Geert Declercq, orthopedisch chirurgOrthopedisch chirurg Geert Declercq (52) heeft 22 jaar ervaring en is verbonden aan het orthopedisch centrum SPM in Deurne. Als een van de absolute autoriteiten in zijn vak herstelde hij de geteisterde ledematen van onder meer Marc Wilmots, Enzo Scifo, Pär Zetterberg, Emile Mpenza, Geert De Vlieger, Alan Haydock, Daniel Cruz, Jelle Van Damme, Gill Swerts, Moussa Dembélé, Thomas Buffel, Bob Peeters en Nicolas Lombaerts. Sporters die bij hem komen, prijzen hem om zijn kunde, maar ook om zijn diepmenselijke aanpak.
...

Geert Declercq, orthopedisch chirurgOrthopedisch chirurg Geert Declercq (52) heeft 22 jaar ervaring en is verbonden aan het orthopedisch centrum SPM in Deurne. Als een van de absolute autoriteiten in zijn vak herstelde hij de geteisterde ledematen van onder meer Marc Wilmots, Enzo Scifo, Pär Zetterberg, Emile Mpenza, Geert De Vlieger, Alan Haydock, Daniel Cruz, Jelle Van Damme, Gill Swerts, Moussa Dembélé, Thomas Buffel, Bob Peeters en Nicolas Lombaerts. Sporters die bij hem komen, prijzen hem om zijn kunde, maar ook om zijn diepmenselijke aanpak. "Puur fysiek gezien zijn er nog zwaardere sporten, zoals handbal. Het is echter wel zo dat voetbal zowel een contactsport is als een loopsport waarbij je heel veel draaibewegingen maakt. Dat leidt tot twee soorten blessures: contactletsels en torsieletsels. Als iemand zwaar getackeld wordt, is dat een ander type blessure dan wanneer je met je voet in de grond blijft steken. Door de betere beenbeschermers zien we iets minder fracturen van het onderbeen dan vroeger. De echt zware breuken zijn in de minderheid in vergelijking met letsels aan de ligamenten. Op zich zijn breuken tamelijk vlot te genezen: bot moeten wij normaal gezien goed weer aan elkaar krijgen. Maar er kunnen wel wat complicaties optreden; belangrijke spierscheuren errond, kraakbeenletsels, botsplinters." "De voorste kruisband van de knie die afscheurt. Je kan een kruisband ook afscheuren door een tackle, maar meestal is het de voet die wat blijft steken in het gras, je krijgt een draaiende kracht op de knie, waardoor die kruisband afscheurt. Een ander voorbeeld van een torsieletsel ontstaat bij de klassieke balblokkage. Heel vaak zie je niets aan de enkel, maar wordt de kracht getransfereerd naar de knie, waar je dan een verrekking aan de mediale of binnenste band krijgt. Je bent dan zes weken tot drie maanden buiten strijd, maar in 95 procent van de gevallen geneest zoiets wel zonder operatie." "Als de kruisband echt afgerukt is van het bot, bestaan er wel technieken om die daar weer op te hechten, maar de resultaten zijn niet goed. Bovendien scheurt de kruisband in de meeste gevallen niet aan het bot, maar in de kruisband zelf, en dan is dat precies spaghetti. Die band is uitgerokken en uitgerafeld en dan heb je dus slierten. Dat kan je niet hechten. Bovendien zit je met het probleem dat het knievocht bij zo'n scheur die vezels als het ware begint aan te vallen, waardoor je soms zelfs bijna geen kruisband meer terugvindt als je een paar weken later een kijkoperatie doet. Wat doen we dan wel? Een nieuwe kabel spannen. Daarvoor gebruiken we meestal één of twee pezen uit de hamstrings, of het centrale stuk van de patellapees aan de knie." "Je probeert de originele anatomie zo goed mogelijk na te bootsen en met de moderne technieken slagen we daar zeer behoorlijk in. De statistieken zijn er: meer dan 90 procent van de voetballers speelt ermee zonder problemen. Als je de geopereerde knie echter gaat vergelijken met de andere kant, dan merk je soms dat die wat stijver is. Wat we waarschijnlijk nog niet zo goed kunnen, is de juiste proprioceptieve signalen erin krijgen. Door te rekken en te bewegen