Als Jan zondag toeslaat, boven op L'Alpe d'Huez, zitten wij ademloos voor televisie, of gekluisterd aan de radio. Het beslissende moment van de Centenaire kleeft straks in duizenden plakboeken. Jan zet zich schrap, versnelt, kijkt achterom en meet de schade op. Hij ziet Lance met strakke trekken, Joseba met opengesperde mond. Jan gaat door, Jos en René zijn alert. Ze rijden voor, naast of achter hem, op hun zware motor, laverend tussen de rijen uitzinnige fans. Zij zijn de echte ooggetuigen van de koers.
...

Als Jan zondag toeslaat, boven op L'Alpe d'Huez, zitten wij ademloos voor televisie, of gekluisterd aan de radio. Het beslissende moment van de Centenaire kleeft straks in duizenden plakboeken. Jan zet zich schrap, versnelt, kijkt achterom en meet de schade op. Hij ziet Lance met strakke trekken, Joseba met opengesperde mond. Jan gaat door, Jos en René zijn alert. Ze rijden voor, naast of achter hem, op hun zware motor, laverend tussen de rijen uitzinnige fans. Zij zijn de echte ooggetuigen van de koers. Jos De Wit is 64, begint aan zijn dertigste Ronde van Frankrijk, en denkt nog niet aan stoppen. Hij rijdt straks, vanaf de bergen, met radioverslaggever Carl Berteele achterop. René Wuyckens is 50, al jaren vaste motard voor VRT, en sinds 1998 ook in de Tour. Hij neemt de Nederlandse fotograaf Cor Vos mee. Jos en René zijn allebei coureur geweest, met een passie voor motoren. Ideale combinatie, want een goeie motard beheerst niet alleen zijn machine, hij leest ook de koers, ziet de kansen, voelt wanneer hij moet opschuiven of beter gas terugneemt. Het gaat er wel hard aan toe tegenwoordig. Geen gezapig tempo meer, zoals vroeger, maar vlammen aan 60 per uur, in afdalingen tot 110. Wie schrik heeft, blijft beter thuis, die is een gevaar op de weg. Cameramannen en fotografen stappen er soms uit, druk te groot, te veel risico's. Maar motards met een vaste plaats in de Tour geven die niet graag af. Jonge snaken zie je dan ook weinig, die moeten maar eerst elders ervaring opdoen. En cowboys die zichzelf willen bewijzen, worden sowieso geweerd. De Tour is voor de "gezette" mannen, zoals Jos en René, een vaste kliek kameraden, bondgenoten en geen concurrenten. Veiligheid staat voorop, en rustig blijven in alle omstandigheden. De Tour is groots, te groot stilaan. 198 renners en 5000 volgers, dat is buiten proportie. En dus komen er steeds meer beperkingen. Zo'n 100 motards blijven over die echt ín de koers zitten. De helft hoort bij de Gendarmerie République, die houdt de wegen vrij. Een tiental fotografen mag overal rijden, nog eens vijftien krijgen beperkte vrijheid. Er zijn vijf cameramensen, acht radioverslaggevers, en voorts, de régulateurs, die alles in goeie banen leiden. Die zijn streng, onverbiddelijk. En de lijst met wat niet mag, wordt elk jaar langer. Negeer je een rode vlag, dan word je uit koers gezet. Eén of twee dagen langs de kant in de Tour, je mag er niet aan denken. Een drinkbus naar je kop krijgen, het kan gebeuren, iedereen lijdt onder de stress. Renners hinderen, probeer je te vermijden. Iemand helpen, is koersvervalsing. Daarom blijft het contact met de coureurs ook zo oppervlakkig. Ieder zijn job, nietwaar, de Tour is tenslotte geen plezierrit. Elke dag lijkt er op de vorige : opstaan, eten, koers volgen, hotel zoeken en slapen. 's Morgens vertrek je in de zon, 's middags kan je in de sneeuw terechtkomen. Of je rijdt een hele dag in de regen, met doorweekte kleren. Aan de bar blijven hangen is er ook al niet meer bij, en toch wil niemand het missen. Of er wel eens geslikt wordt om het drie weken vol te houden ? Dat zijn maar indianenverhalen, juffrouw. Gezond blijven, geen ongelukken, geen motorpech : dat is het belangrijkste. Veel pech hebben Jos en René nog niet gehad. Buiten die keer dat Jos met één rem naar beneden moest, in een afdaling. En in het Baskenland zat hij eens met een pak nagels in zijn banden, uitgestrooid door boze boeren. Veel miserie toen, en geen enkele garagist in de buurt die nog banden had. De dopingtour van 1998, ook geen goeie herinnering. Hele nacht onderweg, complete chaos. René, die denkt liever niet meer terug aan die Pyreneeënrit, toen Bram De Groot onder een balustrade gleed en op de rand van een afgrond hing. De Groot in coma, vreselijke beelden, maar je moet er wel staan. Voor de rest, toch vaak genieten ook. Vroeger van het machtsvertoon van Merckx of Hinault, van de Hollandse waanzin in de tijd van Zoetemelk, nu van de speldenprikken van Armstrong. De eerste Tourweek is zelden interessant, te nerveus gedoe, van start tot aankomst vliegen. Maar Jos en René kunnen niet wachten tot ze L'Alpe d'Huez op mogen, de col waar de coureurs kapot gaan. Dat wordt de dag van Jan. door Inge Van Meensel