Parijs-Roubaix, de editie van 1970. Op dertig kilometer van de streep scheurt Eddy Merckx als een onverwoestbare tijger uit een selecte kopgroep weg. Er valt ijswater uit de lucht, de wegen liggen er vuil en vet bij, het decor is acopalyptisch en huiveringwekkend. Het blijkt Merckx niet te deren. Hij dokkert over de kasseien, als een tiran op twee wielen, hongerig en onverzadigbaar en vast van plan om de klassiekers als zijn territorium te blijven beschermen. Eddy Merckx bereikt de wielerbaan van Roubaix met vijf minuten voorsprong, een verbluffende kloof, bijeengeharkt in amper dertig kilometer. Emotie toont hij nauwelijks als hij over de finish rijdt. Achteraf zegt Merckx tegen de verbaasde persmeute dat het heel lastig was geweest : 'Ze reden heel hard achter mij, renners als Roger De Vlaeminck en Eric Leman, je moet ze echt niet onderschatten, ze hebben het me heel zwaar gemaakt want ze kunnen een stukje fietsen." Hij zuchtte en kuchte. Nooit in zijn lange carrière zou Merckx zichzelf verheerlijken, nimmer zou hij zich vernederend uitlaten over zijn tegenstanders, niet één keer rolde er een klacht over zijn lippen toen die opponenten weigerden om kopwerk te doen. Eddy Merckx was de kampioen van de getemperde vreugde, een complexe renner, die zijn ware identiteit verborg achter een masker van gereserveerdheid en kilheid.
...

Parijs-Roubaix, de editie van 1970. Op dertig kilometer van de streep scheurt Eddy Merckx als een onverwoestbare tijger uit een selecte kopgroep weg. Er valt ijswater uit de lucht, de wegen liggen er vuil en vet bij, het decor is acopalyptisch en huiveringwekkend. Het blijkt Merckx niet te deren. Hij dokkert over de kasseien, als een tiran op twee wielen, hongerig en onverzadigbaar en vast van plan om de klassiekers als zijn territorium te blijven beschermen. Eddy Merckx bereikt de wielerbaan van Roubaix met vijf minuten voorsprong, een verbluffende kloof, bijeengeharkt in amper dertig kilometer. Emotie toont hij nauwelijks als hij over de finish rijdt. Achteraf zegt Merckx tegen de verbaasde persmeute dat het heel lastig was geweest : 'Ze reden heel hard achter mij, renners als Roger De Vlaeminck en Eric Leman, je moet ze echt niet onderschatten, ze hebben het me heel zwaar gemaakt want ze kunnen een stukje fietsen." Hij zuchtte en kuchte. Nooit in zijn lange carrière zou Merckx zichzelf verheerlijken, nimmer zou hij zich vernederend uitlaten over zijn tegenstanders, niet één keer rolde er een klacht over zijn lippen toen die opponenten weigerden om kopwerk te doen. Eddy Merckx was de kampioen van de getemperde vreugde, een complexe renner, die zijn ware identiteit verborg achter een masker van gereserveerdheid en kilheid. Een ander beeld : Merckx is in 1977 kopman van de Fiat-ploeg en start in de Ronde van Frankrijk. Hij heeft zijn beste periode achter de rug. Op een van de cols moet hij lossen. We rijden in de volgauto achter hem, Rik Van Looy zit achter het stuur. Voor ons ontrolt zich een onvoorstelbaar schouwspel : Merckx lijdt en strijdt, hij vloekt en tiert, helemaal aan zijn lot overgelaten, als een eenzame fietser in een desolaat landschap. Van Looy pept hem op : "Laat je niet gaan, ouwe, toon ze het nog een keer." Merckx kijkt, zijn ogen spuwen vuur : "Ik zie af joeng, verschrikkelijk, maar niemand krijgt mij klein." Nooit zagen we een sportman verwikkeld in zo'n meedogenloos gevecht met zichzelf : de genadeloze rauwheid van de wielersport werd op die dag voor eeuwig in ons geheugen opgeslagen. Eddy Merckx ging door, met holle ogen achter een gordijn van zweet. Opgeven aanzag hij als een persoonlijke vernedering. Merckx ontroerde in zijn kwetsbaarheid, niets bleef er nog over van de renner die jaren onophoudelijk terreur had gezaaid, die als het ware het despotisme in de wielersport had geïntroduceerd en door het leven ging als De Kannibaal. Volgende vrijdag wordt Eddy Merckx zestig jaar. Sinds hij in 1964 in het Franse Sallanches wereldkampioen werd bij de amateurs is het nooit stil rond hem geweest. Merckx is al meer dan veertig jaar openbaar bezit. Om en nabij de zesduizend interviews zijn er met hem gemaakt, hij kan het bij