Het was een bewogen, ruwe wedstrijd, die onder het publiek talloze bezwijmingen veroorzaakte. De eretribune was een feest van bloemen, vruchten, veren, dames en heren. Terwijl de heren elk doelpunt vierden door hun strohoed op het speelveld te werpen, lieten de dames hun waaier vallen en bezwijmden zij ten gevolge van de emoties vanwege het doelpunt of de benauwdheid vanwege de warmte en het korset.
...

Het was een bewogen, ruwe wedstrijd, die onder het publiek talloze bezwijmingen veroorzaakte. De eretribune was een feest van bloemen, vruchten, veren, dames en heren. Terwijl de heren elk doelpunt vierden door hun strohoed op het speelveld te werpen, lieten de dames hun waaier vallen en bezwijmden zij ten gevolge van de emoties vanwege het doelpunt of de benauwdheid vanwege de warmte en het korset. "Het voetballeven van Flamengo was nog maar net begonnen. Het was ontsproten aan een breuk in de club Fluminense, die na veel heibel en veel oorlogstumult en barenskreten in tweeën was gebroken. Algauw had de vader er spijt van dat hij dit ongezeglijke en spottende kind niet in de wieg had gesmoord, maar er was al niets meer aan te doen. Fluminense had zijn eigen vloek voortgebracht en het onheil was onvermijdelijk. Sindsdien legden vader en zoon, opstandige zoon, in de steek gelaten vader, zich erop toe elkaar te haten. Iedere derby Fla-Flu is een nieuw gevecht in deze nooit eindigende oorlog. Beide houden van dezelfde stad, Rio de Janeiro, lui, zondig, die zich loom laat liefhebben en zich vermaakt door zich aan beide aan te bieden en zich aan geen van hen te geven. Vader en zoon spelen voor die minnares die met hen speelt. Voor haar strijden ze en zij komt in feestgewaad naar de duels.'' Zo beschrijft Eduardo Galeano in Glorie en tragiek de eerste derby tussen Fluminense en Flamengo uit de geschiedenis. "De wederzijdse rancune was zo groot dat de spelers de indruk wekten met geslepen messen in hun kousenband te spelen", luidde de versie van August Willemsen in zijn onvolprezen boek De Goddelijke Kanarie over die eerste derby op 7 juli 1912. "Vrouwen vielen bij tientallen in zwijm. Het voetbal zelf was een bijkomstigheid. Nog nooit was zo'n grote bloeddorst op het veld vertoond. "De wond die deze nederlaag sloeg in de harten der flamenguista's zou, gelijk een oudtestamentische vloek Gods, van generatie op generatie overgaan tot op de huidige dag. Daarom is elke keer dat de twee elkaar ontmoeten weer als die eerste keer: met de messen geslepen." De rivaliteit tussen beide clubs ligt in hun roots. Fluminense, wat 'van de staat Rio' betekent, werd in 1897 opgericht door Oscar Cox, een Zwitserse Braziliaan uit een van de rijkste families van Rio. Cox had gestudeerd en gevoetbald in Lausanne en zijn nieuwe club moest het toevluchtsoord van de superrijken worden. "Om lid te worden van Fluminense moest je hetzelfde leven leiden als Cox, Felix Frias en Horacio da Costa Santos", schreef Mario Filho, de befaamde sportjournalist uit de jaren '30 en '40 van de vorige eeuw. "Allemaal gerenommeerde mannen, bedrijfsleiders, zonen van rijke vaders, bij voorkeur opgevoed in Europa en bovenal gewend om het geld te laten rollen." Fluminense veroverde in 1906 de eerste titel van Rio. Vijf jaar later was het opnieuw de nummer een van de Cariocaliga. Interne twisten hadden echter voor gevolg dat negen spelers van de kampioensformatie opstapten. Het kampioensteam zonder club vond een onder-komen bij Clube de Regatos do Flamengo, aan de oever van een lagune. Flamengo, de naam van een wijk in het zuiden van Rio, had geen voetbalteam en keerde zich vele jaren fel van het voetbal af. Het nieuwe spel werd lacherig afgedaan als verwijfd gehuppel. Het voetbal had kort na de eeuwwisseling echter een centrale rol verworven in het sociale leven van de elite van Rio. "Sportclubs waren het middelpunt geworden van het sociale leven van de toplaag", aldus Mario Filho. "Thee vóór en een etentje na de match werden toegevoegd aan het sociale leven van huwelijken, recepties, soirees en danspartijen in Braziliës schitterende nieuwe