1 Vic Mees (1944-1964)

Gouden schoen en door de supporters bij de eeuwwisseling uitgeroepen tot beste speler aller tijden, alhoewel de meesten de man nooit zagen spelen. Mister Antwerp werd bekerwinnaar in 1955 en Belgisch kampioen in 1957. Met 68 interlands was hij ook lange tijd recordinternational bij de Rode Duivels. Hij was de draaischijf van de ploeg en populair bij de fans, omdat hij een man van het volk was - zijn ouders hadden een café in Schoten.

2 László Fazekas (1980-1984)

Een geniale technische speler, die al 32 was toen hij van Ujpest naar Antwerp verhuisde. Een complete voetballer, een goeie middenvelder die kon scoren en een ploeg kon doen draaien. Net geen Europees topschutter, en net geen 100 interlands voor Hongarije. Aanleiding van zijn komst was de 100e verjaardag van de club: voorzitter Eddy Wauters wilde dat feest wat extra kleur geven en pikte Fazekas weg voor de neus van FC Nantes.

3 Hans-Peter Lehnhoff (1987-1994)

George Kessler had hem zelf meegemaakt bij FC Köln, waar hij door de grote concurrentie weinig aan spelen toekwam. Toen Kessler voor Antwerp ging werken, liet hij Lehnhoff aanwerven. In de periodes van Kessler, Dimitri Davidovic en Walter Meeuws draaide de ploeg rond de Duitser. Lehnhoff won met Antwerp in 1992 de beker en haalde in 1993 de Europese finale. Ging dan naar Leverkusen in de Bundesliga.

4 Karl Kodat (1971-1977)

Een genie, hij slaagde erin tijdens Brazilië-Oostenrijk, een eerbetoon aan Pelé in Maracanã, de show te stelen. Het leverde hem de bijnaam blanke parel op. Kodat lustte wel een stevige pint. Toen Antwerp op Aston Villa speelde, die ploeg uitschakelde en hij scoorde, kreeg Guy Thys 's anderendaags van de eigenaar van het hotel nog een kleine rekening gepresenteerd. Kodat had de minibar geplunderd. Onder Thys en met zijn landgenoot Alfred Riedl aan zijn zijde was Antwerp toen een van de aantrekkelijkste ploegen van het land.

László Fazekas, belgaimage
László Fazekas © belgaimage

5 Bob Paverick (1930-1947)

Nog een held uit de mondelinge overlevering. In Engeland schreven ze ooit dat hij 'de beste verdediger van het continent' was. Hij voetbalde met een selectie van West-Europa tegen Centraal-Europa, in die tijd een hele eer. Een harde maar faire verdediger, die begon als rechtsbuiten. Omdat er op een gegeven moment geen verdediger meer beschikbaar was, zette de trainer hem linksback. Spelers van toen getuigden later over hem dat Paverick, lange tijd aanvoerder van de Rode Duivels, geen fouten nodig had omdat hij technisch zo vaardig was.

6 Desiré Bastin (1918-1934)

Er is een hele familiedynastie Bastin verbonden aan Antwerp, maar de oudste was de beste. Hij speelde 35 keer voor de nationale ploeg, werd met België olympisch kampioen in 1920 en met Antwerp twee keer landskampioen. Net als Mees een figuur van het volk die iedereen kende, in 's-Gravenwezel was hij lange tijd cafébaas van café Vogelenzang. Opmerkelijk: Bastin leerde voetballen bij Chelsea. Zijn familie was in de oorlog gevlucht naar Londen en daar zette hij zijn eerste stappen als spits.

7 René Geuns (1938-1951)

Geen voor de hand liggende keuze, maar nog steeds topschutter aller tijden van Antwerp. Toen op het WK in Brazilië Robin van Persie zwevend een bal voorbij Iker Casillas kopte en de foto van de Vliegende Hollander de hele wereld rondging, toverde zijn zoon Harry eenzelfde beeld van zijn vader boven. Geuns was een grappenmaker, bon vivant en vrij knap, wat de vrouwelijke fans dan weer konden smaken. En dat brengt ons naadloos bij...

Hans-Peter Lehnhoff, belgaimage
Hans-Peter Lehnhoff © belgaimage

8 Francis Severeyns (1984-1988 & 1992-1997)

Komt achter Geuns in doelpunten voor de Great Old. Ook Cisse had de looks en hij genoot ook van een grap, maar was als voetballer efficiënt en koelbloedig voor doel. Hij stond in de vorige bekerfinale van Antwerp (1992) nog in het verliezende kamp, al zette hij tegen Ratko Svilar wel zijn strafschop om. Eigenlijk hoort Svilar ook in dit lijstje. Hij won die beker voor Antwerp door in die finale de penalty van Lei Clijsters te stoppen en zelf de beslissende binnen te trappen.

Karl Kodat, panini
Karl Kodat © panini

9 Alfred Verdyck (1900-1911)

Grotendeels onbekend, tenzij bij die hards van de voetbalgeschiedenis. De eerste doelman van de nationale ploeg. Was trainer toen Antwerp in 1929 kampioen werd. Verdyck werd na zijn carrière secretaris van de KBVB en zat in het organisatiecomité van de Spelen in 1920 in Antwerpen. Hij hervormde het Belgische voetbal. Was in totaal elf jaar trainer op Antwerp, dat is tot vandaag de trainer met de langste staat van dienst. Ooit zei Eddy Wauters over hem: 'Bijna alles wat ik van voetbal ken, heb ik van Verdyck geleerd.'