benadering niet zeggen. Ook over het aantal boeken is hij de tel kwijtgeraakt. Achttien of twintig, het moet ergens daar rond liggen. Eigenlijk stond die overvloedige belangstelling haaks op zijn gesloten karakter : Merckx pleegt pas goed te ontdooien in het gezelschap van enkele vrienden, bij voorkeur onder het genot van een glaasje wijn. Zelf hebben we Merckx een keer of tien geïnterviewd. De allereerste keer bij hem thuis, toen nog in Tervuren, in 1976, net voor de start van de Tour die Merckx wegens een blessure aan het zitvlak niet mocht rijden. Merckx beleefde de nadagen van zijn carrière, al had hij dat jaar wel voor de zevende keer Milaan-Sanremo gewonnen. Merckx worstelde met tweeslachtige gevoelens : de panache van vroeger was er niet meer, het verval ingezet. Daar had Merckx het moeilijk mee. De innerlijke drang om altijd maar weer een voorbeeld te willen stellen liep toen als een rode draad door het interview. Merckx was raadselachtig en fascinerend, ondoorgrondelijk en imponerend. Hij sprak zacht en zonder stemverheffing. Nooit zouden we nog een sportman ontmoeten met dezelfde grenzeloze ambitie. Merckx interviewen was toen niet gemakkelijk. Hij ordende zijn gedachten slechts moeizaam. Maar uit alles wat hij zei, bleek een hartstochtelijke liefde voor de fiets. Dat is tot vandaag zo gebleven. We waren erbij toen Eddy Merckx in maart 1978 het einde van zijn carrière aankondigde, hij had in Kemzeke zijn laatste wedstrijd gereden, die locatie paste absoluut niet bij zijn onvergelijkbare carrière. Het was alsof de grond onder zijn voeten weggleed en hij ieder moment in een bodemloze put kon tuimelen. Voorbij waren veertien profjaren waarin hij 180 koersen per jaar reed en zich in de winter nog in rokerige sportpaleizen begaf om zesdaagsen te rijden. Nu had hij het gevoel dat hij een stuk van zichzelf was kwijtgeraakt en dat zijn leven geen inhoud meer had. Die gedachte beangstigde hem. Tot hij later een idee kreeg. Een koude winterdag in 1997. We interviewen Eddy Merckx voor het boek De Wielergoden van de Lage Landen. Ondanks zijn drukke bezigheden trekt hij er bijna een halve dag voor uit. Dat beschouwt hij als zijn plicht. Bijna twintig jaar na het einde van zijn carrière vertelt Merckx met een merkwaardige vergelijking hoe hij iedere wielerwedstrijd beschouwde : als een examen waarin hij per se een diploma van bekwaamheid moest halen. Daarom kon hij na een overwinning zo weinig genieten. Hij dacht al aan de volgende koers, gedreven door een groot verantwoordelijkheidsgevoel, ten aanzien van zijn sponsor, maar ook ten aanzien van de organisator van een criterium die bij wijze van spreken een heel jaar moest sparen om hem aan de start te krijgen. Merckx voelde zich verplicht om iets terug te doen, hij kreeg het niet over zijn hart om mensen te ontgoochelen. Ook dat dreef hem vooruit. Altijd en overal. Merckx vertelt over zijn carrière, gezeten in het kantoor van zijn fietsenbedrijf dat hij in 1980 in het Brabantse dorpje Sint-Brixius-Rode neerzette. Aan de muur hangt een schilderij : Eddy in de gele trui tijdens de Ronde van Frankrijk, met een verbeten grimas rond de mond, leidend voor aan aantal concurrenten die als stukken ellende in zijn wiel zitten. Eerst aarzelend maar vervolgens met steeds meer plezier grasduint hij in het verleden. Hij vertelt hoe hij na de wereldtitel bij de amateurs in Sallanches vreesde geen goeie prof te worden, hoe de twijfel constant in hem woedde. Vreemd genoeg veranderde dat niet toen hij in 1967 voor de eerste keer Milaan-Sanremo won, de wedstrijd waarvan hij zijn heiligdom zou maken. De Via Roma was voor hem een symbool, een plaats met een mythologische waarde. En geen helling die hem meer aansprak dan de Poggio. Het gegeven dat het daar moest gebeuren, dreef hem altijd weer vooruit. Merckx raast als een tornado door zijn carrière. Hij verhaalt over het moment dat hij zichzelf voor de eerste keer verbaasde, in de Ronde van Italië van 1968. Hij domineert er van begin tot eind en ontdekt klimcapaciteiten die hij zichzelf niet toebedeelde. In de bergrit naar Tre Cime Lavaredo voert hij op atletisch gebied zijn strafste nummer