clubhuizen. Fluminense werd synoniem met mondaniteit en goede relaties. De houten paviljoenen in het Laranjeirasstadion werden door de rijkste families van Rio in hun beste pak bezocht. De heren droegen een discreet lint in de clubkleuren op hun vilten hoeden, een directe verwijzing naar de Engelse privéscholen." De spelers verschenen tot in de jaren '30 in smoking op openbare gelegenheden. Ze betaalden om te mogen voetballen en namen zelf de reis- en verblijfkosten voor hun rekening. Het Fluminense dat Mario Filho beschreef, bestond echter niet lang. De intensiteit en de eisen van het voetbal lagen snel te hoog voor de ouder wordende playboys van de Carioca-aristocratie. De verhoudingen wijzigden immers dramatisch met de opkomst van Vasco da Gama, de club van de Portugese immigranten uit Rio. Vasco werd in 1915 opgericht, stootte in 1922 naar de topklasse door en werd bij zijn debuut meteen kampioen. De Portugese migranten hadden zich opgewerkt dankzij kleine familiebedrijven. Hun zonen hadden niet zo veel vrije tijd als hun leeftijdsgenoten uit de hoogste kringen. De club ronselde om die reden spelers van buiten de eigen sociale klasse. Vasco won de titel met vier zwarte spelers in de basisploeg. In de betere kringen werd er schande van gesproken. De slavernij was in Brazilië in 1889 illegaal verklaard, maar in 1921 slaagde de president er desondanks in "een blankheidsvoorschrift" af te kondigen. Hij gelastte, volgens Galeano, dat om redenen van na-tionaal prestige geen enkele speler met een donkere huid zou worden afgevaardigd naar de Copa America. Winnen was in 1916 echter al belangrijk en zelfs bij Fluminense werden de principes al eens opzij geschoven. Ene Carlos Alberto, een lichtgekleurde halfbloed, werd overgenomen van America. Voor de wedstrijd streek de mulat zijn gezicht in met geparfumeerd talkpoeder, dat door deftige dames werd gebruikt als blanketsel, om er witter uit te zien. De supporters van America herkenden hem echter in het onderlinge duel en scandeerden telkens hij aan de bal kwam " Po-de-arroz!", rijstpoeder. Sindsdien het officieuze symbool van de paars-wit-groenen. De grote clubs waren geschokt, voelden zich bedreigd en vernederd door het succes van Vasco da Gama en klaagden steen en been over het vergif van het professionalisme. Ze trokken zich verder terug in hun witte wereld en creëerden een nieuwe liga. Spelers die geen baan hadden buiten het voetbal waren niet welkom. In de reglementen stond ook dat de voetballers verplicht waren om hun naam zelf op het scheidsrechtersblad in te vullen. Op die manier werden laaggeschoolde spelers, die als ober of chauffeur hun brood verdienden, uitgesloten. Een schaamteloze poging om de armen en ongeletterden buiten te houden. Verscheidene clubs trokken onderwijzers aan die slechts één opdracht hadden: de spelers leren hun eigen naam te schrijven. Sommige spelers vereenvoudigden de schrijfwijze van hun naam, om het zichzelf gemakkelijker te maken. "Een gigolo die zich prostitueert", zo omschreef Rivadavia Meyer, de voorzitter van Flamengo uit die periode, een professionele speler. "De club geeft hem alles om te kunnen voetballen en zich uit te leven en hij wil daar nog geld voor ook. Ik zal dit nooit aanvaarden bij Flamengo. Professionalisme verlaagt een man." Het publiek liep echter storm om Vasco en vooral de fabelachtige Fausto dos Santos, a maravilha negra, het zwarte wonder, te zien spelen. Flamengo, Fluminense en Botafogo waren verplicht te capituleren. De introductie van het professionalisme werd nog versneld door het vertrek van een aantal blanke spelers naar Italië, waar ze zich lieten naturaliseren. Mede daardoor gooiden de Goddelijke Kanaries geen hoge ogen op de wereldbekers van 1930 en 1934. In 1933 werd de professionele Cariocaliga opgericht, zodat alle grote clubs weer in één afdeling terechtkwamen. Ironisch genoeg was het Fluminense dat als eerste overstag ging. Er werd wel een handigheidje bedacht. De tricolores hadden voortaan twee soorten leden: de happy few werden aandeelhouders en daarnaast werden spelers ingehuurd