'De moeder van Anderlecht'

Café La Coupe tegenover het Anderlechtstadion
...

Café La Coupe tegenover het Anderlechtstadion Michou Dehenain heeft net haar 75e verjaardag gevierd. Op Tenerife. Daar woont ze tegenwoordig, samen met haar maman. 'Het leven is er goed.' En toch. Diep vanbinnen bloedt haar mauve hart. 'Liever zou ik nog elke dag om negen uur achter de toog van La Coupe kruipen.' Dat is het café tegenover het Anderlechtstadion dat ze in 1983 overnam. 'Maar er blijft in de buurt geen Belgisch cliënteel meer over. Autour du stade, c'est mort. 'Dood', comme on dit en néerlandais. De niet-Belgen gaan naar hun eigen cafés. En in de Simonetzaal, waar ik vroeger minivoetbalteams trainde, spelen geen Belgische ploegjes meer. Dus doe ik al tien jaar lang enkel nog open op wedstrijddagen, als Anderlecht thuis speelt. Is de match op zondag, dan stap ik op vrijdag op het vliegtuig en keer ik op dinsdag terug naar Tenerife. Het doet pijn, ook financieel. De coronacrisis maakte het nog moeilijker. En dan is er ook nog die verhuis van de club die in de lucht blijft hangen.' ( zucht)Het begon nochtans goed in de Théo Verbeecklaan. Na haar barre scheiding was La Coupe 38 jaar geleden voor Michou een meisjesdroom die uitkwam. 'Al sinds mijn tweede ben ik supporter van Anderlecht. De microbe wordt in onze familie al jaar en dag doorgegeven, zowel langs de kant van mijn vader als langs die van mijn moeder. Ik heb mijn moeder bijna een proces aangedaan, omdat ik in onze familie de eerste was in decennia die niet in Anderlecht werd geboren - mijn moeder liep net op de markt in Sint-Gillis, Rue Jourdan, toen ze haar weeën kreeg. De ziekenwagen bracht haar naar Elsene. Maar mijn liefde voor de club is er niet minder om. En ik gaf die liefde op mijn beurt aan mijn dochter door.' In tegenstelling tot het veeleer elitaire restaurant in Ukkel dat ze met haar ex-man uitbaatte, Le Caporal Epinglé, heeft La Coupe een uitgesproken volks imago. Michou maakte er een half RSCA-museum van. Zo hing ze in haar zaak een origineel tapijt op uit de loges en business-seats van het Anderlechtstadion. Ook sjaals en een massa foto's prijken er aan de muur. 'Elk van onze 34 kampioenenploegen heeft hier een plaatsje, ook die van het team dat de titel pakte in het seizoen dat ik geboren werd, 1946/47. ' Bij de fanions wijst Michou trots naar de wimpel van 1976, toen Anderlecht op de Heizel als eerste Belgische club ooit een Europese beker pakte, tegen West Ham, de Beker der Bekerwinnaars. Die dag keerde ze terug naar Anderlecht op de motorkap van de auto die haar vader toeterend bestuurde. In de jaren tachtig kwamen de spelers van Anderlecht regelmatig in La Coupe over de vloer. 'Het tijdperk van de Denen', knikt Michou. 'De spelers moesten eigenlijk op de club eten, maar 's vrijdags stond daar vis op het menu. Daar hield Morten Olsen niet van. Dan kwam hij bij mij een steak champignon eten.' Haar ervaring in de keuken van Le Caporal Epigné kwam Michou en de Anderlechtspelers van pas. Ik bouwde ook een goede band op met meneer Verschueren ( Michel, manager van Anderlecht van 1980 tot 2003, nvdr). Toen hij me voorstelde aan mensen, zei hij steevast: 'Dit is de moeder van Anderlecht.' En in de jaren negentig sprong Pär Zetterberg regelmatig mijn zaak binnen om een spaghetti te eten. Bertrand Crasson kwam ook langs, en Luis Oliveira natuurlijk.' De laatste die na elke match binnensprong, was Guillaume Gillet, vertelt Michou. 'En toen ik een paar jaar geleden Alexis Saelemaekers eens ontmoette in een restaurant, vroeg ik hem om ook eens binnen te komen na een wedstrijd. 'Voor supporters is dat nog altijd het grootste plezier, ' zei ik hem, 'zelfs al blijf je maar tien minuutjes.' Alexis heeft geluisterd. Maar intussen is ook hij al weg. Die andere jongens die ik op hun 18e leerde kennen, die van mijn minivoetbalteams, komen op matchdagen wel nog langs. Dat is plezierig. Zij zijn intussen 30 jaar ouder, getrouwd, vader geworden, gescheiden, in een nieuwe relatie gestapt. Zelf heb ik na mijn scheiding niemand meer gevonden met wie het echt klikte. Dus ben ik met Anderlecht getrouwd.' Café Change tegenover het BeerschotstadionTom De Meirleir (50) is een kind van het Kiel. Hij beleefde er zijn tienerjaren op de kruising van de Abdijstraat en de Wittestraat, in het café van zijn ouders, de Special. Een echt volkscafé op een boogscheut van het olympisch stadion. Om de twee weken troepte een mauve meute samen in de Special. 