Het is een aandoenlijk beeld, de 70-jarige voorzitter van Club Luik Jules Georges die in zijn lange donkerblauwe jas staat te wenen in de middencirkel, met zijn rood-blauwe sjaal zwaaiend naar het publiek. Luik heeft Anderlecht begin jaren 70 met 3-1 geklopt in het Stade Vélodrome. Even later deelt hij in de kleedkamer als een dolgelukkige Sinterklaas transistorradiootjes uit aan de spelers. Sommigen appreciëren het gebaar, anderen sissen tussen de tanden: 'Wanneer gaat hij beseffen dat we voor geld spelen?'
...

Het is een aandoenlijk beeld, de 70-jarige voorzitter van Club Luik Jules Georges die in zijn lange donkerblauwe jas staat te wenen in de middencirkel, met zijn rood-blauwe sjaal zwaaiend naar het publiek. Luik heeft Anderlecht begin jaren 70 met 3-1 geklopt in het Stade Vélodrome. Even later deelt hij in de kleedkamer als een dolgelukkige Sinterklaas transistorradiootjes uit aan de spelers. Sommigen appreciëren het gebaar, anderen sissen tussen de tanden: 'Wanneer gaat hij beseffen dat we voor geld spelen?' Jules Georges neemt in 1971 op zijn 68e de club over waarvan hij als scholier de kleuren verdedigde. Financieel gaat het slecht, en de man die ooit met de Belgische roeiploeg deelnam aan de Spelen van 1924 krijgt volmachten. Hij heeft geld maar waarschuwt bij de start: 'Ik weiger geld te zaaien.' Jules Georges heeft een hart voor zijn oude club en maar één probleem: hij kent niets van voetbal. En, zegt hij later in een interview: 'Ik ben gierig. Zeer gierig. Ik heb nooit 2000 frank (50 euro) uitgegeven in een restaurant, ik drink niet en eet nooit kreeft.' Hij verkiest een vlinderdas boven een das en draagt zijn hemden tot ze versleten zijn, maar heeft wel een prachtig jacht aan de Côte d'Azur en heeft naast het voetbal goed geboerd. Georges werkt zich op van bediende bij een schroothandelaar tot eigenaar van 26 bedrijven in de naoorlogse Luikse metaalindustrie. Hij bestuurt ze vanuit zijn riante villa op zijn domein met tennisbaan en zwembad in Yvoir met negentien telefoons, van Luik tot Brugge, waar hij scheepswrakken tot schroot verwerkt. Hij is zo groot dat hij op zijn eentje de Belgische schrootprijs kan bepalen. In het begin wil hij nog een goeie ploeg uitbouwen. Behalve de Duitse spits Walter Rodekamp, die naar Berchem Sport verhuist, mag tussen 1971 en 1976 geen enkele sterkhouder weg. Maar na de oliecrisis van 1973 gaat het minder goed. Dus mogen de betere spelers toch vertrekken: Paul Courant en Jacky Debougnoux verhuizen naar Club Brugge. In competitie dreigt voor het stamnummer vier van eind jaren 70 tot begin jaren 80 bijna elk jaar de degradatie, maar Luik redt zich op het einde telkens miraculeus, bij voorkeur met thuisoverwinningen tegen Club Brugge en Anderlecht. Drie keer redt het zich pas op de laatste speeldag: in 1977, 1979 en 1982. Op 12 december 1976 verliest het met 10-0 van middenmoter Cercle Brugge, ook de volgende zes matchen gaan verloren. Balans van acht wedstrijden? Nul goals gemaakt, 29 tegen en één punt. Maar op de laatste speeldag komt alles goed. In 1978/79 gaat het ook bijna mis, ondanks de komst van Edhem Sljivo, één van de beste Luikse voetballers ooit. Die ploeg heeft geen gebrek aan talent, maar toont het te zelden. Zo klopt het in december 1978 het grote Anderlecht met duidelijke 4-0-cijfers. Op de laatste speeldag wint het met 3-0 voor 23.000 kijkers van Lokeren dat nog kampt om Europees voetbal, met twee goals van Jean-Michel Lecloux, een pijlsnelle buitenspeler die vanaf 1975 een wisselvallige vormcurve toont. Dat geldt ook voor een andere jonge Luikse aanvaller, André Binet. 'Een genie dat trots mist', omschrijft Robert Waseige hem. In doel staat de jonge Limburger Tony Daenen die zijn kans krijgt wanneer de aangekondigde vervanger van de Joegoslaaf Jovan Curcic, Luikenaar Louis Andrien, geblesseerd uitvalt voor de openingswedstrijd op Anderlecht in 1977. De onbekende Daenen blijft na een wereldmatch staan, achter de mythische centrale verdediger Louis Phillips. De 'universitair' met de lange baard, een echte clubspeler, wordt na een blessure in 1982 jurist. Voorin wisselen de exotische namen mekaar af: Elmar Jürgens, Manfred Klinge en Sead Susic. Een paar weken voor zijn overlijden aan kanker in 1983 haalt Jules Georges Robert Waseige als trainer. Plots is het afgelopen met degradatievoetbal. In 1985 wordt de club derde en voetbalt opnieuw Europees. Maar in november 1994 gaat het Stade Vélodrome dicht (het wordt daarna afgebroken) en in 1995 zakt Luik uit de eerste klasse. Voorlopig of voorgoed?