geeft een kruisband signalen naar je hersenen, zodat je weet hoe je je been in de ruimte houdt. Als we erin slagen om die zenuwuiteinden er nog iets beter in te krijgen, zullen we nog betere resultaten krijgen. Maar we scoren heel goed met kruisbandchirurgie. Wanneer iemand toch problemen blijft ondervinden, heeft dat vaak te maken met secundaire letsels van de meniscus en het kraakbeen." "Je moet dat in zijn context zien. Alles hangt af van waar de schade zich precies bevindt en hoe groot ze is. Kraakbeen regenereert zichzelf niet, en daar hebben we nog geen echt goede oplossing voor. Als je bot breekt, dan heelt dat met bot. Maar als je in je huid snijdt, dan komt er littekenweefsel in de plaats. Dat is met kraakbeen net zo. Als er iets in de plaats komt, is het fibreus ( vezelachtig, nvdr) kraakbeen, littekenkraakbeen. Dat is van minder goede kwaliteit dan het origineel, maar voor beperkte letsels is het goed genoeg. "De meest toegepaste behandeling is de microfractuurtechniek. Via een kijkoperatie worden er heel fijne boorgaatjes gemaakt in het kraakbeen en bot met de bedoeling om een littekenkraakbeen te krijgen dat van hoge kwaliteit is. Als het relatief beperkte letsels zijn, lukt dat meestal wel. Bij grotere letsels ligt dat moeilijker. Dan moet je al gaan denken aan kraakbeentransplantatie." "Het is onze houding om dat uit te stellen tot het einde van de carrière of tot na de carrière. De revalidatie duurt makkelijk een jaar." "Je neemt een cilinder met kraakbeen van een gezond stuk en je plant dat in het slechte stuk. Daar zijn beperkingen aan, want je kan niet onbeperkt gezond kraakbeen weghalen. De tweede mogelijkheid is dat je kraakbeen afkrabt, kweekt in het labo, en nadien er weer achter spuit. Dat wordt vrij courant toegepast, maar in de topsport beschikken we eigenlijk nog over te weinig wetenschappelijke gegevens wat betreft de resultaten. Meniscustransplantatie bestaat trouwens ook, zowel met donormateriaal als met een synthetische substitutie, maar deze laatste techniek is net uit de experimentele fase. Bij topsporters moet je heel erg uitkijken met technieken die hun waarde nog niet volledig bewezen hebben." "In die categorie mogen we het meeste verwachten de komende jaren. Maar die techniek zit nog niet in de fase dat het toepasbaar is op mensen." "Dat is niet altijd zo evident. Het is geen exacte wetenschap, één plus één is niet altijd twee. Van bepaalde letsels weet je: dit komt niet goed zonder operatie. Als je je been breekt, moet er iets aan gedaan worden. Maar als bijvoorbeeld je meniscus gescheurd is, heb je verschillende mogelijkheden. Elk gewricht is bedekt met kraakbeen, je moet dat zien als het glazuur van een gewricht. In de knie heb je tussen de twee draagstukken nog de meniscus, die fungeert als schokdemper. Tegenwoordig weten we dat het belangrijk is om zo veel mogelijk meniscusmateriaal te behouden, maar vroeger werd de meniscus meestal volledig weggehaald. En nu zien we wekelijks de mensen die twintig jaar geleden de volledige mediale meniscus kwijtraakten met artrose. Als je de meniscus weghaalt, versnel je het slijtageproces. "Tegenwoordig proberen we bij jonge sporters de meniscus in de eerste plaats te hechten. Dat kan niet altijd. De binnenkant van de meniscus is niet doorbloed en heeft dus geen genezingspotentieel. De buitenrand is vanuit het kapsel wel doorbloed en daar kan je hechtingen aanbrengen. Het nadeel van hechting is dat de revalidatie veel langer duurt dan wanneer je een stukje van de meniscus weghaalt. Bij hechtingen moet je wachten tot het helemaal geheeld is alvorens je mag belasten. Wanneer je een stukje weghaalt, kan je veel sneller met de revalidatie beginnen. Dat ligt soms ook al eens in de