'In die tijd verkochten wij in het café nog tickets voor de match. Als er een derby was, kwamen zelfs Antwerpsupporters bij ons hun kaartje kopen.' Een van de vaste klanten in de Special was voormalig Feyenoordspits Nico Jansen. 'Hij kocht in 1994 de zaak tegenover het Beerschotstadion', vertelt De Meirleir. 'Daar was vroeger De Goal geweest, een berucht café waar de harde kern over de vloer kwam en er weleens een molotovcocktail tegen de gevel vloog. Nico wilde een andere weg inslaan en zette dat in de verf met een nieuwe naam: Change. Er kwamen een schone, ronde toog en twee veranda's, het werd eerder een taverne. Nico zorgde er ook voor dat het interieur sport ademde. 'Ik maakte mijn intrede in de Change als diskjockey. Een jaar later runden Nico en ik het café samen. Toen hij in 1996 een zaak opende in Sint-Amands, nam ik de Change over. Het was nog de tijd van het oude Beerschot, de tijd van Paul Nagels ( oud-voorzitter, nvdr), Paul Francken en Krzysztof Stefanski ( ex-Beerschotspelers, nvdr). Er zijn altijd veel voetballers, trainers en bestuurders langsgekomen in mijn zaak. Logisch: de Change ligt bij de enige in- en uitgang van het stadion, en ik loop hier elke dag rond. Eerst steek je eens je hand op, dan ontstaat er eens een gesprekje, na een tijdje komen ze eens binnen. Franky Van der Elst, Willy Wellens, Harm van Veldhoven, Adrie Koster, allemaal hebben ze hier regelmatig gezeten. Jos Daerden heeft hier zelfs nog overtuigend liedjes van André Hazes gezongen. 'In een discotheek', dat kent de Jos helemaal uit het hoofd. Ook memorabel in de Change is de vrouwelijke pop aan de toiletten, die Jansen indertijd in een mauve Beerschottenue liet steken. De Meirleir: 'Ken je die beeldjes waar mensen over wrijven terwijl ze een wens doen? Die pop wordt hier door veel supporters ook zo gebruikt. ( lacht) Fans wrijven eens over haar borsten en denken dat dat Beerschot aan een overwinning kan helpen. Vroeger hadden we hier twee zulke poppen. Maar Paul Nagels wou er een. Toen hij maar bleef zeuren, heb ik hem er uiteindelijk een verkocht.' Het valt te hopen voor Nagels dat hij in 1999 troost vond bij die pop toen Beerschot onder zijn leiding failliet ging. Maar de paarse ziel herrees. Nieuwe legendarische momenten volgden: Marc Degryse die zijn carrière afsloot op het Kiel, Germinal Beerschot dat de beker pakte, de match in Marseille, François Sterchele die zijn hand zo dikwijls voor zijn oor draaide dat er een Gouden Stier op zijn shirt verscheen. De Meirleir hing de Change vol met verwijzingen naar zulke topmomenten. Maar in 2013 ging de club opnieuw over de kop, die keer vakkundig in de afgrond gemikt door Patrick Vanoppen. Wéér kneep De Meirleir de benen dicht. 'Het voetbal zorgt in dit café voor het grootste stuk van de taart, voor 60 à 70 procent van de inkomsten. Dus lig je bij zo'n failliet wakker.' Uiteindelijk zorgde de hulp van toenmalig eersteprovincialer KFCO Wilrijk voor een herstart en knokten de Ratten zich weer tussen de grote jongens, zoals in de goede oude tijd. Maar in de horeca gaat het allang niet meer zoals vroeger, toen zich bij thuismatchen van Beerschot aan de Change een ware mensenzee vormde, waar je enkel met veel moeite door geraakte. Ook zie je spelers na een match geen zotte kuren meer uithalen aan de toog van Tom. 'Iedereen loopt op zak met een smartphone waar een camera inzit, daar houden die jongens niet van. Ze zoeken nu liever de anonimiteit aan de rand van de stad.' Toch blijft De Meirleir zijn Change elke dag met een smile binnenstappen. 