Cyril Bernard Morrogh. Hij is het die ons land heeft leren voetballen. Cyril Bernard Morrogh was de zoon van een Ierse beroepsmilitair, die school liep bij de paters Jozefieten in Melle. Door zijn rode haar en sproeten kreeg hij de bijnaam Foxke. Op een goeie dag, in oktober 1863, bracht hij een bal mee naar school. Vandaag kunnen we het ons haast niet meer voorstellen, maar een bal hadden de Belgen toen nog nooit gezien. Morroghs landgenoten wel. Ze pakten de kleine Ier zijn bal af en begonnen ermee te voetballen. Op hun vraag maakte broeder Jean-Baptiste 's anderendaags met vier lange stokken twee doelen. Van dat moment af werd er elke dag gevoetbald op het college.
...

Cyril Bernard Morrogh. Hij is het die ons land heeft leren voetballen. Cyril Bernard Morrogh was de zoon van een Ierse beroepsmilitair, die school liep bij de paters Jozefieten in Melle. Door zijn rode haar en sproeten kreeg hij de bijnaam Foxke. Op een goeie dag, in oktober 1863, bracht hij een bal mee naar school. Vandaag kunnen we het ons haast niet meer voorstellen, maar een bal hadden de Belgen toen nog nooit gezien. Morroghs landgenoten wel. Ze pakten de kleine Ier zijn bal af en begonnen ermee te voetballen. Op hun vraag maakte broeder Jean-Baptiste 's anderendaags met vier lange stokken twee doelen. Van dat moment af werd er elke dag gevoetbald op het college. Jean Fraiponts (79) verzamelt al dertig jaar feiten en weetjes over de geschiedenis van het Belgische voetbal. Zo kwam hij deze anekdote op het spoor. Fraiponts, zelf een wandelende voetbalencyclopedie, ooit nog manager van Antwerp en veel later van Germinal Ekeren, waar hij als voorzitter Jos Verhaegen had aan wie hij als kadet nog training had gegeven, heeft zich tot levensdoel gesteld om alles over de populairste sport in België in een encyclopedie te gieten. Het eerste deel verscheen onlangs, delen 2 en 3 zijn zo goed als af - co-auteur Dirk Willocx, redacteur van het clubblad van R. Antwerp FC, moet nog wat gaatjes dichten. Volgend jaar zouden ze moeten verschijnen. "Normaal zal het daarna makkelijker gaan," zegt Fraiponts, "want er zijn steeds meer bronnen beschikbaar." Deel 1 gaat het over de echte pioniersjaren, van Morrogh in 1863 tot 1906, jaar waarin België Nederland verpletterde met 5-0, waarna de nationale ploeg door de verslaggever van het bondsblad La Vie Sportive met de bijnaam Rode Duivels werd bedacht. Wat moeten we ons voorstellen bij voetbal in de tweede helft van de negentiende eeuw ? "Dat het iets was voor uitgeweken Engelsen", antwoordt Fraiponts. "Dat zal je altijd terugvinden. Ik heb beschreven wat er gebeurde in dat pensionaat in Melle. Natuurlijk liepen daar ook Belgen rond, die door het spelletje gefascineerd raakten en ook met hun vriendjes wilden voetballen. Zo ontstaan er groepjes, clubs en als je clubs zegt, denk je aan competitie, en na een tijdje ben je vertrokken. Daarnaast waren er ook rijke Belgische kinderen die in Engeland studeerden en daar kennis maakten met het voetbal." Voetbal, stelde Fraiponts vast, was een elitaire sport in de beginjaren, geografisch beperkt ook. "Het valt op dat er slechts in bepaalde streken wordt gespeeld : rond Brussel, Antwerpen, Brugge en Verviers. Op een bepaald moment maken ze in Dolhain ook een ploeg, maar in die heuvelachtige streek een vlak terrein vinden is moeilijk, en dus staat er op hun veld een boom waar ze gewoon rond dribbelen. Dat kan je je nu niet meer voorstellen, maar toen konden ze daar mee leven."Zoals alles wat nieuw is, werd ook het voetbal aanvankelijk argwanend bekeken door de overheden en de politie. Maar, vonden Fraiponts en Willocx, de scholen promootten het spel omdat zij er de weldoende invloed op de jeugd van inzagen. "We vonden zelfs een abt, Jozef van Calloen, die het had over de pedagogische waarde van het voetbal." Hadden de katholieke scholen zich ertegen verzet, het voetbal zou misschien niet doorgebroken zijn. "Of met veel vertraging, want uiteindelijk breekt zoiets toch door. Zelf ben ik er altijd door gefascineerd geweest dat je in het voetbal jongens van allerlei standen verzamelde. Misschien zagen sommigen die mogelijkheden toen al, hoewel het in die tijd nog elitair was. En daarnaast was het voetbal ook een eenvoudig spel om een hele school rustig te houden." Wat hem het meeste frappeerde tijdens zijn onderzoek, was de verfransing van onze toenmalige samenleving. "Daar stond ik verstomd van", moet Fraiponts toegeven. "België was Franstalig, veel erger dan ik het ooit had gedacht. Kan jij je nu