op. Op dertig kilometer van het einde overbrugt hij een achterstand van negen minuten op de Italianen Franco Bitossi en GiancarloPolidori, om in een hondenweer en in de sneeuw afgescheiden te winnen. Snel laat Merckx het nog allemaal eens de revue passeren. Op een gegeven moment verandert hij van locatie en trekt vanuit zijn kantoor naar de woonkamer van zijn huis. Claudine zorgt voor koffie en Eddy komt helemaal tot rust. Hij snijdt nog eens de voor België historische overwinning aan in de Tour van 1969. Ze volgt op een duistere dopingaffaire die hem in de Ronde van Italië de das omdeed. Merckx spreekt van een georkestreerde zaak, maar hij wordt naar huis gestuurd terwijl hij de roze trui draagt en al zes ritten heeft gewonnen. Felice Gimondi wint die Giro. Zijn Salvarani-ploeg, zo vertelt Merckx, had hem nog voor zijn uitsluiting gevraagd om de Ronde van Italië te verkopen. In zijn ogen flikkert de woede nog steeds, de ergernis om een onrechtvaardige nederlaag. In de Tour die volgt, wist Merckx met glans de smet op zijn blazoen weg, geruggensteund door het enthousiasme van een almaar groeiende schare supporters, snel omgedoopt tot Merckxisten. Wanneer de jonge wielergod na een ploegentijdrit in zijn Woluwe het geel pakt, danst de pers mee op de golven van de euforie en geeft Louis Clicteur, de paus van de wielerjournalistiek, in Het Laatste Nieuws blijk van een stukje chauvinisme dat in deze tijd niet meer zou passen: 'Juicht Belgen, juicht... De droom is in vervulling gegaan.' Merckx vertelt over zijn 140 kilometer lange vlucht door de Pyreneeën, in de etappe tussen Luchon en Mourenx, over de Aubisque en de Tourmalet, waar hij heel alleen strijdt door het woeste bergmassief en voor een van de meest epische nummers uit de geschiedenis van de wielersport zorgt. Natuurlijk, zo beseffen we, is een namiddag lang niet genoeg om over de carrière van Merckx te praten. Over zijn eerste wereldtitel in 1967 in het Nederlandse Heerlen. Over een zege in Luik-Bastenaken-Luik, waar hij op honderd kilometer van het einde wegging. Over een identieke krachttoer in Parijs-Roubaix. Over al die andere klassiekers waarin hij steeds weer genereus met zijn krachten omsprong. Of over dat memorabele uurrecord in Mexico waarin hij in 1972 precies 49,431 meter reed en met een van zweet doordrongen gelaat kreunend en steunend van de fiets stapte. Het record zou elf jaar standhouden. Nooit, zegt Merckx, leed hij zoveel pijn als toen. Ook nu weer vertoont Merckx geen uiterlijke tekenen van emotie. Zo was het ook in zijn carrière : triomfen en tragedies verwerkte hij onbewogen. Die beheersing blijkt ook wanneer hij over de mindere momenten van zijn carrière spreekt. De Tour van 1975, waarin hij met een gebroken kaak het einde haalt nadat hij eerst op de Puy-de-Dôme een slag in de lever kreeg. Of de problemen met Rik Van Looy en Freddy Maertens, de enige twee renners waarmee hij in zijn lange carrière openlijk in aanvaring kwam. Het zit nog altijd diep dat Van Looy hem als neoprof bij Solo niet bepaald vriendelijk had onthaald, maar zich later wel in zijn wiel ketende. Het verdeelde wielerminnend België toen in twee bits rivaliserende kampen. En al even erg was de sinistere afloop van het wereldkampioenschap van 1973 in het Spaanse Montjuich toen Freddy Maertens achter hem reed, Felice Gimondi won en dezelfde Maertens achteraf met gladgestreken gezicht vertelde dat Merckx de koers aan de Italiaan had verkocht. Wat baat het, vraagt Merckx zich af, om daar nu nog over te zeuren ? Maar er helemaal over zwijgen, dat kan hij niet. Want zonder Maertens, zo weet Merckx zeker, was hij vier keer wereldkampioen geworden. De avond valt wanneer we Merckx vragen of hij zich na een carrière met 525 overwinningen in 1800 koersen ergens over beklaagt. Of er iets is dat hem spijt na een loopbaan vol bovenmenselijke inspanningen, met elf grote rondes, tweeëndertig klassiekers, drie wereldtitels, een werelduurrecord, vierendertig ritoverwinningen in de Ronde van Frankrijk waarin hij gedurende zesennegentig dagen de gele trui droeg, vijfentwintig etappezeges in de Giro waarin hij zesenzeventig dagen in de roze trui