10 Rudi Smidts (1984-1996)

De man die de sleutels van de Bosuil had. Niet de meest creatieve of technisch de beste, maar een van de betere backs van België, een half decennium de vaste linksachter van de nationale ploeg. Komt uit een familie van Beerschotsupporters maar sloot zich, samen met wat vrienden, bij Antwerp aan omdat hij dan gratis naar het voetbal kon.

Desiré Bastin, gf
Desiré Bastin © gf
René Geuns, rafcmuseum
René Geuns © rafcmuseum
Francis Severeyns, belgaimage
Francis Severeyns © belgaimage
Rudi Smidts, belgaimage
Rudi Smidts © belgaimage
Gouden schoen en door de supporters bij de eeuwwisseling uitgeroepen tot beste speler aller tijden, alhoewel de meesten de man nooit zagen spelen. Mister Antwerp werd bekerwinnaar in 1955 en Belgisch kampioen in 1957. Met 68 interlands was hij ook lange tijd recordinternational bij de Rode Duivels. Hij was de draaischijf van de ploeg en populair bij de fans, omdat hij een man van het volk was - zijn ouders hadden een café in Schoten. Een geniale technische speler, die al 32 was toen hij van Ujpest naar Antwerp verhuisde. Een complete voetballer, een goeie middenvelder die kon scoren en een ploeg kon doen draaien. Net geen Europees topschutter, en net geen 100 interlands voor Hongarije. Aanleiding van zijn komst was de 100e verjaardag van de club: voorzitter Eddy Wauters wilde dat feest wat extra kleur geven en pikte Fazekas weg voor de neus van FC Nantes. George Kessler had hem zelf meegemaakt bij FC Köln, waar hij door de grote concurrentie weinig aan spelen toekwam. Toen Kessler voor Antwerp ging werken, liet hij Lehnhoff aanwerven. In de periodes van Kessler, Dimitri Davidovic en Walter Meeuws draaide de ploeg rond de Duitser. Lehnhoff won met Antwerp in 1992 de beker en haalde in 1993 de Europese finale. Ging dan naar Leverkusen in de Bundesliga. Een genie, hij slaagde erin tijdens Brazilië-Oostenrijk, een eerbetoon aan Pelé in Maracanã, de show te stelen. Het leverde hem de bijnaam blanke parel op. Kodat lustte wel een stevige pint. Toen Antwerp op Aston Villa speelde, die ploeg uitschakelde en hij scoorde, kreeg Guy Thys 's anderendaags van de eigenaar van het hotel nog een kleine rekening gepresenteerd. Kodat had de minibar geplunderd. Onder Thys en met zijn landgenoot Alfred Riedl aan zijn zijde was Antwerp toen een van de aantrekkelijkste ploegen van het land. Nog een held uit de mondelinge overlevering. In Engeland schreven ze ooit dat hij 'de beste verdediger van het continent' was. Hij voetbalde met een selectie van West-Europa tegen Centraal-Europa, in die tijd een hele eer. Een harde maar faire verdediger, die begon als rechtsbuiten. Omdat er op een gegeven moment geen verdediger meer beschikbaar was, zette de trainer hem linksback. Spelers van toen getuigden later over hem dat Paverick, lange tijd aanvoerder van de Rode Duivels, geen fouten nodig had omdat hij technisch zo vaardig was. Er is een hele familiedynastie Bastin verbonden aan Antwerp, maar de oudste was de beste. Hij speelde 35 keer voor de nationale ploeg, werd met België olympisch kampioen in 1920 en met Antwerp twee keer landskampioen. Net als Mees een figuur van het volk die iedereen kende, in 's-Gravenwezel was hij lange tijd cafébaas van café Vogelenzang. Opmerkelijk: Bastin leerde voetballen bij Chelsea. Zijn familie was in de oorlog gevlucht naar Londen en daar zette hij zijn eerste stappen als spits. Geen voor de hand liggende keuze, maar nog steeds topschutter aller tijden van Antwerp. Toen op het WK in Brazilië Robin van Persie zwevend een bal voorbij Iker Casillas kopte en de foto van de Vliegende Hollander de hele wereld rondging, toverde zijn zoon Harry eenzelfde beeld van zijn vader boven. Geuns was een grappenmaker, bon vivant en vrij knap, wat de vrouwelijke fans dan weer konden smaken. En dat brengt ons naadloos bij... Komt achter Geuns in doelpunten voor de Great Old. Ook Cisse had de looks en hij genoot ook van een grap, maar was als voetballer efficiënt en koelbloedig voor doel. Hij stond in de vorige bekerfinale van Antwerp (1992) nog in het verliezende kamp, al zette hij tegen Ratko Svilar wel zijn strafschop om. Eigenlijk hoort Svilar ook in dit lijstje. Hij won die beker voor Antwerp door in die finale de penalty van Lei Clijsters te stoppen en zelf de beslissende binnen te trappen. Grotendeels onbekend, tenzij bij die hards van de voetbalgeschiedenis. De eerste doelman van de nationale ploeg. Was trainer toen Antwerp in 1929 kampioen werd. Verdyck werd na zijn carrière secretaris van de KBVB en zat in het organisatiecomité van de Spelen in 1920 in Antwerpen. Hij hervormde het Belgische voetbal. Was in totaal elf jaar trainer op Antwerp, dat is tot vandaag de trainer met de langste staat van dienst. Ooit zei Eddy Wauters over hem: 'Bijna alles wat ik van voetbal ken, heb ik van Verdyck geleerd.' De man die de sleutels van de Bosuil had. Niet de meest creatieve of technisch de beste, maar een van de betere backs van België, een half decennium de vaste linksachter van de nationale ploeg. Komt uit een familie van Beerschotsupporters maar sloot zich, samen met wat vrienden, bij Antwerp aan omdat hij dan gratis naar het voetbal kon.