Op de vergeelde ploegfoto's van honderd jaar geleden staat Armand Swartenbroeks steevast met geheven kin. De vaak wat onscherpe afdrukken tonen verder een vierkant hoofd met drie horizontale zwarte strepen: zijn militair kapsel met platte kruin, zijn donkere wenkbrauwen boven de diepliggende ogen en zijn typische moustache uit de belle époque. Uit zijn houding en blik spreken ernst, onverzettelijkheid, een sterk karakter en een rustig zelfbewustzijn. Eén beeld zegt meer dan duizend woorden: net voor de aftrap van de olympische finale in 1920 poseren de Rode Duivels voor de officiële ploegfoto. Wanneer die genomen is, drukt de fotograaf nogmaals af. Je ziet de gehurkte spelers al opveren en degenen die op de achterste rij stonden beginnen naar het publiek te zwaaien. Swartenbroeks, uiterst links in de staande rij, neemt het met een geamuseerde glimlach waar, de handen in de zij, het hoofd een beetje schuin om de enthousiast wapperende hand van de speler naast hem te ontwijken.
...

Op de vergeelde ploegfoto's van honderd jaar geleden staat Armand Swartenbroeks steevast met geheven kin. De vaak wat onscherpe afdrukken tonen verder een vierkant hoofd met drie horizontale zwarte strepen: zijn militair kapsel met platte kruin, zijn donkere wenkbrauwen boven de diepliggende ogen en zijn typische moustache uit de belle époque. Uit zijn houding en blik spreken ernst, onverzettelijkheid, een sterk karakter en een rustig zelfbewustzijn. Eén beeld zegt meer dan duizend woorden: net voor de aftrap van de olympische finale in 1920 poseren de Rode Duivels voor de officiële ploegfoto. Wanneer die genomen is, drukt de fotograaf nogmaals af. Je ziet de gehurkte spelers al opveren en degenen die op de achterste rij stonden beginnen naar het publiek te zwaaien. Swartenbroeks, uiterst links in de staande rij, neemt het met een geamuseerde glimlach waar, de handen in de zij, het hoofd een beetje schuin om de enthousiast wapperende hand van de speler naast hem te ontwijken. Die onverstoorbare ernst en dat plichtbewustzijn kwamen hem uitstekend van pas, niet alleen als achterhoedespeler van de Rode Duivels, maar zeker ook in de lazaretten en de klinieken achter het front. Te midden van de gruwel van de Eerste Wereldoorlog hechtte dokter Swartenbroeks wonden en amputeerde hij ledematen. Met de krop in de keel maar toch routineus en met vaste hand. Een dag later stond hij soms alweer op het voetbalveld of zat hij op de trein voor een buitenlandse tournee, om bij terugkeer weer koortsachtig aan de slag te gaan met catgut, naald en scalpel. Een schizofreen leven tussen dramatiek en euforie. Als kind wordt Armand al snel tot enige zelfstandigheid verplicht. Zijn ouders hebben een drukke kruidenierszaak aan de Avenue de Jette in Koekelberg. Die Brusselse gemeente kent eind negentiende eeuw een bevolkingsexplosie en de zaken gaan goed. Omdat er weinig tijd over is voor opvoeding, sturen ze hun zonen naar de kostschool. Armand werkt zijn middelbaar af ver van huis, aan het Athenée Royale de Namur. De vrijetijdsbesteding bestaat daar vooral uit voetballen. In de schoolploegen staat Armand aanvankelijk centervoor, maar al snel schuift hij meer naar de zijkant. Vaak ook op links, tegen zijn voet, waardoor hij zienderogen progressie maakt. Niet alleen op sportief vlak doet de oudste van het gezin Swartenbroeks het uitstekend, zijn studieresultaten zijn ook top. Thuis stemmen ze dan ook graag in wanneer hij op zijn achttiende voor de duurste studierichting van het moment kiest, geneeskunde. In 1910 begint hij zijn artsenstudie aan de Université Libre de Bruxelles. Terwijl hij ijverig studeert, gaat al zijn vrije tijd naar het voetbal. Hij speelt in het universitaire team en bij een fabrieksploeg uit Sint-Agatha-Berchem. Daar wordt zijn