Alle ploegen hebben de trainingen hervat, de voorbereiding op het nieuwe seizoen is begonnen. Ik had persoonlijk een bloedhekel aan deze periode en vooral aan die matchkes tegen kleinere ploegen. Op één uitzondering na, de openingmatch van het J.B. Derooverstadion in Machelen, mijn geboortedorp, tegen het Franse Valenciennes. Anderlecht won met 3-1 en ik scoorde het eerste doelpunt zoals in het scenario was voorzien.
...

Alle ploegen hebben de trainingen hervat, de voorbereiding op het nieuwe seizoen is begonnen. Ik had persoonlijk een bloedhekel aan deze periode en vooral aan die matchkes tegen kleinere ploegen. Op één uitzondering na, de openingmatch van het J.B. Derooverstadion in Machelen, mijn geboortedorp, tegen het Franse Valenciennes. Anderlecht won met 3-1 en ik scoorde het eerste doelpunt zoals in het scenario was voorzien. Het was de traditie dat de kapitein, Paul Van Himst, na de wedstrijd de matchbal meenam naar huis. Dat was buiten Jef Gillis gerekend... Die man was al honderd jaar - neen, dat is overdreven, laten we het houden op negenennegentig jaar - de terreinverzorger van CS Machelen. Toen we met de spelersbus wilden vertrekken, sprong Jef hevig gesticulerend voor de bus en eiste zijn bal terug. Niet onder de indruk van deze heldendaad sprak de toen al taalvaardige Jan Mulder de historische woorden: "Sodemieter op, man. Boerenlul!" Deze uitspraak is blijven hangen in het Machelse, want ze wordt nog geregeld gebruikt bij de thuiswedstrijden van de blauw-witten. Gewoonlijk is de scheidsrechter het doelwit. Vooral als er een nieuwe trainer was aangeworven, kon de eerste training interessant zijn. Bij de komst van George Kessler bijvoorbeeld. Spelers van de oudere garde, zoals Paul Van Himst, Georges Heylens, Jean Plaskie of Julien Kialunda moesten wel even slikken bij de eerste kennismaking met de Duitser. Vroeger was de eerste dag van het nieuwe seizoen een supplementaire vakantiedag, waarop het materiaal, schoenen, trainingspakken, truitjes, enzovoort werden aangepast. Er werd een stukje gegeten, een glaasje champagne gedronken en iedereen kon weer vertrekken. Maar niet deze keer! Er werd direct een pittige training ingelast, met als sluitstuk 15 keer 100 meter interval, met een maximumtijd. Wie erover ging, mocht herbeginnen. Kialunda en Plaskie hebben zeker 22 keer die afstand moeten lopen. Ik zie de Congolees nog kotsend over de omheining hangen. Met Hans Croon had ik al een aanvaring op de eerste dag. Ik moest na de training naar zijn bureau komen. Voor ik kon gaan zitten, stak hij al van wal: "Het gerucht doet de ronde dat jij het hoge woord voert in de kleedkamer en de boel een beetje zit op te jutten. Als je dat bij mij flikt, gooi ik je eruit, begrepen?" Eerst dacht ik te zeggen: "Sodemieter op, man. Boerenlul!" - ik had dat nog ergens gehoord - maar ik besloot het toch iets diplomatischer aan te pakken. "Hoelang denk je hier te blijven?", vroeg ik glimlachend. "Het kan hier soms vlug gaan, men is hier rapper buiten dan binnen!", voegde ik er serieus aan toe. Ik keek hem aan, deed de deur open en zei: "Misschien tot binnenkort, trainer." Een goed gesprek doet inderdaad wonderen, want ik heb nooit problemen gehad met Croon. Integendeel, hij maakte mij zelfs kapitein van de ploeg. Op de eerste training kom je ook je nieuwe collega's tegen. Die werden natuurlijk getest! Ik pakte Tony Rombouts aan, die kwam van Winterslag. Ik dacht alle Limburgers brave jongens waren, maar daar had ik mij even mispakt. Toen hij voor de eerste keer onze kleedkamer binnenkwam, noemde ik hem 'rosse', gezien zijn haarkleur. Hij zei niets, maar kwam recht op mij af, toverde zijn identiteitskaart tevoorschijn, hield die een millimeter voor mijn neus en zei: "Kun je lezen? Mijn naam is Tony Rombouts. Ben je slim genoeg om dat te onthouden?" Mijn ploegmaats lagen onder de bank van het lachen en ik stond daar met mijn mond vol tanden. Tijdens de eerste samenkomst met mijn nieuwe ploegmaats van Toulouse FC liet ik het voorkomen dat ik geen woord Frans sprak, zo kon ik rustig luisteren naar wat er over mij werd geluld. Het viel goed mee, juist Robert Pintenat, de midvoor en aanvoerder, had enkele opmerkingen. Na een drietal dagen pakte ik hem aan... in het Frans! Hij hoorde het in Keulen donderen. Maar zoals ik al zei: een goed gesprek doet wonderen, wij werden goede vrienden. Ik heb hem zelfs Hollands geleerd, maar hij had wel een beetje moeite met de uitspraak. "Sodemieter op, man. Boerenlul!", is dan ook niet het gemakkelijkste wat men kan aanleren aan mannen uit het zuiden van Frankrijk. "Sodemieter op, man. Boerenlul!"