In 1979 zat het er bovenarms op in de formule 1. De vereniging van de teams, aangevoerd door Bernie Ecclestone, en de Internationale Autosportfederatie (nu FIA) van de toenmalige president Jean-Marie Balestre streden om de macht in de paddock. De oorlog zou twee jaar woeden, tot ergens op de Parijse Place de la Concorde de vredespijp werd gerookt.
...

In 1979 zat het er bovenarms op in de formule 1. De vereniging van de teams, aangevoerd door Bernie Ecclestone, en de Internationale Autosportfederatie (nu FIA) van de toenmalige president Jean-Marie Balestre streden om de macht in de paddock. De oorlog zou twee jaar woeden, tot ergens op de Parijse Place de la Concorde de vredespijp werd gerookt. Het huwelijkscontract dat alles tussen de bij de F1 betrokken partijen regelt, en dan vooral de verdeelsleutel van de inkomsten, werd sindsdien al vijf keer verlengd en aangepast. Rode draad doorheen de jaren: de onderhandelingen verliepen telkens moeilijker. Van 2007 tot 2009 dreigde het zelfs tot een splitsing te komen, toen de teams zich verenigden om een eigen kampioenschap op te starten zonder FIA of Ecclestone. Dat verijdelde Mister E. op de valreep door Ferrari in zijn kamp te lokken, volgens sommige bronnen met meer geld dan de andere teams kregen. Een van de ongeschreven wetten in de F1 is immers: wie het Italiaanse ros in zijn stal kan zetten, heeft de echte formule 1. De huidige Concordeakkoorden lopen eind 2012 af. Maar tot echte onderhandelingen kwam het nog niet. Het wordt immers moeilijker dan ooit. Natuurlijk heeft dat te maken met de verdeling van de inkomsten, die vooral uit tv-rechten bestaan: iedereen wil meer. De teams willen meer dan de vijftig procent die ze momenteel krijgen. FIA-voorzitter Jean Todt zei ook al luidop dat zijn vereniging een groter stuk van de taart moet krijgen. De Fransman heeft daar zijn redenen voor. Het geld dat Ecclestone een decennium geleden betaalde om voor 99 jaar de commerciële rechten van de F1 te beheren, een slordige driehonderd miljoen, zou onder het bewind van de vorige president Max Mosley ondergebracht zijn in het FIA Institute. Dit is een instelling die zich inzet voor veilige en duurzame mobiliteit, in een soort fonds waar niet aan geraakt mag worden. Zodat de FIA zelf volgens sommige bronnen dringend toe is aan vers geld. Ecclestone zelf wil geen groter aandeel, maar kan zich ook niet permitteren om de anderen meer te geven. De grote baas werkt nu immers min of meer in dienst van CVC Capital, een investeringsmaatschappij aan wie hij in 2005 zeventig procent van zijn holding verkocht. En CVC heeft het nu al moeilijk om de miljardenleningen terug te betalen die het aanging om de F1 te kopen. Temeer omdat het de toekomstige inkomsten uit het circus inzette als waarborg. Ook die staan onder druk, want de raceorganisatoren, zowel in Europa als in de nieuwe verre contreien, eisen immers dat Ecclestone zijn startgeld verlaagt of dreigen de F1 te laten vallen. Zelfs de Chinezen, waar zondag gereden werd, zouden serieuze korting bedongen hebben. Wat de totale inkomstenpot dan weer onder druk zet. In 1980 en 2006 lag het ook allemaal heel complex, maar was er een essentieel verschil: toen was er genoeg geld om te verdelen. Nu niet meer. Of hoe straks de moeder van alle oorlogen in de F1 begint. DOOR JO BOSSUYT