talent opgemerkt door een bestuurslid van Daring Club de Bruxelles, de eersteklasser die gesticht werd in Koekelberg. Daring, met de kenmerkende rood-zwarte strepen, is een van de vier grote Brusselse clubs die het Belgische voetbal begin twintigste eeuw domineren. In tegenstelling tot Racing, Léopold Club en Union is het de volksclub bij uitstek. Niet evident in een periode dat voetbal nog redelijk elitair is - wat na de oorlog zou veranderen. In 1911 tekent hij een aansluitingskaart en even speelt hij bij de reserven, maar een blessure van een basisspeler brengt hem al snel in de eerste ploeg. Hij staat dan linksbinnen, een van de vijf aanvallers in het standaardsysteem van die tijd, 2-3-5. Wanneer een van de twee vaste backs uitvalt, wordt Swartenbroeks twee linies achteruit getrokken en komt hij rechts in de tweemansverdediging te staan. Als grote en struise jongeman met stevige dijen is dat de ideale positie voor hem. Hij straalt gezag uit en zijn tegenstanders schuwen het duel. Zijn tackles zijn dan ook legendarisch, staalhard maar altijd fair, uitgevoerd volgens de regels van de kunst. Ook zijn kopspel is prima. Bovendien kan hij, ondanks een matige techniek, een zuivere lange pass trappen. Geen sinecure op vaak modderige en hobbelige velden waarover voetballers draven met wijde, knielange broeken en zware schoenen met primitieve noppen. Op 20 april 1913 debuteert Armand Swartenbroeks als international. Tegenstander Nederland heeft kort voordien de sterke Engelsen geklopt, maar toch haalt België het in Zwolle met 2-4. Zegge en schrijve 22 landgenoten hebben de verplaatsing gemaakt om de Rode Duivels aan te moedigen. Die bijnaam, die dan al wel enkele jaren bestond, wordt vanaf die wedstrijd een begrip. Swartenbroeks en zijn maats, vooral de doelman en zijn collega-back, weren zich dan ook als duivels. De amper twintigjarige Brusselaar van Daring oogst veel lof. Swartenbroeks debuut komt er op een moment dat hij zijn legerdienst vervult. Een dag voor oudjaar 1913 zwaait hij af. Enkele maanden later verschijnt een rapport van inspecteur-generaal Léopold Melis, waarin staat dat het Belgisch leger, ondanks de welvarendheid van het land, erg weinig 'medisch vermogen' bezit. Niet meteen een probleem in vredestijd maar wel bij een oorlog - het klinkt bijzonder actueel. Enkele maanden later is het van dattum. Op 28 juli 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit met de Oostenrijks-Hongaarse invasie van Servië. Een dag later wordt Swartenbroeks onder de wapens geroepen. Het Duitse leger valt op 4 augustus België binnen en rukt snel op. Het Belgisch leger trekt zich terug naar de Westhoek en verschanst zich achter de IJzer. Daar barst een helse strijd los. Na twee maanden vallen er aan Belgische kant al 9.000 doden en 15.000 gewonden te betreuren. De ziekenhuizen worden overspoeld, er worden noodhospitalen opgericht en veel gewonden worden vervoerd naar Calais, net over de Franse grens. Daar is ook Swartenbroeks lange tijd aan de slag. Zijn studies zijn nog niet afgerond maar hij wordt voor de leeuwen gegooid in hallucinante omstandigheden. Van de cleane universiteitslabo's naar de lazaretten waar aan de lopende band soldaten met stukgeschoten ledematen aangedragen worden, het is een onwezenlijke shock. Hij opereert met beperkte middelen, het tekort aan medisch materiaal frustreert de toegewijde arts in spe. In de herfst van 1914 verminderen de lijf-aan-lijfgevechten en is de loopgravenoorlog, die vier jaar zal duren, een feit. Gelukkig is er zelfs in die penibele omstandigheden af en toe tijd voor ontspanning. De soldaten hebben niets, maar om te voetballen is niet veel nodig. De sport wordt ongezien populair. Terwijl in het bezette België iedereen bezig is met overleven, storten de soldaten