iets Vlaamser voorstellen dan Dendermonde ? Wel, die heetten daar de Association Athletique Termondoise. Roeselare, het nest van Rodenbach : de eerste club daar heette Union Sportif Roularienne. Sport was elitair en elitair was Frans. In het gulden boek van RC Mechelen vond ik een andere schitterende anekdote. De secretaris, die op de vergaderingen alle beslissingen voorleest, hoort op een zekere dag : 'Kan dat niet in het Vlaams ?' En dan vind je in de notulen van de club : ' Le monsieur veut maintenant que en vlaanderen vloms.' Onvoorstelbaar." Ook de bond was Franstalig bij uitstek. SportLeven verscheen pas in het Nederlands halverwege de jaren dertig, voordien was er alleen La Vie Sportive. "De grote koppen van de voetbalbond kwamen uit het Antwerpse, maar ook zij deden alles in het Frans", weet Fraiponts.Opvallend ook was hoe elke ploeg zijn Engelsen had. "Ook dat verraste me," aldus Fraiponts, "ik wist niet dat wij zo'n groot aantal vreemdelingen hadden. De industriële revolutie heeft een hoop Engelsen hier naartoe gebracht. In West-Vlaanderen had je er, in Kortrijk, maar ook rond Brugge. In Luik had je de mensen van Cockerill, in Antwerpen iedereen die met de scheepvaart te maken had. In de Albertina-bibliotheek vonden we een Engelstalige Belgische krant die één keer per week verscheen."De verplaatsingen gebeurden met het openbaar vervoer. "In het tweede boek komt er een anekdote daarover. Op een bepaald moment moet Brugge naar het Luikse. Omdat de uurregeling van de spoorwegen was veranderd, mist het een aansluiting. Later in de geschiedenis van de nationale ploeg herinner ik me een terugkeer uit Duitsland, waar België tegen een selectie uit het Rijnland had gevoetbald. De hele terugweg in derde klasse, op houten bankjes. Aangekomen in Brussel bleek dan dat de spelers van Brugge in het station dienden te overnachten omdat hun eerste trein pas 's anderdaags in alle vroegte vertrok en de bond het niet nodig achtte een hotel te reserveren."In den beginne speelden er ook Engelsen mee met onze nationale ploeg. " Thornton, de keeper, was een Engelsman. Soms protesteerde een andere federatie hiertegen, zoals de Franse. Je ziet ook dat de regels veranderen. GeorgeEbdin is een Unionist, die ook voor de nationale ploeg speelde, maar dan een tijdje verdween, om later plots terug te keren. Wat bleek ? De Fifa voerde een regel in dat wie tien jaar in een land woonde, ook voor dat land mocht uitkomen." Wat ook blijkt uit de prille geschiedenis van ons voetbal, is dat wij een land van foefelaars zijn. "Als je denkt dat omkoperij een recent fenomeen is... Al vóór de Eerste Wereldoorlog spelen er mensen voor geld. Niet openlijk, maar men geeft de spelers een job. In de voetbalbond is dat een serieus onderwerp van discussie. Het antiprofessionalisme is heel hevig bij die adellijke mensen. Sport, vinden zij, moet clean zijn."Er kwam, leerde Fraiponts, een onderzoek van. Spelers die profvoetballers waren, werden geschorst. Dat leidde dan weer tot een ander probleem, want daardoor was de competitie vervalst. "Tot men tot de conclusie komt dat kampioen Union op die manier de titel zou verliezen, omdat runner up Daring profiteert van de forfaits bij andere ploegen. En dan gebeurt er iets moois. De vertegenwoordiger van Daring staat op en zegt : 'Wij willen geen titel die we niet op het veld hebben gewonnen. Union mag kampioen zijn, zij waren de beste.' Stel je dat nu eens voor !"Of spelers in die beginjaren al veel trainden, konden de vorsers niet achterhalen. Fraiponts : "Wat we wel vonden, is dat de spelers van Antwerp die tijdens de week wilden trainen, al om zes uur 's ochtends op de wielerbaan van Zurenborg moesten zijn. Dat deden zij ook, ze hadden alles over voor hun elitaire sport. De internationals hielden tijdens het spel ook hun pet op, zodat iedereen kon zien dat ze een cap ( Engels voor 'pet', nvdr) hadden. Ook dat is nu niet meer voor te stellen. Ik hoor dat ze nu zelfs geen caps meer maken, omdat de spelers niet langer geïnteresseerd zijn. Ik zou verdorie te voet naar de bond lopen, om mijn klakske te halen." door Peter T'KintKroniek van het Belgisch voetbal (Deel 1, Pioniers en Rode Duivels (1863-1906)), 250 pagina's dik en voorzien van 200 foto's en illustraties, is een uitgave van Assoc.Be bvba. Bestellen door overschrijving van 42 euro (37 euro + 5 euro verzendingskosten) op rekeningnummer 731-0008798-43. Meer informatie op www.voetbalkroniek.be.'Jozef van Calloen, een abt, had het zelfs over de pedagogische waarde van het voetbal.'