De evolutietheorie volgens Julien Vleminckx
...

De evolutietheorie volgens Julien VleminckxJulien Vleminckx, al enkele jaren de éminence grise van het Belgische volleybal, heeft een indrukwekkende staat van dienst. De Leuvenaar kwam in 1954 in contact met volleybal en begon in 1961 aan een uitgebreide carrière als bondstrainer. Vleminckx : "Eerst als hulptrainer van Jean Servais en Achille Diegenant, vanaf 1966 als bondscoach. Ik heb toen met een uitgelezen lichting heel mooie dagen beleefd : Maes, Huybrechts, Mol, Gommeren, noem maar op. In 1987 bouwden we met Marc Spaenjers een nationaal team bijeen dat in eigen land zevende werd op het EK. Never seen before." In 1989 werd Vleminckx technisch directeur van de Vlaamse Volleybalbond en zette hij zich vooral in voor de jeugdwerking in Vlaanderen. In 1996 trad hij uit functie. Als bondscoach maakte hij vier EK's, drie WK's, vijf Universiades (als technisch directeur) en de Olympische Spelen mee. "Toen behoorden we nog tot de grote mensen. We werden in Mexico achtste op tien, voor - stel je voor - Brazilië en Mexico." Sindsdien evolueerde het volleybal sterk. Vleminckx : "De meesten zullen wellicht het rallypointsysteem naar voor schuiven als grootste wijziging. Maar het is áltijd moeilijk om mensen hun gewoontes te veranderen, want ze verkiezen de ongemakken van de status-quo boven het onbekende. Ik heb het meegemaakt in 1968/69. Toen was er ongelooflijk veel protest tegen de invoering van de antennes. Die stok die zo lullig boven het net uitstak aan twee kanten : dat kon toch niet. Maar achteraf is het een goed initiatief gebleken." Vleminckx zag nog andere ingrijpende veranderingen. "Tactisch was er de omschakeling van meerdere passeurs naar één. Aanvankelijk werd met drie spelverdelers en drie aanvallers uitgepakt. Daarna werd overgestapt naar twee passeurs en vier aanvallers. In mijn tijd zorgden Maes en Mol voor de distributie, Huybrechts, Gommeren, Poosen en Dierickx voor de afwerking. Onder invloed van Japan is men vervolgens naar het 1-5-systeem geëvolueerd. De legendarische Japanse bondscoach Matsudera tekende begin jaren zeventig dat systeem uit. Japan won toen met zijn snelle volleybal meteen de gouden Olympische medaille in München." De weg naar het combinatievolleybal lag meteen open. "Eerst keerde men nog even terug naar een 2-4-systeem, maar eerder als hulpmiddel, in geval van nood. Nadien is men gebruik beginnen maken van de snelle steekpasses tegen het net en daarna volgde het tempovolleybal met combinaties, met de penetratie van de spelverdeler als die achterspeler was. De combinaties kort en half voor de passeur, kort en gestrekt achter, de staffel, schijnbeweging voor de afstoot : ook hier kwamen de eerste impulsen van Japan." De driemeteraanval was ook een van die indrukwekkende nieuwigheden. De gemiddelde lengte van de spelers klom en hun atletische mogelijkheden stegen evenredig zodat ze ook vanuit het achterveld snoeihard konden uithalen. Vleminckx : "Die driemeteraanval is er eerder toevallig gekomen. De boomlange Hongaar Lazlo Buzekpeerde een pass - die voor een voorspeler bedoeld was maar te ver van het net wegzeilde - van achter de driemeterlijn onhoudbaar in het tegenkamp. Maats en tegenstanders stonden met open mond aan de grond genageld. Zo'n indrukwekkende uithaal." De sprongopslag was de volgende, offensieve stap. "En ook ten opzichte van die jumpservice stond men aanvankelijk heel sceptisch. Hij zou de receptie danig teisteren, zodat er nog nauwelijks enige opbouw en rally's zouden zijn en alle spektakel uit het volleybal zou wegvloeien. Achteraf is ook dat vooroordeel door de realiteit achterhaald, want spelers zijn zich meteen gaan specialiseren in de receptie." En hier komt de libero zijn rol spelen. Vleminckx : "Een goede