om hun handen - of beter gezegd, hun voeten - vuil te maken. De professionalisering luidde de democratisering van het voetbal in. Blanke clubs zetten eindelijk hun deuren open voor gekleurde spelers. De integratie en acceptatie van de neger en mulat in het Braziliaanse voetbal duurde echter nog tot de jaren '50, toen Garrincha en Pelé de tribunes in vuur en vlam zetten. Fluminense hield halsstarrig vast aan zijn 'witte' politiek. In plaats van zwarte spelers te zoeken om het team te versterken, werden de sterren uit São Paulo weggeplukt. Fla-Flu groeide op die manier uit tot een duel tussen Rio en São Paulo van welhaast mythische dimensies. "Liefde voor de ene club werd haat jegens de andere", aldus Willemsen. "Ze beschouwden elkaar niet meer als tegenstanders, maar als vijandige mogendheden." Ondino Viera, een Uruguayaan die in Brazilië als trainer werkte, kwam in 1942 - lang voor Rinus Michels - tot deze vaststelling: "De competitie is oorlog." Fluminense, het blanke bolwerk, kwam nooit meer helemaal van het po-de-arroz-imago af. De club heeft tot vandaag de naam het een beetje hoog in de bol te hebben, chiquer en deftiger dan de rest te willen zijn. Flamengo daarentegen stelde er vanaf 1925 stilaan eer in de club van het volk te zijn, maar werd dat pas echt na de invoering van het professionalisme. De rubro-negros wilden de top bereiken en haalden de beste gekleurde spelers van Rio binnen. Hoe zwarter hoe beter. Fausto dos Santos, Domingos da Guia, mestre divino, de goddelijke maestro, Waldemar de Brito en Leonidas da Silva, de zwarte diamant, werden aangetrokken. Zij bezorgden het Braziliaanse voetbal zijn kenmerkende stijl. Telkens Leonidas speelde, bracht de aanhang tamboerijnen, trommels en fluitjes mee. "Het was feest", bezong Willemsen. "Het andere carnaval was geboren, het Braziliaanse volksfeest op de tribune. Toen de schrijver Olivio Montenegro voor het eerst in zijn leven een wedstrijd zag, wist hij niet wat een doelpunt was, maar hij wist wat dansen was, en hij zei: dit is samba!" Met zijn volkse profilering zette Flamengo zich nog meer af tegen de po-de-arroz-rivaal. De keuze van de urubu als mascotte gebeurde niet toevallig. De schrale, zwarte aasgier, die onafgebroken boven de favela's op de heuvels van Rio cirkelt, waar het overgrote deel van de aanhang van de club woont, werd niet gekozen omdat hij afval doorzoekt of lelijk is. Het belangrijkste kenmerk van de urubu vanuit het standpunt van de flamenguista's is dat hij zwart is en daarmee alles wat de aartsvijand niet is. Flamengo was de eerste club die systematisch zwarte spelers opstelde en het veroverde daarmee niet alleen titels, maar ook de harten van de mensen. Het overvleugelde Vasco da Gama als toonaangevende club van de armen en de zwarten en is tot en met de dag van vandaag de meest populaire, charismatische en succesrijke club van het land. Sommigen schrijven dit toe aan de magie van het shirt: de rood-zwarte, horizontale banden die de tegenstanders angst zouden inboezemen. De geschiedenis van de club, de indrukwekkende erelijst en de vele (zwarte) virtuozen ( Zizinho, Gerson, Mozer, Junior, CarlosAlbertoTorres, Zico, Bebeto, Romario) die er speelden, en het volkse imago zijn wellicht betere verklaringen. De realiteit is intussen een stuk complexer geworden. Flamengo heeft tegenwoordig ook heel wat welvarende fans en op de tribunes van Fluminense zitten niet alleen yuppies. De maat-schappelijke tegenstellingen zijn echter bepalend voor de identiteit van beide clubs. Brazilië is het zwartste land van Latijns-Amerika en heeft geen geschiedenis van rassenrellen. Meerdere generaties van gemengde huwelijken tussen de verschillende etnische groepen hadden voor gevolg dat je er alle mogelijke huidschakeringen kan vinden. Het verband tussen ras en klasse is onmiskenbaar. Als je én zwart én rijk bent, heet je waarschijnlijk Pelé. Het voetbalveld is het meest geïntegreerde gebied van de Braziliaanse samenleving. S De volgende derby in deze reeks is het Zuid-Afrikaanse duel Orlando Pirates - Kaizer Chiefsdoor françois colin