Na vorig seizoen dacht hij aan weggaan. Lamine Traore, aanvoerder van het nationale team van Burkina Faso, vond dat hij meer speelkansen verdiende. Toen plots ook Anthony Vanden Borre uit het niets als een komeet naar boven schoot, was voor hem de maat vol, maar een gesprek met de technische staf bracht hem weer op andere gedachten. Zijn eerste wedstrijd voor Anderlecht - een invalbeurt - dateert van februari 2001. Het was op S...

Na vorig seizoen dacht hij aan weggaan. Lamine Traore, aanvoerder van het nationale team van Burkina Faso, vond dat hij meer speelkansen verdiende. Toen plots ook Anthony Vanden Borre uit het niets als een komeet naar boven schoot, was voor hem de maat vol, maar een gesprek met de technische staf bracht hem weer op andere gedachten. Zijn eerste wedstrijd voor Anderlecht - een invalbeurt - dateert van februari 2001. Het was op Standard, het had gesneeuwd en de Burkinees droeg een masker vanwege een gebroken neus. Na dat seizoen werd hij opgenomen in de A-kern, maar veel spelen deed hij nadien niet meer. Vooral, zegt hij, wegens blessures aan enkel, kuit en rug. "Qua blessures heb ik weinig geluk gekend. Bizar, want in mijn eerste twee seizoenen hier had ik er geen enkele. Toen ik bij de A-kern kwam, is het begonnen. Ik begreep er niks van. Het is niet altijd gemakkelijk geweest daarmee om te gaan. Zeker als je jong bent is dat mentaal niet vanzelfsprekend. Niet spelen en altijd maar geblesseerd zijn, dat zijn tikken. Maar ik ben overeind gekrabbeld." De drie voorbije seizoenen vergaarde hij achttien speelbeurten. "Helemaal niet genoeg. Goran Lovre en Olivier Deschacht zijn van mijn generatie en zie eens wat die al gespeeld hebben. Daar ben ik nog ver van verwijderd. Daarom is dit pas mijn echte debuut." De wedstrijd tegen Valencia was een belangrijke waardemeter. De hele verdediging, hijzelf incluis, deed het niet slecht, vindt hij. "De beide doelpunten kwamen niet van de aanvallers, maar van infiltrerende middenvelders." Met grote wedstrijden heeft hij anders wel ervaring. De weinige keren dat hij de trainer (eerst Aimé Anthuenis, nadien Hugo Broos) uit de nood moest helpen, was het vaak tegen topploegen : Club Brugge in de competitie, Real Madrid en AS Roma in de Champions League. Heerlijke momenten waren het, zegt hij, maar geen cadeaus voor een jonge, onervaren verdediger. "Je moet er maar weten mee om te gaan, met zulke wedstrijden en alles eromheen. Het was indrukwekkend, maar ik heb me niet laten overdonderen. Integendeel, ik dacht bij mezelf : dit is een kans om te laten zien waartoe ik in staat ben. Moest ik dan wakker liggen van de reputatie van mijn tegenstander ? Nee, toch. Ik stapte het veld op met de vaste wil te laten zien wie ik ben. En om de kleuren van mijn club te verdedigen."