Bent u gek geworden?" De reactie van Tourdirecteur Henri Desgrange op het voorstel van zijn assistent Alphonse Steinès om de renners door de Pyreneeën te sturen, was er een van ongeloof, maar ook van prikkelende opwinding. Desgrange was op zoek naar een manier om de Tour nieuw leven in te blazen en een etappe door de bergen zou wel eens het ei van Columbus kunnen zijn.
...

Bent u gek geworden?" De reactie van Tourdirecteur Henri Desgrange op het voorstel van zijn assistent Alphonse Steinès om de renners door de Pyreneeën te sturen, was er een van ongeloof, maar ook van prikkelende opwinding. Desgrange was op zoek naar een manier om de Tour nieuw leven in te blazen en een etappe door de bergen zou wel eens het ei van Columbus kunnen zijn. De reden dat die nieuwe impuls nodig bleek, was een man met Luxemburgs-Franse ouders die luisterde naar de naam François Faber. Faber was een coureur waar het publiek op af kwam, al was het maar om zijn buitengewone lichaamsbouw te bewonderen: 87 kilo spieren op een frame van 1 m 89, naar de normen van de tijd een ware reus. De gewezen dokwerker was in 1908 tweede geworden in het eindklassement en had in 1909 alle tegenstand zonder pardon op een hoopje gefietst. De machtsmens won vijf ritten op rij en eindigde ook in de andere niet buiten de top tien. Maar een bergetappe zou nog andere koek zijn, besefte Desgranges. Bij de beklimming van de Ballon d'Alsace - niet echt het hooggebergte - was hij al eens een derde van het deelnemersveld kwijtgespeeld. Na enig nadenken stuurde hij zijn assistent er in het voorjaar van 1910 dan toch maar op uit om de Pyreneeën te gaan verkennen. De bergen waren een eeuw geleden nog niet wat ze nu zijn: geen geasfalteerde wegen en luxueuze resorts voor wintersporters, maar een woest landschap waar alleen wat boeren en herders gebruikmaakten van de smalle paden die over de cols kronkelden. Die paden dienden in elk geval opgeschoond te worden vooraleer er renners konden passeren. Met een lokale functionaris bereikt Steinès al gauw een akkoord om de Col d'Aubisque vrij te maken. De Tour betaalt er 2000 francs voor. Vervolgens trekt Steinès naar de Tourmalet. In Bagnères-de-Bigorre, op een dertigtal kilometer van de col, slaat Steinès proviand in en huurt hij een wagen met chauffeur, een zekere Dupont. Goed halverwege, net voorbij Sainte-Marie-de-Campan, geraken ze echter niet meer verder. Steinès neemt zijn knapzak en begint de tocht te voet verder te zetten. Dupont gaat even mee, maar wanneer de lucht betrekt en de zon achter de bergtoppen zakt, besluit hij wijselijk rechtsomkeer te maken. Steinès wil echter van geen opgeven weten, ondanks de weinig bemoedigende woorden van Dupont: "Als het gaat sneeuwen, komen er beren van de Spaanse kant." Steinès beklaagt zich de onderneming al gauw. De duisternis valt in en schuifelend over de bergflanken ziet hij geen hand meer voor zijn ogen. Plots hoort hij in de verte stemmen. Steinès vermoedt dat het struikrovers zijn, maar hij roept niettemin om hulp: als ze hem over de col willen gidsen, krijgen ze geld! Het blijken geen rovers te zijn, het zijn jonge herders met schapen. Een van hen zet Steinès een eind op weg, maar dan laat die hem in de steek. Verkleumd en stilaan radeloos zet Steinès zich op een rots neer. Hij overweegt om daar de nacht door te brengen, maar vreest dat hij zal doodvriezen. Strompelend zet hij weer aan, herhaaldelijk glijdt hij uit over plekken ijs en valt hij in de sneeuw. Een keer sukkelt hij zelfs in een ijskoud bergriviertje. Wanneer hij begint te twijfelen of hij zijn roekeloze tocht wel zal overleven, hoort hij opnieuw iemand roepen: "Wie is daar? Spreek of ik schiet!" Steinès schreeuwt zijn naam de duisternis in en meteen staan enkele mannen vlak bij hem. Ze komen uit Barèges, aan de overkant van de Tourmalet en hebben goed nieuws: "Monsieur Steinès, we kregen telefoon van Sainte-Marie-de-Campan. Iedereen is al uren naar u op zoek." Het reddingsteam brengt de onderkoelde Steinès naar Bagnères, waar hij na een warm bad snel opknapt. De volgende ochtend stuurt hij een historisch telegram naar Desgrange: "ben Tourmalet over - stop - prima weg - stop - perfect te doen - stop"... Wanneer in april 1910 het parcours van de Ronde van Frankrijk wordt voorgesteld springen twee etappes in het oog. Rit 9, over Col de Port, Portet d'Aspet en Les Ares, is eigenlijk nog klein bier in vergelijking met rit 10: een calvarie van 326 km tussen Luchon en Bayonne, met onderweg de cols van de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque, nu allemaal bekende Pyreneeënreuzen, maar destijds terra incognita voor de renners. De lengte van de rit is op zich wel niet zo bijzonder, want in de pioniersjaren van de Tour reed men minder maar langere etappes, met telkens een rustdag tussen. De pers