Net als naar Sclessin, het stadion van Standard, loopt de weg naar Buraufosse langs de Maas. Zware industrie op de rechter- en grauwe arbeiderswijken op de linkeroever. Wie aan de boorden van de stroom links afslaat, komt terecht in een buurt waar de tijd stil lijkt te staan. Spelende kinderen op straat of op een pleintje, een uitgebluste staalarbeider voor de open deur van zijn zwartgeblakerde woning en op de hoek de onvermijdelijke alimentation générale. Het dorpje, dat grenst aan de Cité Ardente, leunt tegen een heuvelrug met uitzicht op de Cockerillfabrieken. Letterlijk adembenemend.
...

Net als naar Sclessin, het stadion van Standard, loopt de weg naar Buraufosse langs de Maas. Zware industrie op de rechter- en grauwe arbeiderswijken op de linkeroever. Wie aan de boorden van de stroom links afslaat, komt terecht in een buurt waar de tijd stil lijkt te staan. Spelende kinderen op straat of op een pleintje, een uitgebluste staalarbeider voor de open deur van zijn zwartgeblakerde woning en op de hoek de onvermijdelijke alimentation générale. Het dorpje, dat grenst aan de Cité Ardente, leunt tegen een heuvelrug met uitzicht op de Cockerillfabrieken. Letterlijk adembenemend. In het centrum is het voortdurend klimmen en dalen en de zoektocht naar de vergeten voetbaltempel van wijlen FC Tilleur en het inmiddels ook al opgedoekte RTFC Luik is een tocht vol hindernissen. Eenrichtingsstraten, rechtsomkeert maken, nog eens de weg vragen. En dan verschijnt toch de knusse voetbalarena. Een typisch jarenvijftigstadionnetje naar Engels model met twee laterale tribunes. Eén met zit- en daartegenover één met staanplaatsen. Achter één van beide doelen een enorm talud met de staanplaatsen. Na de opslorping van Club Luik wist Tilleur onder de nieuwe naam RTFCL (Royal Tilleur Football Club Liègeois) even de schijn te wekken dat Buraufosse nog een toekomst had. De ambitieuze derdeklasser met onder meer Benoit Thans, Luc Ernes en Raphael Quaranta bracht bijna evenveel volk op de been als de ploeg die in de jaren vijftig en zestig in de hoogste klasse aantrad. "Maar", herinnert Thans zich, "de meeste supporters waren wel overgekomen van Club Luik, aanhangers van Tilleur waren er veel minder. We speelden elke thuismatch voor ongeveer achtduizend toeschouwers. Heerlijk spelen was dat. Vooral de bekermatch tegen RWDM, met elfduizend man, was er echt één van de grote dagen." Luik telde kort na de Tweede Wereldoorlog drie clubs in eerste klasse : Standard, FC Luik en het obscure Tilleur, dat in het eerste decennium een echte liftploeg was. Doelman François Daenen was de vedette, een volksheld pur sang. Een straatkeeper. Geen kapsones, geen franje, maar immens populair. Populairder in heel België dan pakweg Rie Meert, zijn generatiegenoot bij Anderlecht. Ondanks zijn status van international (17 caps tussen 1945 en '57) verliet hij Tilleur nooit. Hij werd er het symbool van de lokale hardwerkende mens. Aan zijn miraculeuze reddingen trokken de noeste arbeiders zich op. Tilleur heeft iets met mooie stadions. Vooraleer het in 1960 Buraufosse betrok, had het zijn thuisbasis aan de Pont d'Ougreé. Daar lag een stadionnetje dat tot de meest sfeervolle van het land behoorde, maar waar de club in 1958 wegens de expansiedrang van de Société Cockerill d'Ougrée gedwongen werd te vertrekken. Voor de club was het de tweede zware klap dat seizoen, na de degradatie uit de hoogste klasse. De buren van Standard reikten Tilleur de hand en boden de ploeg het hele seizoen 1958/59 onderdak op Sclessin. Tilleur stond op een keerpunt en