Standard leeft van dag tot dag. Het behoort tot het DNA van de club. Vallen en opstaan, elke wedstrijd voelt aan als een nieuw begin - net daarom is het zo succesvol in de bekercompetitie. Het is in die realiteit dat deze zomer Ricardo Sá Pinto neerstrijkt in de Vurige Stede. Een ongewoon personage dat eerder thuishoort in de decors van Hollywood dan tussen de Luikse fabrieken. Standard kiest ervoor om de brand te bestrijden met een pompier die permanent met een jerrycan benzine rondloopt.
...

Standard leeft van dag tot dag. Het behoort tot het DNA van de club. Vallen en opstaan, elke wedstrijd voelt aan als een nieuw begin - net daarom is het zo succesvol in de bekercompetitie. Het is in die realiteit dat deze zomer Ricardo Sá Pinto neerstrijkt in de Vurige Stede. Een ongewoon personage dat eerder thuishoort in de decors van Hollywood dan tussen de Luikse fabrieken. Standard kiest ervoor om de brand te bestrijden met een pompier die permanent met een jerrycan benzine rondloopt. Op het veld tekent Sá Pinto zijn eerste schetsen van het nieuwe Standard. Eentje zonder Ishak Belfodil en Matthieu Dossevi, die beiden eieren voor hun geld kiezen na een woelige transferzomer. Belfodil was vorig seizoen nog goed voor 14 goals en 6 assists. Dossevi, hoewel enige tijd achter zijn beste vorm aanhollend, kroonde zich de voorbije twee seizoenen tot assistkoning van de Rouches. Meer nog dan die cijfers waren beide verkochte spelers van belang in het spelbeeld. In een voetbal dat verloopt zonder welomlijnd scenario, waarin de bal ronddwaalt zonder echte bestemmeling, zorgden Belfodil en Dossevi ervoor dat hun ploeg toch op een enigszins ordentelijke manier over de middenlijn geraakt bij balbezit. Steeds zie je hetzelfde patroon terug: de speler haakt af, ontvangt de bal en rukt op. Voor de ene is dat centraal, voor de andere langs de zijlijn. Hun rushes laten de rest van de ploeg toe om mee op te schuiven. Zonder die twee krachtige wapens moet Sá Pinto op zoek naar een nieuwe 'drager'. Hij geeft de sleutel in handen van Paul-José Mpoku, wellicht de meest getalenteerde van de bende, maar op dat moment nog ver verwijderd van zijn beste (fysieke) vorm zoals hij dat in het seizoen 2013/2014 etaleerde. Bovendien kon Mpoku destijds excelleren dankzij de aanwezigheid van Imoh Ezekiel, de aalvlugge Nigeriaan die de verdedigers van de tegenpartij verplichtte laag in te zakken. Trainer Guy Luzon liet Standard toen acteren in een 4-4-2, waarbij de twee wingers (Mpoku en Geoffrey Mujangi Bia) veel ruimte kregen om tussen de linies te glijden en dicht aan te sluiten bij het strafschopgebied, waar ze samen met Ezekiel en Michy Batshuayi op elk moment konden toeslaan. Vier jaar later zijn het opnieuw de flankspelers die Standard laten sprankelen bij de start van het seizoen. De hyperkinetische beentjes van Edmilson Junior gekoppeld aan het eerder statische gamma van Mpoku zorgen voor vroeg vuurwerk tegen Genk... maar vervolgens leggen Club Brugge (4-0) en Zulte Waregem (0-4) de pijnpunten bloot. Sá Pinto mag herbeginnen. De voornaamste kritiek komt op het conto van het centrale duo op het middenveld, Agbo - Bokadi. Dat vertoont een schrijnend gebrek aan creativiteit. Het ritme in het spel ontbreekt, offensieve troeven zijn er niet en Alexander Scholz, twee jaar eerder nog als de grote redder ingehaald, is nergens meer te bekennen. Terwijl de journalisten na de wedstrijd tegen Essevee als kanonnenvlees dienen voor een fulminerende Sá Pinto, legt Francky Dury rustig uit waarom zijn strategie tegen Standard zo succesvol blijkt. Samengevat: Mpoku moest zo ver mogelijk van de grote rechthoek gehouden worden. Daarom speelde Zulte Waregem hoog spel. Letterlijk. Een tactiek die in de periode met Ezekiel quasi onmogelijk was om tegen Standard te hanteren. Net zoals in de jaren daarvoor, toen Milan Jovanovic en Cyriac paniek zaaiden op de helft van de tegenstander. Zelfs in een recenter verleden konden de Rouches rekenen op kwieke en explosieve types als Anthony Knockaert en Dossevi om de verdedigende linie van een opponent angst in te boezemen. Het Standard van vandaag is echter een boog zonder pijlen. Dit Standard heeft twee gezichten: eentje mét Edmilson Jr en eentje zonder hem. Wie anders dan de voormalige poulain van Yannick Ferrera kan een pass ontvangen aan de middenlijn en daar toch een doelkans uit creëren? Niemand. Nochtans is het dat wat Sá Pinto zoekt. In die vervloekte match tegen Essevee ruilde hij op het middenveld Bokadi al in voor Razvan Marin. De Roemeen beschikt over twee kwaliteiten die ze in Sclessin kunnen waarderen: vista en een goeie lange bal. Troeven die eerder ook al Adrien Trebel en Julien de Sart tot publiekslievelingen bombardeerden. Het probleem van Marin is dat hij uit een kampioenschap komt waar het tempo lager ligt dan in de Jupiler Pro League. Al te vaak moet hij zijn dieptepasses forceren door de pressing van de tegenstander. Dat hij ondanks zijn goede traptechniek amper twee assists achter zijn naam heeft staan, spreekt boekdelen. 