uitvinding. Zo krijgen spelers met een kleinere gestalte nu ook de kans om in de basiszes mee te draaien en zelfs meer aan de bal te komen dan de aanvallers. Daarenboven verhoogt de libero als gespecialiseerde stopper het niveau van de receptie en laat hij de spelverdeler toe om gevarieerder te spelen." Vleminckx zette zich jaren in voor het jeugdvolleybal. Het doet hem dan ook pijn aan het hart om de Belgische topclubs met vijf buitenlanders in de basis te zien spelen. "Klopt, maar ik stel me ook in de plaats van de clubs : als je ambities hebt, kan je bijna niet om buitenlandse inbreng heen. Het is een spijtige zaak, maar de buitenlanders die hier neerstrijken en geld komen verdienen zijn gevormde kerels, terwijl jeugdige beloften zelfs op hun achttiende nog moeten opgeleid en geschaafd worden. Die evolutie naar meer buitenlanders is niet meer te stoppen. Ze doet zich in alle sporten voor. In het basketbal speelde men bij sommige clubs op een bepaald moment ook met vijf importspelers. Tot er een strekking tegen dat overschot aan buitenlanders kwam. Maar die beweging is een stille dood gestorven. In principe zouden de bondsverantwoordelijken moeten ingrijpen en clubs verplichten om minstens vier inlanders op het wedstrijdblad te zetten. Oké, misschien zullen ze niet meespelen in de basiszes, maar ze zullen tenminste meetrainen en meeproeven van topvolleybal en zo sneller groeien."De gouden vingers van Roger MaesZoals je appelen niet met peren vergelijkt, vergelijk je ook geen volleybalgeneraties en -spelers. Ook al omdat volleyballers elk hun specifieke rol hebben : passeur, middenman, libero, aanvaller. Daarom ook noemen we Roger Maes niet de beste Belgische volleyballer aller tijden. We beperken ons tot : Maes was een genie. Op veel vlakken. Bijvoorbeeld : wie per ongeluk door een kapot stuk dak van acht meter hoog naar beneden dondert op een betonnen platform, doodleuk even het stof van zijn broek veegt en rustig wegwandelt, heeft iets meer dan een normaal mens. Het overkwam Roger Maes in Bulgarije, tijdens een stage met de nationale ploeg, toen hij een verloren bal uit een dakgoot ging wegplukken. De Gentse ex-brandweerman was spelverdeler maar kon alles : aanvallen, serveren, de receptie opvangen. Er werd gezegd dat hij gouden vingers had. Hij werd vier keer verkozen tot Speler van het jaar en haalde titels en bekers bij Torhout en Kortrijk. Maes was bovendien een begenadigd voetballer, basketballer, turner en tennisser. Bovenal was hij volleybalinternational. Roger Maes : "Ik kwam in 1962 in de ploeg, mijn laatste interlands speelde ik op het EK van 1979." In die tijd groeide België uit tot een subtopper. "We hebben wel wat geduld moeten oefenen. In 1962 eindigden we als 24ste op 24 op het WK in Moskou. In 1966 waren we zestiende, in 1970 achtste. Nu wil men direct resultaat. We hadden toen ook de ploeg voor die subtop. We kwalificeerden ons voor zowat alles : Olympische Spelen, WK, EK. Maar eind jaren zeventig viel het Belgische volleybal stil, de bond volgde niet meer. En dat terwijl Nederland, Italië en andere landen wél initiatieven rond de nationale ploeg namen. Met de gekende gevolgen." Waarom lukte het in de jaren zeventig wel ? Maes : "We hadden een heel goed sportief-technisch kader. Bondscoach Nicolau was op technisch vlak de beste speler van Europa geweest en Julien Vleminckx kon de ploeg mentaal goed samenhouden. Nu staat Marc Spaenjers er helemaal alleen voor. Ik moet er wel meteen bij vertellen dat de spelers in mijn tijd niet betaald werden. We vonden dat normaal. Ik herinner me zelfs dat ik eens drie weken verlof zonder wedde nam om mee op stage te kunnen naar Bulgarije." Maes stopte in 1979. Is het toeval dat de nationale ploeg toen aan de terugweg is begonnen ? "Het heeft enkel met de federatie