MIJN STADSDEEL

'De buurt waar ik opgroeide heet officieel Breidholt, maar IJslanders noemen de wijk vaak het Harlem van Reykjavík. Breidholt is een stadsdeel dat gebouwd werd in mijn kindertijd. Onze ouders trokken er met mij en mijn drie broers naartoe toen ik zes was. Tot dan woonden we in het oude centrum, maar ons appartement daar werd te klein en een grotere flat was in Breidholt veel goedkoper. Omdat de woonprijzen er een stuk lager lagen, trokken ook veel mensen met sociale problemen naar Breidholt. Iedereen woonde daar dicht bij elkaar, vaak in grote appartementsblokken. Het was er heel anders dan in de buurt waar we vandaan kwamen en waar iedereen iedereen kende. In Breidholt moest je knokken om je plaatsje te veroveren, zowel op school als in de vriendenkring. Maar daar werd je ster...

'De buurt waar ik opgroeide heet officieel Breidholt, maar IJslanders noemen de wijk vaak het Harlem van Reykjavík. Breidholt is een stadsdeel dat gebouwd werd in mijn kindertijd. Onze ouders trokken er met mij en mijn drie broers naartoe toen ik zes was. Tot dan woonden we in het oude centrum, maar ons appartement daar werd te klein en een grotere flat was in Breidholt veel goedkoper. Omdat de woonprijzen er een stuk lager lagen, trokken ook veel mensen met sociale problemen naar Breidholt. Iedereen woonde daar dicht bij elkaar, vaak in grote appartementsblokken. Het was er heel anders dan in de buurt waar we vandaan kwamen en waar iedereen iedereen kende. In Breidholt moest je knokken om je plaatsje te veroveren, zowel op school als in de vriendenkring. Maar daar werd je sterk van.' 'IJslanders moeten hard werken voor hun centen en ze doen dat ook, want ze willen graag een mooi huis en een dure auto. IJslanders stellen veel eisen aan zichzelf. Zo ontstaat er stress, want naast dat harde werken is er ook nog het intense familieleven. In IJsland woont iedereen dicht bij elkaar. Dus moet je de ene dag naar een verjaardagsfeestje hier, de volgende dag naar een familiebijeenkomst daar en nog een andere dag komen vrienden een koffietje drinken. Elke avond is er wel iets. Ik vind dat leuk, maar soms ook druk.' 'Op zalm vissen in IJsland is geweldig. Maar als je dat wilt doen, moet je je plaatsje op tijd reserveren. Het is ook erg duur. Er zijn in IJsland zo'n tien goede zalmrivieren, daar betaal je algauw 1000 euro per dag. Die prijs ligt zo hoog omdat je niet met honderd man langs die rivier mag staan. Op enkele kilometers mogen er maar vier à vijf mensen vissen. De rivier is open van zes uur 's ochtends tot één uur 's middags en van drie uur in de namiddag tot negen uur 's avonds. De rest van de tijd moeten de vissen rust krijgen. Op zalm vissen is iets wat vooral rijken en buitenlanders doen. De koning van Noorwegen komt elk jaar eens langs en mensen zoals Peter Gabriel en Roman Abramovitsj. Ook zijn er veel banken die de plaatsjes langs die rivieren opkopen. Ze nodigen dan buitenlanders uit, vissen eerst met hen op zalm en doen daarna zaken.' 'Ik heb een huis in Reykjavík en samen met vrienden ook nog een zomerhuis in Skógar. Dat ligt niet ver van de Eyjafjallajökull (de vulkaan die in 2010 nog eens uitbarstte, nvdr). In Skógar kan ik even ontsnappen aan de drukte. Het is er fijn om te wandelen in de bossen of bij de waterval, de Skógafoss. Veel mensen uit de hoofdstad hebben zo'n tweede verblijf, op één à twee uur rijden van Reykjavík. In mijn kindertijd namen onze ouders ons vaak mee naar zulke huisjes. Mijn vader werkte bij het Telenet van IJsland en zulke bedrijven beschikken over verscheidene zomerhuizen in heel IJsland. Via hun vakbond kunnen werknemers zich inschrijven om er zo eentje te huren tegen een lage prijs. En als we naar een huisje trokken dat ver weg lag van Reykjavík, dan namen we onze kampeerspullen mee en sliepen we onderweg eerst in een tent.' 'De beste IJslandse voetballer ooit is Eidur Gudjohnsen. Ik apprecieer zijn kwaliteiten als voetballer, maar vooral wat hij bereikte: hij speelde bij Chelsea en Barcelona en hij won de Premier League en de Champions League.' 'Toen ik nog niet lang in dit land woonde en mijn zoon bij Lokeren voetbalde, vond ik het vreemd dat er om halfelf 's ochtends al pintjes over de toog gaan in een Belgische voetbalkantine. In IJsland was het tot 1989 verboden om bier te importeren of te verkopen. Nog altijd vind je er geen pintjes in de supermarkt, daarvoor moet je naar een speciale winkel. Veel IJslanders zien dat als een vorm van bescherming tegen al te veel alcoholproblemen, maar sommigen vinden dat er stilaan wel wijn in de supermarkt zou mogen komen. De discussie daarover laait weer op. Zelf blijf ik het goed vinden dat mensen in IJsland nog altijd wat extra moeite moeten doen om aan wijn te geraken.' KRISTOF DE RYCK