omschrijft de ritten door de wildernis van de Pyreneeën meteen als "bizar en gevaarlijk". Henri Desgrange wrijft zich al in de handen bij die woorden, hij ziet in gedachten de verkoop van zijn dagblad L'Auto (dat decennia later L'Equipe zou worden) al spectaculair stijgen. De renners zelf zien de bergen veel minder zitten. Van de 136 deelnemers die zich al ingeschreven hadden, trekken er zich 26 meteen terug. Desgrange is niet helemaal ongevoelig voor de kritiek, voor het eerst laat hij in de Tour een voiture-balai of bezemwagen toe. Renners die aan het einde van hun krachten zouden komen, mochten instappen en de volgende dag opnieuw starten (er werd toen niet met tijdsverschillen gerekend, maar met punten). Een hele toegeving voor Desgrange, die in de pioniersjaren van de Tour beweerde dat er idealiter slechts één renner in Parijs zou aankomen. De eerste ritten van de Tour 1910 worden beheerst door een oppermachtige Faber, die drie keer wint en de leiding neemt. In de negende rit is het Octave Lapize - vanwege zijn krulhaar le frise genoemd - die als eerste over de meet bolt. En dan staat de fameuze tiende rit op het programma, met de 2114 meter hoge Col du Tourmalet. Lapize begint furieus aan de rit en komt op de Peyresourde en de Aspin als eerste boven. Ook de Tourmalet overschrijdt hij als leider, zij het... te voet. De inspanning is hem te veel aan het worden, hijgend en puffend duwt hij zijn fiets naast zich naar boven. Bijna alle renners (met een vast verzet) moeten op de Tourmalet voet aan de grond zetten. Alleen Gustave Garrigou, de eerste achtervolger van Lapize, slaagt erin om met zijn 22x11 helemaal tot op de col te pedaleren, zonder uit het zadel te komen. Hij krijgt daarvoor een speciale premie van 100 francs. Op de laatste grote col van de dag, de Aubisque, krijgt Lapize een gigantische klop van de hamer en hij wordt voorbijgereden door François Lafourcade. Boven op de col staat Victor Breyer, die de zieke Desgrange die dag als wedstrijddirecteur vervangt, de renners op te wachten. Lafourcade komt als eerste voorbij, met een vol uur achterstand op het voorziene tijdsschema. Een kwartier later komt een vuile en bezwete Lapize aangezwalpt. Achter zijn masker van modder en stof schieten zijn ogen vuur. Hij vloekt en bijt Breyer toe: " Assassins! Moordenaars!" Maar hoewel hij op de top nog met opgave dreigt, borrelt tijdens de afdaling van de Aubisque samen met de woede ook de adrenaline weer op. Lapize haalt Lafourcade nog in en wint de rit. Zijn tijd: 14 uur en 10 minuten. Wanneer de laatste drie renners in het holst van de nacht gezamenlijk over de streep sukkelen, zijn er sinds de start 21 uur en 41 minuten verstreken... Velen hebben opgegeven. Van de 110 in Parijs gestarte coureurs zijn er na die helse rit nog 46 over. De sterke Faber weet zich nog behoorlijk te handhaven en eindigt in Bayonne als derde. Hij behoudt ook de leidersplaats, maar Lapize volgt in zijn zog op enkele punten. Na de dertiende etappe wordt Lapize, flink geholpen door zijn landgenoot Garrigou, de nieuwe leider. Faber knokt nog voor wat hij waard is, maar enkele lekke banden fnuiken zijn kansen. Wanneer het flink uitgedunde peloton opnieuw de lichtstad bereikt, houdt Lapize vier punten voorsprong over. De pers bleef luidkeels kritiek spuien op de bergritten, men vond het nog steeds waanzin en vreesde dat er nog meer doden zouden vallen. Er werd daarbij verwezen naar Adolphe Helière, die op de rustdag tussen de zesde en de zevende etappe nabij Nice ging zwemmen en na contact met een kwal was verdronken. Desgrange deed het allemaal af als onzin, de Pyreneeën zouden voortaan niet meer weg te denken zijn uit het parcours van de Ronde van Frankrijk. In 1911, het jaar na de eerste doortocht door de Pyreneeën, won Gustave Garrigou de Tour en vervolgens was het de beurt aan de eerste Belgen: Odiel Defraeye (1912) en Philippe Thys (1913 en 1914). Beiden kwamen in het jaar van hun eerste Tourzege ook als eerste boven op de Tourmalet. De Franse tenoren van 1910 blijven in die jaren ook wel in de eerste gelederen kampen, maar na 1914 wordt hun strijdtoneel naar een heel andere plek verlegd: de loopgraven aan het front. Acht dagen na afloop van de Tour van 1914 verklaart Duitsland immers de oorlog aan Frankrijk. Op 9 mei 1915 wordt de grote François Faber dodelijk gewond door een Duitse kogel. Volgens sommige bronnen nadat hij van vreugde opsprong omdat hij een telegram had gekregen waarin zijn vrouw hem meldde dat hij vader was geworden, volgens andere bij het ontzetten van een gevallen strijdmakker. Octave Lapize, de winnaar van 1910, werd als piloot neergeschoten in juli 1917. Een maand later sneuvelde ook François Lafourcade. door peter mangelschots - beelden: reportersDe laatste renners sukkelen na 21 uur en 41 minuten over de streep.