balans." "De factor tijd speelt vaak mee, ook voor de speler zelf. Als je met een bepaalde techniek drie of vier weken kan winnen, speelt dat mee in de discussie met speler, begeleider en club. We mogen ons daar niet altijd door laten leiden, maar er zijn nuances. "Een andere situatie waar je wel eens discussie over voert, zijn overbelastingletsels rond het bekken, bijvoorbeeld pubalgie. Je weet dat als je zo'n blessure opereert, een speler drie maanden nodig heeft om weer aan te sluiten bij de groep. Maar sommige van die blessures kunnen we een beetje rekken, met medicatie en bepaalde revalidatietechnieken. Als het verantwoord is, kunnen we er zo voor zorgen dat een voetballer nog kan doorspelen tot het einde van het seizoen." "Artrose wil zeggen dat je kraakbeen finaal uitslijt, verdwijnt. Het is een verzamelnaam, je hebt daar verschillende stadia in. Eerst zijn er de kleine kraakbeenletsels, het eindstadium is als het kraakbeen volledig weg is, en dan heb je nog kleine en grote oppervlaktes. Als je over een grote oppervlakte geen kraakbeen meer hebt en er zijn chronisch klachten van pijn, dan moet je stoppen met voetballen. Kraakbeen verdraagt heel slecht schokbelasting met rotatie. Nu, eenmaal het artroseproces begonnen is, stopt dat niet meer. Je kan alleen maar proberen het minder snel te laten verlopen door overbelasting te vermijden. "Je kan moeilijk voorspellen hoe de zaken er binnen vijf of tien jaar voorstaan bij zo iemand. Er zijn mensen met heel zware artrose die eigenlijk nog vrij goed functioneren. Daar plaats je dan nog geen prothese bij. Maar we zien evengoed patiënten van 40 jaar die een knie- of heupprothese nodig hebben." "Dat kan je op voorhand moeilijk voorspellen. In sommige gevallen moet je eerlijk zijn en zeggen: je zal er altijd iets in voelen. De vraag is: kan je dat aan of niet? Als je kraakbeen hoogstens een littekenkraakbeen wordt, dan kan het zijn dat er altijd een bepaalde gevoeligheid overblijft. De vraag is of je daardoor moet stoppen. Zoiets is individueel." "De meesten weten al vrij goed hoe ze ervoor staan. Het is hun job, hun kostwinning. Het merendeel realiseert zich voldoende wat er aan de hand is, al zijn er altijd die het niet wíllen horen. Sommigen zeggen ook: oké, als ik nog twee, drie jaar kan voetballen, ben ik tevreden. Dat is van een andere orde dan: ik ga nooit nog iets voelen." "De carrièrebeëindigende letsels zijn in veel gevallen kraakbeenletsels. Meestal zit daar een hele context rond. Ze krijgen hun eerste kraakbeenblessure als ze 18, 19 jaar zijn, rond 23, 24 jaar staan ze meestal voor een tweede kijkoperatie, waar je het kraakbeen opnieuw een beetje behandelt. Dan kunnen ze weer een paar jaar verder. Maar als zo'n speler dan 32, 33 jaar is en aan zijn zoveelste kijkoperatie toe is, moet je correct zijn en zeggen: 'We kunnen het nog eens doen, maar het kan goed zijn dat je er nu maar zes maanden mee verder kan. Is dat nog wel de moeite waard?' Op een bepaald moment stopt het, maar dat is heel individueel. Daar zijn geen algemene richtlijnen in." "Ik zal nooit zeggen dat iets niet mogelijk is, maar er zijn wel spelers waarbij je je afvraagt: zou ik dit zelf wel aankunnen? En soms moet je dan toegeven: dit is meer dan ik zelf zou kunnen dragen." In zijn praktijk met schitterend uitzicht op de Schelde bracht kinesist Lieven Maesschalck (44) supersterren als AndriyShevchenko en Pipo Inzaghi weer op niveau en ook Johan Museeuw, Marc Wilmots, Emile Mpenza, Koen Daerden, Tom De Sutter en vele anderen waren er maanden kind aan huis. Ondanks herhaaldelijke voorstellen wou Maesschalck zich lange tijd niet aan een club binden, maar sinds kort trekt hij enkele dagen per maand naar het befaamde Milan Lab om er lijf