reed ? Merckx moet geen seconde nadenken. Hij vertelt over de val die hij in het najaar van 1969 maakte op de wielerbaan van Blois. Dat was voor hem mentaal een verschrikkelijke opdoffer omdat zijn gangmaker Fernand Wamst op slag dood was. De lichamelijke schade, beklemtoont Merckx, achtervolgt hem nu nog altijd. Er zijn momenten dat hij last heeft van een helse rugpijn. Na die val was hij in het klimmen nooit meer de oude. Want, zo betoogt hij, de kracht komt uit je rug en je krijgt dat grote verzet niet meer rond. In iedere koers opnieuw moest Merckx pijn verbijten, hij zat meer dan eens huilend op de fiets. Het is vanaf dat moment dat Merckx, de materiaalfreak, begon te sleutelen aan het zadel, altijd maar weer zoeken naar de juiste positie, om zo weinig mogelijk pijn te hebben, om het voor zichzelf wat comfortabeler te maken. Zonder die val, beklemtoonde hij, zou zijn carrière er anders uitgezien hebben. Anders, hoe anders ? Eddy Merckx, de man die van zijn carrière een onvolprezen meesterwerk had gemaakt, een artistiek hoogtepunt, zegt zonder verpinken : "Ik zou nog meer koersen met glans en panache hebben gewonnen."April 2003. Ons voorlopig laatste interview met Eddy Merckx. Als voorbeschouwing op de Ronde van Vlaanderen, de wedstrijd waarin Merckx dan nog als chauffeur van de koersdirecteur fungeert. Nog meer dan vroeger leeft hij op het ritme van de zakenman. Hij sleept overtollige kilo's mee en staat ons te woord tussen een beurs in Boston en Milaan, vertelt trots dat zijn omzet in vergelijking met het jaar voordien met vijftien procent is gestegen en dat hij niet de grootse fietsenconstructeur wil worden, maar wel de beste. "Ik leef niet meer met het verleden", zegt hij. Desgevraagd vertelt Merckx echter nog graag over zijn twee overwinningen in de Ronde van Vlaanderen. Hij herinnert zich messcherp ieder detail. De zege in 1975 bijvoorbeeld, waar hij op tachtig kilometer van de streep met Frans Verbeeck in de aanval trekt. De Brabantse melkboer, die nochtans een pijngrens kon doorboren, sterft haast in zijn wiel. Met één tempoversnelling kegelt Merckx in de laatste rechte lijn de uitgeputte Verbeeck uit het wiel. Zijn ogen glimmen bij de herinnering. En nog mooier, zo vertelt hij, was de zege in 1969. Merckx demarreerde weg uit een groep met verschillende Italiaanse vedetten : Felice Gimondi, Michele Dancelli, Marino Basso en Franco Bitossi. Hoe ze de krachten ook bundelden, ze zagen Merckx steeds verder wegrijden. Lachend herinnert Merckx zich hoe zijn ploegleider Lomme Driessens hem vroeg waar hij naartoe reed : "Ik zei : naar de streep." Merckx glimlacht. Hij won met acht minuten voorsprong. Driessens, zo zegt hij, moest zich van hem niet met de tactiek bemoeien, alleen met de organisatie van de ploeg. Zoveel jaar later steekt Merckx waarschuwend de vinger in de lucht : "Het was echt afzien om aan die kloof te raken. Want die Italianen, dat waren geen sukkelaars, die konden een stukje fietsen." Hij zucht, zoals hij dat zo vaak in zijn carrière deed. Zijn ontzag voor zijn tegenstanders valt telkens weer op. Een houding die voorvloeit uit zijn opvoeding, uit de levensles die zijn ouders hem meegaven : toon respect voor iedereen. Een paar weken geleden werd Eddy Merckx, inmiddels heel wat kilo's lichter, door Michel Wuyts geïnterviewd voor de Wielerspecial van Sport Magazine, die sinds dinsdag in de winkel ligt. Hij praat over gemiste kansen in de Ronde van Frankrijk. Hij vertelt dat hij er spijt van heeft uit de Tour van 1968 te zijn weggebleven omdat hij zich op zijn 23e nog te jong achtte. Hij heeft het nog even over 1973, toen de Franse pers hem liever niet zag komen omdat hij het record van Jacques Anquetil dreigde te evenaren. Door dat vijandige klimaat koos hij voor de Vuelta en de Giro. En hij staat stil bij de Toureditie van 1975 toen hij door die leverslag en kaakbeenbreuk veel van zijn mogelijkheden verloor. De optelsom was snel gemaakt. "Ik had", zegt Eddy Merckx, "acht keer de Tour kunnen winnen." In zijn stem klinkt spijt om de gemiste kansen. door Jacques SysIedere wedstrijd was een examen waarin Merckx een diploma van bekwaamheid moest halen.