Brussels bengelt troosteloos aan de staart in tweede klasse. Wat een contrast met vroeger, toen RWDM landskampioen werd en ook in Europa hoge ogen gooide! Uit de fusie tussen White Star en RC Brussel werd RC White geboren met als thuishaven het 'Stade Fallon' in Woluwe. Jean Dockx was de draaischijf van de ploeg. Anderlecht wou hem inlijven en was bereid om diep te gaan. Uiteindelijk werd de Mechelaar geruild met Maurice Martens, Jacques Teugels en Gérard Desanghere. Daarenboven werd er nog een smak geld betaald. Vanaf dan ging het in stijgende lijn met 'de White'.
...

Brussels bengelt troosteloos aan de staart in tweede klasse. Wat een contrast met vroeger, toen RWDM landskampioen werd en ook in Europa hoge ogen gooide! Uit de fusie tussen White Star en RC Brussel werd RC White geboren met als thuishaven het 'Stade Fallon' in Woluwe. Jean Dockx was de draaischijf van de ploeg. Anderlecht wou hem inlijven en was bereid om diep te gaan. Uiteindelijk werd de Mechelaar geruild met Maurice Martens, Jacques Teugels en Gérard Desanghere. Daarenboven werd er nog een smak geld betaald. Vanaf dan ging het in stijgende lijn met 'de White'. Martens, de latere Gouden Schoen, was een paar keer mijn kamergenoot bij de nationale ploeg. 's Morgens had hij een vast ritueel. Hij stak een sigaret op en dronk een Coca-Cola, maar later op training kon niemand hem volgen. Maurice was waarschijnlijk de beste linksachter ooit in België. Iedereen komt in zijn loopbaan wel eens een speler tegen die hem niet ligt, in de volksmond 'het zwarte beest' genoemd. Mijn nachtmerrie heette Teugels. Hij was een echte linkspoot, een onvoorspelbare speler. Je wist nooit wat hij ging doen, en het ergste was: hij wist het zelf ook niet! Als ik Jacques tegenkom, dan zegt hij steevast: "Mijn twee gemakkelijkste wedstrijden van het seizoen waren die tegen Gille Van Binst." Waarop ik dan antwoord: "Droom verder Teugels, door je lange neus stond je altijd buitenspel." The show must go on. De Brusselaar was een echt fuifnummer, vandaar zijn bijnaam Jacques Tuborg, maar wel een afwerker pur sang. Desanghere was een speler met een over-mijn-lijkmentaliteit, een waterdrager, maar onmisbaar in een ploeg. De spelers van RC White hebben ons eens een grote dienst bewezen. In 1972 moest Anderlecht thuis winnen tegen Sint-Truiden om kampioen te worden, maar het lot lag niet meer in onze handen. RC White moest namelijk ten minste één punt thuishouden tegen onze rivaal Club Brugge. We waren te weten gekomen dat de Brusselaars waren benaderd door sommige figuren die hen ervan wilden overtuigen om niet de zolen van onder hun schoenen te lopen tegen de Bruggelingen. Er zou natuurlijk een financiële tegemoetkoming tegenover staan. De spelers van RC White hebben dit aanbod van tafel geveegd en kozen onze zijde. We wonnen moeiteloos met 5-1 tegen STVV maar, het belangrijkste, in het 'Stade Fallon' bleef het 1-1, na een hectische match. Toen we op de receptie aankwamen, werden we opgewacht door de hele ploeg van RC White. Ze kwamen met ons meevieren. Onder impuls van de Brusselse bouwbaron L'Ecluse, die Daring Brussel had overgenomen, en met medewerking van de voorzitter van RC White, werd er opnieuw gefusioneerd. RWDM werd boven de doopvont gehouden, met L'Ecluse aan het bewind in de bestuurskamer en met Jan Boskamp als patron op het veld. De nijd op Anderlecht was groot. In het Edmond Machtensstadion werden twee nieuwe tribunes gebouwd. Er werd een nieuwe ploeg gekocht. Ze waren klaar om paars-wit van de troon te stoten. In een kranteninterview verklaarde L'Ecluse: "Ik zal maar tevreden zijn als ik een appartementsgebouw op het veld van Anderlecht heb gezet." Boskamp deed ook zijn duit in het zakje. Toen een journalist hem vroeg of hij niet de ambitie had om ooit in het Astridpark te spelen, antwoordde hij: "Ik haat Anderlecht, ik val nog liever dood dan daar te spelen!" Dat is later wel enigszins veranderd, hij is nooit speler van Anderlecht geworden, maar wel trainer ... Merkwaardig! Bij RWDM liepen er enkele rare gasten rond, te beginnen met trainer Félix Week. Hij maakte zich over niets druk zolang hij maar genoeg te eten kreeg. Op training durfden de spelers hem weleens een peer te stoven, maar hij kon meestal de trein op de rails houden. Toch gingen de poppen af en toe aan het dansen. Na een Europacupduel, uit tegen Espanyol Barcelona, kregen Kresten Bjerre en Jan Boskamp hevige ruzie. Bjerre was kapitein en kon het moeilijk verkroppen dat Boskamp op het veld de scepter zwaaide. Toen de Deen, lichtjes aangeschoten, de Nederlander uitmaakte voor terreinknecht, gingen beide heren met elkaar op de vuist. Nico de Bree was de enige die hen kon scheiden, want het waren allebei stevige mannekens. Nico heeft daar ongelukken vermeden! Later werd alles met de mantel der liefde bedekt, dat was de sterkte van de ploeg. Aan mijn laatste wedstrijd in het Edmond Machtensstadion heb ik geen goede herinneringen overgehouden, want ik brak mijn kaakbeen na een botsing met hun doelman Deleu. Toch wens ik Brussels het allerbeste ... want we missen de Brusselse derby in de hoofdstad. "'s Morgens een vast ritueel: een sigaret en een Coca-Cola."