vragen aan iemand die veel werk heeft. Hij stuurde me als jonge arts naar de profliga. En lag zo aan de basis van mijn latere nationale en internationale carrière." "Ik heb vijftien jaar met Eddy Warrinnier samengewerkt, een zeer bekwame kinesist. Samen hebben we de medische dienst van Club Brugge een professionele allure gegeven. Hij was ook de vertrouwensman van de spelers. Hij koppelde de vaardigheid van zijn handen aan een merkwaardig psychologisch inzicht. Hij wist beter dan gelijk wie hoe je met een voetballer moest omgaan. "En kan je bij de letter W stilstaan zonder aan Wembley te denken? Naast de onvergetelijke belevenis herinner ik me vooral dat het een medische heksentoer was om elf fitte spelers aan de aftrap te krijgen." "... is het vrouwelijke chromosoom en inderdaad, veel dames hebben een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Club. Straks heb ik het over Yvonne Lahousse maar er zijn tal van anderen. Veroniek Degrande, die sinds jaar en dag de boekhouding verzorgt en een grote steun is geweest tijdens mijn voorzittersjaren. Of Ingrid Tempelaere, een uiterst bekwame verpleegkundige." "Ze was beter bekend als Vonne van de Spionkop. Yvonne Lahousse was de bazin van café Tuinwijk, een supporterscafé langs de Blankenbergse Steenweg. Ze was vooral de moeder van de Brugse spionkop die halverwege de jaren zestig voor ambiance zorgde. Samen met Fernand Coppens en trompettist Roger Leliaert werd voor het eerst in België ten aanval geblazen en dat in een vrolijke, studentikoze sfeer. "Yvonne was een mooie volksfiguur die perfect kaderde in het volkse karakter van onze club." "Het resultaat van al onze inspanningen om de bouw van een nieuw stadion te realiseren. Het is onvoorstelbaar welke kans daar gemist werd om Club Brugge en meteen het Belgisch voetbal naar een hoger niveau te tillen. "Ik ben niet rancuneus. Want rancune, dat draag je als een dood gewicht mee op je schouders. Maar ik weet dat onze club daar de kans werd ontnomen om een nieuwe, zeg maar Europese dimensie te bereiken. Overal in de wereld zie ik hoe de sportinfrastructuur gestimuleerd wordt, zelfs in landen die het niet breed hebben. Nieuwe stadions vormen de basis voor een verdere sportieve, economische en sociale ontwikkeling van onze clubs. Nu boeren we dramatisch achteruit. De toekomst zal ons hiervoor met de vinger wijzen." OPGETEKEND DOOR JACQUES SYS CLUB BRUGGE IS ... "Thuiskomen." {Henk Houwaart, na speler en trainer nu actief als scout}"Hoeveel Birgers zouden er in Brugge in de jaren zeventig niet geboren zijn?" "Zelden heb ik bij Club zo veel solidariteit gevoeld als na de dood van Sterchele." "Leekens mocht van Happel de middellijn niet overschrijden. Anders kreeg hij een boete."