en leden van Kaká en co onder handen te nemen. Passie, geestdrift en een doorgedreven individuele benadering zijn de sleutels van het succes van Lieven Maesschalck, wiens enthousiasme in alles wat hij doet onnavolgbaar is. Lieven Maesschalck: "Eerstelijnszorg doe ik eigenlijk niet, ik krijg vooral de langdurige gevallen, mensen die langer dan zes weken uit zijn. Eerst en vooral heb je de posttraumatische dingen: dat zijn vooral de kruisbanden van de knie en de meniscus. Daarna komen de slijtageletsels, en dan heb je het vaak over kraakbeenletsels. Vervolgens is er de groep van de spierblessures: verrekkingen, scheuren. Tot slot heb je ook nog de overbelastingletsels: tendinitis ter hoogte van de achillespees en de kniepees, en de pubalgie. Dat is echt een typische voetbalblessure, die je bijna niet ziet in andere sporten. De oorzaak ligt in de bewegingsvorm: voetbal is de enige sport waar je zulke zware trappen moet doen met je benen. Dat zorgt voor een grote tractie op de spieren ter hoogte van je bekken. Nu, gezien het feit dat toppers al snel 60 tot 65 matchen per jaar spelen en het feit dat voetbal een contactsport is, valt het aantal blessures nogal mee, vind ik." "Dat is natuurlijk afhankelijk van de persoon op zich, maar er zijn wel gemiddelden. Pubalgie vergt gemiddeld drie maanden, een gescheurde kruisband ongeveer zes. Kraakbeenletsels kunnen zeer veel tijd vragen. Sommigen staan na drie maanden weer op het veld, maar het kan ook een jaar of langer duren." "De snelheid van genezen hangt af van het type weefsel: spieren herstellen bijvoorbeeld sneller dan bot of kruisbanden. Daarnaast houd je steeds rekening met bepaalde parameters bij de atleet zelf: zwelling, bewegingsvrijheid, kracht, pijn. Zo kan je iemand na een zware knieoperatie pas laten lopen op het moment dat het krachtsverschil tussen beide benen minder bedraagt dan 30 procent. Of je gebruikt de pijn die iemand voelt om de oefeningen te kiezen die je hem laat doen. "Men zegt vaak: je moet door de pijn leren gaan. Neen, daar draait het niet om. Pijn is een signaal dat je moet interpreteren, een leidraad om te zien op welke manier je de atleet kan belasten. In een revalidatie werken we trouwens ook altijd zo snel mogelijk sport-specifiek. Bij een voetballer betekent dat: oefeningen met de bal, actie-reactie-oefeningen." "Neen, neurologisch. Je moet input krijgen, geprikkeld worden, anders bot je actie-reactietijd af. Ik zal een voorbeeld geven. Jij kan misschien enorme beenspieren hebben en 100 kilo duwen op de legpress, als je die kracht niet kan omzetten in een gerichte en juiste trap op de bal, ben je daar als voetballer niets mee." "Revalideren is voor mij constant zoeken. Ik geloof niet in: hier is je programma, let's go and just do it. Ik benader elke atleet individueel en beoordeel hem voortdurend in real time. Hoe draait die heup, die knie? Ik geloof in onmiddellijke aanpassingsvormen, in het constant inspelen op dat veranderende lichaam. Als je de juiste prikkels geeft, voelt de atleet heel snel verbetering en vermijd je overcompensatie of onevenwicht. "De precieze aanpak verschilt van persoon tot persoon. Er zijn geniale spelers die je niet moet vragen om 20 keer te pompen, maar geef hen een oefening met een balletje erbij of maak er een wedstrijdje van, en het is geen probleem. Dat is de kunst: hetzelfde effect bereiken met een oefening die de atleet ligt. ( verontwaardigd) Ik heb nog geweten dat de kinezaal in de meeste clubs ergens vanonder in de kelder lag. TL-lampen, kaal, al wat je wil en daar zitten ze dan alleen met hun programmaatje. Dat moet je eens zes maanden aan een stuk proberen, jong." "Absoluut. Bewuster, rijker in ervaring. Ze zijn veel bewuster met hun