zich met overgave op hun enige tijdverdrijf. Er worden wedstrijden georganiseerd tussen de verschillende regimenten, die veel toeschouwers lokken - sommige soldaten riskeren het zelfs om er hun post voor te verlaten. Koning Albert I woont een wedstrijd bij, ziet hoe de spelers op hun zware legerkistjes voetballen en schenkt prompt duizenden voetbalschoenen. Omdat er ook veel spelers van eersteklasseclubs en zelfs internationals, zoals Swartenbroeks, gemobiliseerd zijn, groeit na een tijd de idee om een alternatieve nationale ploeg op te richten die België kan vertegenwoordigen. Dat worden de legendarische Front Wanderers. Ze voeren propaganda voor het zwaar getroffen maar trotse België en dragen een boodschap uit van vrede en samenhorigheid. Het past helemaal binnen het humanistische wereldbeeld van de patriottische Swartenbroeks, want de Front Wanderers zamelen in de eerste plaats geld in voor oorlogsvluchtelingen. Vanwege de nabijheid worden de eerste wedstrijden gespeeld tegen Franse selecties. Gaandeweg doet hun faam de ronde. In het voorjaar van 1917 worden de Wanderers uitgenodigd voor een tournee in Italië en daar worden ze als prinsen ontvangen. Ze spelen wedstrijden in Modena en Milaan en worden nadien vergast op banketten en meegetroond naar de opera. Voor de Belgische soldaat-voetballers een onvergetelijke ervaring. Maar telkens is het weer terugkeren naar de rauwe realiteit van de oorlog. Op 31 juli 1917 beginnen de Britten de Derde Slag om Ieper. In vijftien weken tijd sneuvelen nabij Passendale een half miljoen soldaten. Er wordt daarbij geen millimeter terreinwinst geboekt. Een van de gesneuvelden is Alexis Swartenbroeks, de broer van Armand. Hij wordt meteen begraven in Adinkerke. Zoals vaak in oorlogstijd vernemen Armand en zijn ouders het droeve nieuws pas veel later. Op 11 november 1917 scheept Swartenbroeks met de Front Wanderers in Calais in voor een tournee door Groot-Brittannië. Ze beginnen op Chelsea, dat een ploeg afvaardigt waarin heel wat spelers ontbreken door de oorlog, maar waarin ook profs voetballen - een in België tot dan toe onbekend fenomeen. De Front Wanderers verliezen met 4-1, maar Swartenbroecks en de andere back, Oscar Verbeeck, worden geprezen om hun vechtlust en hun fair play. Van de hele wedstrijd kregen ze geen enkele fout tegen! Sportmanship ten top, dat de Engelsen zeer waarderen. Nadien spelen de Front Wanderers ook nog in Glasgow, Liverpool, Manchester en Birmingham. Ze winnen ook enkele keren van de lokale profs, een straffe prestatie. Maar vooral: ze halen duizenden voetballen, schoenen en shirts op en een mooi bedrag om de nood van de vluchtelingen te lenigen. Tot in ons land hebben hun successen weerklank. De krant L'Echo Sportif bericht over hun wedervaren en steekt de Belgische soldaten aan het front zo een hart onder de riem. In september 1918 verlaat Swartenbroeks zijn werkplaats in Calais. Hij gaat aan de slag in een ziekenhuis in Le Havre. Ondertussen heeft hij ook zijn studies kunnen afronden. Zijn diploma is hij mogen gaan ophalen in Parijs. Hoewel de oorlog zijn einde nadert, blijft hij zijn dodelijke klauwen in het rond slaan. Eind augustus 1918 krijgt Front Wanderer Dominique Baes een kogel in de onderbuik. Zijn ploegmaat Hector Goetinck, koerier per motor achter de linies, bezoekt hem in het hospitaal en beschrijft in zijn memoires de droeve blik van Baes, die een foto van zijn verloofde bij zich heeft - hij had verlof op zak en zou dra gaan trouwen met het meisje, dat via Nederland in Engeland was geraakt. Het mag niet zijn. Twee dagen later staan de Front Wanderers met tranen in de ogen rond het graf van hun makker. Na de oorlog vormen de Wanderers ook het hart van de nieuwe Rode Duivels. De backs Swartenbroeks en Verbeeck houden de