het nieuwe stadion op Buraufosse, genoemd naar een aanpalende straat, gaf de club in 1960 nieuwe zuurstof. Vier jaar later stond Tilleur opnieuw tussen de elite. Het verblijf was van korte duur, maar drie jaar lang was Buraufosse wel een haast onneembare vesting. Het seizoen van de rentree eindigde Tilleur op een onverhoopte vierde plaats, achter kampioen Anderlecht, Standard en Beerschot. Om niet al te fel te lijden onder de concurrentie van Standard, dat twee kilometer verderop zijn wedstrijden om drie uur speelde, werkte Tilleur zijn thuismatchen af om vijf uur in de namiddag. Na het succesjaar schreef de club zich prompt in voor de Rappanbeker, een voorloper van de Uefabeker en genoemd naar de Zwitserse stervoetballer Karl Rappan. Het publiek liep er echter niet warm voor en Tilleur bleef achter met een financiële put. Twee jaar later zakte het voorgoed weg uit de hoogste afdeling. En weer kwam een ongeluk niet alleen, want tijdens de daaropvolgende winter begaf de zittribune het onder het gewicht van de sneeuw. Ondanks steunacties van de supporters, waardoor de tribune in een mum van tijd weer werd rechtgetrokken, zakte de club almaar dieper weg. In 1973 volgde zelfs de degradatie naar derde klasse. Vreemd genoeg noteerde Buraufosse in zijn eerste jaar daar zijn recordopkomst : voor de topper tegen Namen met de promotie naar tweede klasse als inzet daagden er maar liefst twaalfduizend toeschouwers op. Tilleur won met 3-0 en maakte opnieuw deel uit van de liga, maar meer zat er niet meer in. Integendeel. Door een administratieve blunder in 1977 û de club, inmiddels weer derdeklasser, had de lijst met beschermde spelers niet tijdig overgemaakt aan de voetbalbond, waardoor ze allemaal gratis weg konden û leek het einde van Tilleur nabij. Het was pas dankzij de solidariteit van de ligaclubs, die Tilleur uiteindelijk een minimumbedrag betaalden voor de overname van zijn spelers, dat het in derde klasse kon blijven spelen. Maar toprecettes bleven voortaan uit. De concurrentie met Sclessin was moordend, toeschouwers zakten na hun bezoek aan Sclessin niet meer af naar Tilleur. Ook de derby's tegen Andenne, Bas Oha en Namen waren van de kalender verdwenen. Het ambitieuze RTFCL vluchtte na één jaar tweede klasse al weg uit Buraufosse en zocht zijn toevlucht in het voormalige stade du Pairay van Seraing. Daar is het nu onder de naam Royal Club Liègeois actief in derde klasse. Ook op Buraufosse is de voetbalbedrijvigheid inmiddels hervat. Het opnieuw opgerichte Royal Tilleur Saint Gilles (derde provinciale) en Cité Sports, een club van het naburige Grace Hollogne (tweede provinciale) zijn de vaste bespelers. "De hoge staanplaatsen achter het doel zijn om veiligheidsredenen niet langer toegankelijk", zegt ons Giovanni Dolce, verantwoordelijk voor de lokale sportinfra- structuur. "Voor het overige is er niks veranderd, op enkele noodzakelijke werken aan het dak van de twee tribunes na. Het nieuwe Tilleur, dat in zijn eerste bestaansjaar al meteen promoveerde, moet het uithangbord worden. De club trekt gemiddeld driehonderd toeschouwers, wat voor derde provinciale een aardig cijfer is. Het is de bedoeling de mensen uit de buurt opnieuw naar het stadion te lokken, en voorlopig lukt dat. De club wordt zowel in de bestuurszetel als op het veld geleid door Ido Cremasco, één van de sterspelers van het grote Seraing, die ook nog bij Tilleur actief was." Zouden de grote tijden op Buraufosse dan toch terugkeren ? door Stefan Van LoockWegens de concurrentie van Standard speelde Tilleur om 17 uur in de namiddag.