'Standard boezemt geen angst meer in', wist ook Mpoku toen hij vorig jaar weer op Sclessin neerstreek. Het seizoen 2013-2014, waarin Standard aanvallend alles kapot speelde en 59 goals maakte in de reguliere competitie (gemiddeld bijna twee goals per match), lijkt inderdaad al een ver verleden. Anno 2017-2018 scoren de Rouches aan een gemiddelde van één goal per wedstrijd. Een offensief probleem is daarom niet altijd de schuld van de aanvallers. Op onze Belgische velden heet Orlando Sá een gevreesde klant in de zestien te zijn. Inzake beweging voor het vijandelijk doel kent de Portugese spits zijn gelijke niet. Sinds hij op Sclessin toekwam, maakte Sá al 25 doelpunten in alle competities samen. Allemaal van binnen de grote rechthoek. Zijn favoriete recept: flankvoorzetten. Vorig seizoen waren zijn belangrijkste foeriers Edmilson Jr en Dossevi. Maar ook de vleugelbacks Andrade en Réginal Goreux zorgden voor aardig wat aanvoer. Dit seizoen zijn Agbo en Marin de enige spelers die de diepe spits al meer dan één assist konden voorschotelen. Net zoals Mpoku is Sá quasi ongevaarlijk wanneer hij ver van het strafschopgebied wordt gehouden. Voor de tegenpartij een argument om Standard zo ver mogelijk van het eigen doel weg te houden, voor de Rouches net een reden om bij balbezit zelf zo hoog mogelijk op het veld het spel te proberen maken. In het begin van het seizoen lijkt dat moeilijk omdat achterin de snelheid van Scholz wordt gemist, maar al snel blijkt de onverzettelijke Christian Luyindama een oplossing. De Congolese brok graniet zorgt voor stabiliteit en vertrouwen achterin, net zoals Agbo dat doet op het middenveld. Maar hun dynamisme en volume krijgt geen navolging bij de rest. Omdat Standard nog steeds de neiging heeft om in balbezit snel te willen spelen, maar daarvoor de kwieke benen mist, is het vooral de bal die snel naar voor gaat. De ploeg van Sá Pinto beoefent een rare sport. Zoals bij het rugby, waar passes achteruit verboden zijn, begint het spel bij doelman Guillermo Ochoa, om vervolgens met lange halen vooruit te gaan. Het lijkt wel de bedoeling om het middenveld binnen een beperkte tijdspanne te overbruggen, trap per trap. Meestal gaat het zo: Ochoa zoekt met een verre uittrap het hoofd van Sá (of Renaud Emond als Standard in 4-4-2 speelt) en als hij voor de kortere versie gaat, kiest hij Luyindama uit. Daarbij diens partner in de verdediging, Konstantinos Laifis, volledig negerend. De Cyprioot beschikt nochtans over een zuivere linker die perfect de mensen tussen de linies zou kunnen vinden. Eens aan de bal hanteert Luyindama een vast ritueel, eentje dat Sébastien Dewaest enkele seizoenen geleden al eens trachtte te populariseren: enkele meters de bal opdrijven, dan een lange diagonale pass richting de linkervleugel. Zelden precies maar altijd krachtig. In het beste geval belandt de bal bij een aanvaller van de eigen ploeg. In het slechtste geval bij een verdediger van de tegenpartij en wordt gevochten om de afvallende bal om zo in één klap vele meters op te schuiven. Op de eigen speelhelft wordt de bal zelden rondgespeeld. Agbo en Marin komen daardoor enkel in actie in een tweede, latere fase. Daarbij weinig aandacht bestedend aan creatieve patronen om de flanken vrij te krijgen en van daaruit Sá te bevoorraden met voorzetten. Het zou nochtans de meest aangewezen tactiek zijn om efficiënt te zijn voor doel. Sá Pinto leek in zijn eerste maanden als Standardcoach te denken dat zo een opbouw via de flanken te overmoedig is. Een clean sheet blijft tot nader order de prioriteit. Toen AA Gent op bezoek kwam in Luik waren de backs Collins Fai en Sébastien Pocognoli zodanig bezig met het aan banden leggen van Moses Simon en Samuel Kalu dat ze vergaten hoezeer beide Nigeriaanse wingers eigenlijk te pakken zijn op hun defensieve taken. Mpoku en Dieumerci Ndongala waren op die manier verplicht om het op hun eentje uit te zoeken: loskomen uit de dekking, ruimte proberen scheppen en dan nog een precieze pass versturen. Hun voorzetten bereikten zelden een bestemmeling. De uitdaging voor Sá Pinto na de winterstop is duidelijk: hij moet van Standard weer een dreigende ploeg maken. De makkelijkste weg om dat te bewerkstelligen, loopt via zijn landgenoot in de spits: de voeten en het hoofd van Orlando Sá. De hoogdringendheid van die boodschap valt niet te onderschatten, want cijfers liegen niet. De vijf keer dat de Luikenaars deelnamen aan play-off 1 kwamen ze in de reguliere competitie aan minstens vijftig gemaakte doelpunten (gemiddeld 50,8). Een Standard dat offensief geen angst inboezemt, is een Standard voor play-off 2.