boel achterin gesloten, op het middenveld heerst kapitein Emile Hanse en vooraan komen de goals van Mathieu Bragard en Louis Van Hege, die voor de oorlog bij Milan FC (het latere AC Milan) speelde en daar de bijnaam Luigi kreeg. De eerste grote uitdaging van de nationale ploeg zijn de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. België is in de eerste ronde bye, dient in de kwartfinales Spanje een allereerste nederlaag ooit toe - Spanje speelde weliswaar nog niet lang interlands - en neemt vervolgens de maat van Nederland. Het Belgische publiek is laaiend enthousiast, de oorlog en de heldenmoed van Brave Little Belgium hebben voor een grote golf van vaderlandsliefde gezorgd. Voor de finale op het Kiel is het stadion gevuld met ruim 40.000 toeschouwers, 10.000 meer dan de maximumcapaciteit. Het volk is op allerlei manieren binnen geraakt en zit rijen dik op de atletiekpiste. Het wordt een tumultueuze finale tegen Tsjechoslovakije, dat vooraf de toernooifavoriet was. De Belgen komen 2-0 voor, een strafschop en een doelpunt dat volgens de Tsjechen uit buitenspel werd gescoord. Wanneer een van de Tsjechen net voor de rust van het veld wordt gestuurd, gaan de poppen aan het dansen. Of beter: ze staken de wedstrijd. Zo wint België de kortste olympische finale in de geschiedenis. Een volksfeest barst los op het Kiel. Aangezien er nog geen WK bestaat, wordt België door die zege beschouwd als wereldkampioen. Voor Swartenbroeks, 28 en al bijna tien jaar international, is het een hoogtepunt. Ook voor de nationale ploeg, die nadien een wat mindere periode kent. Armand ziet zijn collega-Wanderers een na een afhaken. Profs zijn ze nog steeds niet: dokter Swartenbroeks gaat in 1927 aan de slag in het Sint-Elisabethziekenhuis in Ukkel, op de afdeling pediatrie. In datzelfde jaar wordt hij bij België-Nederland in de bloemetjes gezet voor zijn vijftigste interland. Een mijlpaal. Zijn Daringploegmaat Arnold Badjou is op dat moment de tweede, met 33 interlands. In die tijd, met de onderbreking van de oorlog er nog bij, is 50 interlands een huzarenstukje. Terloops wordt hij erelid van de Nederlandse voetbalbond, omdat hij tijdens een interland een onterechte strafschop bewust naast had geschoten. Armand Swartenbroeks stopt als international in 1928, maar gaat nog een paar jaar door bij Daring, tot hij 38 is. Hoewel hij amper kan trainen - hij heeft naast zijn werk in Ukkel nu ook nog een eigen dokterspraktijk - behoort hij vaak tot de uitblinkers, een toonbeeld van onverzettelijkheid. Ondertussen is hij ook in de politiek gestapt, in de PLP, de liberale partij van zijn jeugdvriend en Daringploegmaat Oscar Bossaert. Hij wordt in 1939 schepen in Koekelberg. Bossaert krijgt de burgemeesterssjerp. Wanneer het jaar daarop een nieuwe wereldoorlog uitbreekt, gaat hij in het verzet. Hij helpt zijn landgenoten en werkt de Duitse bezetter zoveel mogelijk tegen. Vanaf 1943 gaat hij daar actiever aan deelnemen, binnen de Groupement MP. Als weerstander wordt hij na de oorlog gedecoreerd. In 1956 overlijdt zijn vriend Bossaert onverwacht. Swartenbroeks volgt hem op als burgemeester. Het gedachtegoed van de PLP past hem als vrijdenker, maar als sociaal voelende arts - sommigen noemen hem de rooden doktoor - maakt hij vaak keuzes die ingaan tegen het wat hautaine liberalisme van de familie-Bossaert. In 1970 - zijn snor heeft hij dan allang afgeschoren - wordt Swartenbroeks 78 en komt hij niet meer op bij de verkiezingen. Na vijftien jaar geeft hij de sjerp door aan Paul Bossaert, de zoon van zijn vriend Oscar. Tot het eind van zijn leven houdt hij vast aan zijn nobele waarden, al ziet hij dat sommige ervan, zoals het strikte amateurisme in de sport, helemaal voorbijgestreefd zijn. Armand Swartenbroeks overlijdt op 3 oktober 1980.