De oorzaken van de buitenlandse instroom zijn talrijk, maar wat zijn de mogelijke oplossingen? Bij veel actoren drijft er één duidelijk boven: het optrekken van het minimum aan homegrown spelers. Dat is nu in elk land verschillend, maar onder meer Europarlementslid Ivo Belet (CD&V) ijvert al jaren voor één regel over alle competities, met vijftig procent eigen of in de competitie opgeleide spelers.
...

De oorzaken van de buitenlandse instroom zijn talrijk, maar wat zijn de mogelijke oplossingen? Bij veel actoren drijft er één duidelijk boven: het optrekken van het minimum aan homegrown spelers. Dat is nu in elk land verschillend, maar onder meer Europarlementslid Ivo Belet (CD&V) ijvert al jaren voor één regel over alle competities, met vijftig procent eigen of in de competitie opgeleide spelers. Stijn Boeykens van spelersvakbond ACV-CSC is echter sceptisch: 'Een onderzoek in opdracht van de Europese commissie in 2013 wees uit dat de homegrown-regel, die sinds 2005 geleidelijk werd ingevoerd, inefficiënt is. Het effect op de competitieve balans in het topvoetbal en op de jeugdopleiding blijft verwaarloosbaar. Meer nog: het aantal buitenlanders is in veel Europese competities zelfs gestegen. Een verstrenging van het homegrown-minimum - van 8 (sinds 2008/09 in de Champions/Europa League) tot 12 of 13 op 25 - zal allicht wel een groter effect sorteren. Maar dan verhoogt het risico dat een club of een niet-EU-speler dit juridisch aanvecht, als een inbreuk op het vrije verkeer van werknemers.' De regel alleen in België aanpassen vindt ook hier geen voorstanders. Binnen de Pro League is het zelfs geen onderwerp. 'Zeker de kleine clubs willen niet in eigen vel snijden', aldus Boeykens. Hij reikt reikt een andere oplossing aan: 'Het minimumloon voor niet-EU-voetballers (76.800 euro) verhogen, tot zelfs het niveau in Nederland (395.000 euro). Door de vermenigvuldigingsfactor van hun salaris op basis van het minimum voor Belgen en EU-burgers geleidelijk op te trekken van maal 4 tot maal 10 of zelfs 20. (zie kader, nvdr) Dat wordt wettelijk bepaald - de Pro League heeft daar (officieel) niets in te zeggen. Politici zijn daar echter niet happig op, door lobbywerk van de clubs. Voor de G5 is een fikse verhoging nochtans geen probleem, maar voor de elf andere, minder rijke clubs ligt dat moeilijker, want dan kunnen zij minder goedkope(re) niet-EU-spelers aantrekken.' 'Vaak opgeworpen argument om dat minimumloon níét op te trekken', zegt Boeykens, 'is dat de nog 'armere' volleybal- en basketbalclubs - veelal gesteund door politici, zoals Johan Vande Lanotte bij BC Oostende - dan geen Brazilianen of Amerikanen meer kunnen binnenhalen. Volgens de wet geldt die vermenigvuldigingsfactor immers voor álle niet-EU-sporters. Zo blijft alles al jaren bij het oude.' Hebben politici dan nooit maatregelen genomen om het aantal buitenlanders terug te dringen? 'Ja', zegt Boeykens. 'In 2003 werd de vermenigvuldigingsfactor voor het minimumloon van een niet-EU-speler verdubbeld van maal 2 naar maal 4 - nog altijd veel te weinig dus. 'In 2008 ging ook een nieuwe fiscale regelgeving in voege. Ervoor werden 'niet-rijksinwoners' slechts 18 % belast op hun loon. Daardoor verhuisden zelfs Belgische spelers van KRC Genk en KV Kortrijk naar Aken of Rijsel. Dat werknemersvoordeel werd in 2008 afgeschaft, maar niet naar de zin van Vande Lanotte, de sterke man bij BC Oostende. Plots moesten zij de 'normale' belastingtarieven, tot 50 % in plaats van 18 %, betalen. En dus werd onder druk van Vande Lanotte een nieuwe regeling uitgewerkt, ten voordele van de werkgevers over alle sporten. Clubs recupereren sindsdien 80 % van de bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze voor spelers ouder dan 26 jaar de helft van dat geld aan jeugdopleiding besteden. Voor spelers jonger dan 26 mogen ze de voorheffing zelfs helemaal voor zich houden. Dat moest meer geld creëren voor de vorming van Belgische jongeren, ten nadele van buitenlanders. Nu, acht jaar later, blijkt dat die maatregel geen effect gehad heeft.'