Geen club die meer buitenlanders in de selectie telt dan Lokeren (19, gevolgd door Gent met 16), geen club die meer Belgisch oogt dan Westerlo, met amper twee niet-Belgen, nauwelijks acht procent van de kernspelers. Daarmee doet het even goed of slecht als Lommel in 1996-'97.
...

Geen club die meer buitenlanders in de selectie telt dan Lokeren (19, gevolgd door Gent met 16), geen club die meer Belgisch oogt dan Westerlo, met amper twee niet-Belgen, nauwelijks acht procent van de kernspelers. Daarmee doet het even goed of slecht als Lommel in 1996-'97.Sinds het Bosman-arrest in december '95 steeg het aantal buitenlanders gestaag en sterker dan het aantal profspelers. Bevatte de gemiddelde kern van een eersteklasser in 1993 nog 18,5 profs, dan bedraagt dat nu 23,5. Het totaal aantal profs steeg van 333 in '93 naar 424 nu. Dat is minder dan vorig jaar toen de 18 eersteklassers samen 424 profs hadden. Zou het licentiesysteem daarvoor verantwoordelijk zijn, of eerder het aantal profs dat verplicht werd ondergebrecht in B- of C-kern ? In onderstaande tabellen wordt namelijk enkel rekening gehouden met de spelerslijsten voor de A-kern zoals die per 1 augustus opgemaakt zijn. In diezelfde periode, van 1993 to 2001, evolueerde het aandeel van spelers van buitenlandse afkomst van 27 naar 42 procent. Bij Gent, Lokeren, Charleroi en Standard zijn komend seizoen meer buitenlanders aan de slag dan Belgen. Vorig jaar was dat enkel voor Gent en Lokeren het geval. Het jaar daarvoor zaten naast die twee clubs ook Charleroi en Genk boven de helft. In 1997-'98 was dat enkel Antwerp (16 op 26) dat toen degradeerde, in 1998-'99 Harelbeke (13 op 24), Genk (16 op 24) en Charleroi (12 op 23). In 1996-'97, het eerste seizoen na het Bosman-arrest, had enkel Lokeren (12 op 23) meer buitenlanders dan Belgen, gevolgd door Anderlecht met 12 op 28 (43 procent). Lierse, dat de laatste zes jaar tussen 4 en 6 buitenlanders telde, bereikt nu met 8 een historische piek. STVV en Westerlo (behalve in 1998-'99 met een historische 30 procent) blijven rond de twintig procent hangen. In het buitenland zet diezelfde trend zich door. In Nederland steeg het aantal profs in eredivisie, verspreid over eveneens 18 clubs, van 419 (zes jaar geleden) naar 443 (vorig jaar). Tegelijk nam het aantal buitenlanders toe van 81 (19 procent van het totaal aantal profs) naar 148 vreemde spelers vorig jaar (33 procent). In Nederland geldt wel een strengere loonpolitiek. Aangezien het minimumloon dat een club verplicht moet betalen aan een niet-EU-buitenlander aanzienlijk hoger ligt, denkt men wel twee keer na vooraleer zo'n speler te nemen en geeft men dikwijls de voorkeur aan een (goedkoper) eigen jong talent. In Duitsland hanteert men om de toestroom van vreemd talent in de hand te houden de regel dat elke profclub minstens twaalf Duitse profs moet hebben. Toen Hertha BSC (zeventien buitenlanders) voor twee weken een Duitser van de hand deed, bood het prompt aan een eigen jonge amateur een profcontract om dat aantal te bereiken. Vorig jaar bedroeg het aandeel van buitenlanders in Duitsland 42 procent (216 op 510 profs, gemiddeld 12 op een kern van 28). De spelerslijsten in de Engelse Premier League bevatten toen 47 procent niet-Engelsen, maar dat geeft een vertekend beeld wegens het grote aantal Schotten, Welshmen en Noord-Ieren. Niet-EU-spelers moeten bijvoorbeeld drie kwart van de interlands van de voorbije twee jaar afgewerkt hebben willen ze in aanmerking komen voor een plek in de voetbalhemel.door Geert Foutré