lichaam bezig, ze gaan preventief werken om hervallen te vermijden. Zelf doen wij ook aan nazorg, hetzij bij ons, hetzij via de club. Dat kan gaan om speficieke manieren om op te warmen, over het beperken van je spiervolume zodat alles in evenwicht blijft." "Mijn job is: mensen genezen. Iedereen die probeert te werken, doet zijn best en niemand heeft er een boodschap aan dat ik anderen beoordeel. Op het moment dat een voetballer bij mij komt, maken we een analyse en stellen we een plan van aanpak op. Ik kies voor de atleet. Natuurlijk moet ik me ook ergens verantwoorden tegenover de club, maar het is altijd de atleet die centraal staat. Ik bescherm hem ook waar nodig. Ik kan dat doen vanuit een bepaalde positie, ik ben onafhankelijk." "Waarom niet? De meesten betalen hun revalidatie zelf, hé. Soms doen de clubs dat, maar meestal zijn het de spelers zelf." "Soms zie je meteen aan de hand van de beeldvorming: alles is kapot in die knie. Dan is het mijn taak om aan zo iemand duidelijk te zeggen: ik kan van jou geen profvoetballer meer maken, maar ik kan er wel voor zorgen dat je nog wat kan gaan tennissen en golfen. Je moet eerlijk zijn voor jezelf en voor de atleet. De natuur heeft zijn limieten, je moet bepaalde grenzen aanvaarden." "De kunst bestaat er eigenlijk in om vermoeidheid te vermijden, of toch minstens te detecteren. Vermoeidheid leidt tot blessures, vooral spierblessures zijn daar sterk aan gerelateerd. Daaraan ga je je trainingen aanpassen: trainingsintensiteit, recuperatie, omvang. De bedoeling is altijd om de speler optimaal naar de wedstrijd te brengen. "Voetbal is een vrij complexe sport, zeer explosief en met veel contact. Dat betekent dat je dat lichaam op verschillende manieren moet ontwikkelen: basisconditie, over snelheid, reactietijd, balvaardigheid, body. Als je voetballers bekijkt: dat zijn geen skinnies, dat zijn echte atleten. Je moet dat lichaam ook stabiel maken. Wanneer je één specifieke groep spieren veel gaat belasten, moet je zorgen dat de andere spiergroepen daarrond ook bijgetraind worden, zodat de balans in orde blijft. "Om dat alles te bereiken, moet je gaan individualiseren, ook in een groepstraining. Dat betekent dat je zo'n speler tijdens de training op de voet volgt. Vandaag dragen de spelers tijdens de tests een speciaal vest, waardoor je met een laptop langs de lijn van alles in real time kan meten: hartslag, power, startsnelheid, afgelegde meters, vochtverlies, noem maar op." "Je kan onmiddellijk ingrijpen op de atleet: hoger, lager, meer, minder. Bij overbelasting voorzie je bijvoorbeeld alternatieve oefeningen die alleen cardiovasculair belastend zijn, voer je misschien al een bepaalde vorm van therapie in. "Ik ga ervan uit dat je de atleet moet beschermen. Als je bijvoorbeeld pijn hebt, dan ga je bijna automatisch trachten die pijn te vermijden door een andere houding aan te nemen. Die compensatie leidt vaak tot nog meer en soms zelfs nog ergere problemen en blessures. Daar moet je allemaal op letten en dat is een kwestie van dingen snel te zien en er snel op in te spelen. Er zijn veel mogelijkheden om iemand die pijn voelt toch actief te houden zonder het risico op een ernstige blessure." "Je hebt altijd een bepaalde voorbestemdheid. Maar het kan best dat een gebochelde geen pijn heeft. Iemand die totaal scheef staat, kan daar misschien nooit last van hebben omdat zijn lichaam, zijn spierontwikkeling wel in evenwicht is. Ik heb al meermaals spelers gezien op topniveau waarvan ik zeg: hoe kan die hier overleven? Terwijl ze prachtige prestaties leveren en nooit geblesseerd zijn. Zulke mensen moet je niet proberen anatomisch te veranderen." S Volgende week: preventie van blessuresdoor loes geuens en raoul de groote