te maken. Die is blijven stilstaan, en dat betekent achteruitgaan. In 1979 zijn we op het EK in Frankrijk laatste geworden. Het jaar voordien was ik mee als assistent-trainer van Nicolau naar het kwalificatietoernooi in Joegoslavië. Ik heb toen in de slotwedstrijd moeten bijspringen opdat we ons zouden kwalificeren. Dat was al een teken aan de wand. Nochtans, er was talent : Vangheluwe, Claerman, Beke, Evens, Cautaerts, Debrandt. Maar er kwamen geen middelen meer los. In de jaren zestig, tot halfweg de jaren zeventig liep de bondskas ook niet over, maar we werden geregeld uitgenodigd in het buitenland voor stages. We kregen alles gratis, op de vlucht- of buskosten na. We zijn zelfs door China uitgenodigd nadat we hen op het WK hadden geklopt. Drie weken ter plaatse, voor niks." Tussendoor kende de nationale ploeg nog één piek : het EK in 1987 dat uitgebreid was voorbereid met onder meer een stage in Lanzarote. Belgium eindigde toen verbluffend als zevende. Maes : "Laat me die zevende plaats even in zijn context plaatsen. België heeft toen maar één wedstrijd echt gewonnen. Was de Zweed Björne niet op doping betrapt, dan had België voor die bewuste wedstrijd geen forfaitzege cadeau gekregen en eindigde het elfde op twaalf. Als je A zegt, moet je B zeggen." Volleybalnomade Nancy CelisAls iemand het Belgische vrouwenvolleybal kan vergelijken met wat op de Europese markt te koop is, zal het Nancy Celis wel zijn. Ze doorkruiste als topspeelster zowat heel West-Europa. Op haar achttiende begon ze aan haar internationale tocht. "Ik werd eerst aangetrokken door het Duitse Feuerbach, een topclub die een paar keer de beker gewonnen heeft. Ik ben er drie jaar gebleven en ben er Duitse geworden om voor de Duitse nationale ploeg geselecteerd te kunnen worden. We hebben met dat team een paar keer de wereldkampioenschappen gespeeld en deelgenomen aan de Olympische Spelen. In Atlanta werden we zevende en ik werd als vierde beste aanvalster uitgeroepen." Na drie jaar Feuerbach trok Celis drie jaar naar Lohoff. Nadien volgde Italië : drie jaar Milaan, vervolgens Agrigento. Na een ommetje via Madeira en drie jaar Münster, trok ze opnieuw naar het zuiden : Regio Calabria, het Turkse Ankara en een half jaartje Spanje, om uiteindelijk terug thuis te komen bij Tongeren. Celis : "Nu laat ik het volleybal een tweetal jaar in de kast liggen en daarna zien we wel." Na vijftien jaar buitenland is Celis ook in staat de evoluties in het vrouwenvolley te beoordelen. "Men keert nu stilaan terug naar het volleybal van vroeger. Van snelheid naar hoog en zekerheid. In Italië, bijvoorbeeld, is men ook afgestapt van combinaties en wordt meer van positie vier aangevallen. Al gaat het nog altijd behoorlijk snel. Met het rallypointsysteem zal zich dat nog accentueren : zekerheid, punten scoren, zonder veel tierlantijntjes. Eind jaren tachtig was het damesvolley een service-receptiespel, zonder rally's. In de jaren negentig was in Duitsland alvast de specialisatie doorgedrongen. Maar hier in België was de opslag inderdaad wel een wapen. Ik vond hier in mijn archieven terug dat ik met Herentals ooit eens een hele set heb uitgeserveerd." Het verschil met het Italiaanse of Duitse volley blijft groot, zegt Celis. "Het spel van Kieldrecht is uiteraard fel geëvolueerd, maar ik vind het desondanks nog altijd traag, niet echt vlot in vergelijking met Italië of Duitsland. Ik vrees dat Kieldrecht in een poule met Italiaanse of Duitse teams die beker niet zou gehaald hebben. Maar met het rallypointsysteem kan België misschien toch vlug aansluiten bij de Europese top. Je moet niet zo lang meer trainen als vroeger. In België werd altijd al minder getraind en de betere Europese teams hebben hun oefenvolume wat verlaagd. Dat kan perspectieven openen."door Marc Lerouge