'Een klapke doen met Jan met de pet én met de voorzitter, met de metser en de bankdirecteur, ik vind dat zo plezant. Al die mensen soigneren, een grapje links en rechts, en vooral: hun namen onthouden. Als je iemand al na een paar keer persoonlijk kunt aanspreken, appreciëren de mensen dat. Gelukkig heb ik nog een goed geheugen, ik ben nog een jonge gast - ik ben pas vijftig. Ik ga dus nog een tijd door. En als de club verhuist, verhuis ik mee. Trainers, spelers, bestuurders komen en gaan. Supporters blijven. Ik dus ook.' Café Dug-Out tegenover stadion van Eendracht Aalst In de Bredestraat in Aalst, tegenover het Pierre Cornelisstadion, prijkt de Zwawi op de gevel van café Dug-Out. De Zwawi is de ajuinvormige mascotte van Den Iendracht. Hij dankt zijn naam aan de zwart-witte clubkleuren. Ook binnen in het café verwijzen verschillende attributen naar de club aan de overkant, zoals een foto van terreinverzorger Vital Troch en een bronzen Zwawi. Maar nog veel opvallender is de mozaïek van meer dan vijftig voetbalsjaals die het etablissement kleuren. Het was de vorige uitbater, Luc Simal (66), die het concept lanceerde. 'Ik pikte het idee in de jaren negentig op Rhodos', vertelt hij. 'Mijn vrouw en ik zagen er een cafeetje waarvan de uitbater Stavros heette. Die naam sprak ons aan, omdat in die tijd een personage met dezelfde naam meedeed in het tv-programma Lili En Marleen. 'Hier moeten we eens iets komen drinken', zei ik. Stavros had voetbalsjaals opgehangen in zijn zaak. Ik bracht er uit Griekenland direct enkele mee, waaronder die van Panathinaikos. Klanten zagen het en begonnen er ook van overal mee te brengen. Ik kreeg ze cadeau in ruil voor een pintje of twee. Na een paar jaar hing het café zo goed als vol. 'Belgische sjaals hing ik niet op. Als je tegenover een stadion zit, krijg je misschien supporters van die clubs over de vloer. Als de ene sjaal dan wel ophangt en de andere niet, ontstaan er discussies. Wat ik wel ook een plaatsje wilde geven, waren vlaggen en badhanddoeken van grote clubs, van Real Madrid, AC Milan, Inter, Arsenal, Manchester United - daarmee begon ik de nok van het dak te versieren. Vroeger hing daar ook een vlag van Wales tussen, maar die is eens gepikt door supporters van La Louvière. Zo'n draak op een groen-witte achtergrond, dat is ook hun fetisj. Maar al bij al is er weinig verdwenen in die twintig jaar dat mijn vrouw en ik samen in de zaak stonden. 'Het was haar idee om het café over te nemen. De eerste jaren was het: broeksriem toe. Nadien begon het te lopen. Dankzij haar. Ze is niet op haar mondje gevallen. We bouwden een vast cliënteel op dat ook doorheen de week kwam. Dat was nodig, want enkel met het volk dat naar het voetbal komt, redden wij het niet. Het voetbal was een surplus. Zeker in de gloriejaren was het een schoon extraatje, de tijd van de matchen tegen Levski Sofia en AS Roma ( 1995, nvdr), de jaren met Jan Ceulemans als trainer. Hij kwam ook regelmatig ne pot drinken. Zijn pilsje was altijd in twee teugen leeg. In die periode sprongen ook de spelers nog geregeld binnen, zeker na een uitmatch. Als ze gewonnen hadden, kregen ze een gratis pint van mij. Als ze verloren hadden niet. Dan lieten meestal ook maar één of twee gasten zich zien.' Intussen geniet Simal met zijn vrouw van het pensioen. Eendracht Aalst, dat is afgegleden naar de tweede amateurklasse, heeft hij losgelaten. 'Ik ben ontgoocheld in de gang van zaken bij de club. Ik heb te veel gezien, te veel gehoord. Ik kan er een bibliotheek over schrijven.' Ook het caféleven rond het stadion is sterk teruggevallen. Van de vier etablissementen die de Bredestraat vroeger rijk was, is Dug-Out het enige dat is overgebleven. Stefaan De Decker (36) heeft het vier jaar geleden overgenomen van Simal, inclusief de sjaals. Af en toe komt er nog een exemplaar bij, vertelt De Decker. 'Een van mijn vaste klanten is Altin, een Italiaan die enkele jaren geleden in Aalst kwam wonen. Hij vroeg mij een tijd geleden of hij ook een sjaal mocht meebrengen van zijn ploeg, Sampdoria. Die hangt nu dicht bij het plaatsje waar Altin altijd zit.'