Een 110 jaar oude, zwarte fiets hangt er nog altijd aan de muur, met onder de stang een foto van Maurice Garin, de allereerste Tourwinnaar. Maar de namen Henri Desgrange en Géo Lefèvre doen bij het jonge personeel van brasserie Sunset Boulevard op de Parijse Montmartre vreemd genoeg geen belletje rinkelen. Nochtans bespreken beide journalisten hier op 20 november 1902, in wat toen brasserie Zimmer heette, het ballonnetje dat Lefèvre eerder op de dag, tijdens een crisisberaad van hun sportmagazine L'Auto, opgelaten heeft. "Waarom organiseren we geen zesdaagse, maar dan op de weg? Een soort Tour de France." Desgrange is aanvankelijk sceptisch, maar gaat meer uit wanhoop dan uit overtuiging akkoord wanneer zijn financiële manager Victor Goddet, vader van de latere Tourdirecteur Jacques, hem op de lege kluis wijst. "Hebben we een keuze?"
...

Een 110 jaar oude, zwarte fiets hangt er nog altijd aan de muur, met onder de stang een foto van Maurice Garin, de allereerste Tourwinnaar. Maar de namen Henri Desgrange en Géo Lefèvre doen bij het jonge personeel van brasserie Sunset Boulevard op de Parijse Montmartre vreemd genoeg geen belletje rinkelen. Nochtans bespreken beide journalisten hier op 20 november 1902, in wat toen brasserie Zimmer heette, het ballonnetje dat Lefèvre eerder op de dag, tijdens een crisisberaad van hun sportmagazine L'Auto, opgelaten heeft. "Waarom organiseren we geen zesdaagse, maar dan op de weg? Een soort Tour de France." Desgrange is aanvankelijk sceptisch, maar gaat meer uit wanhoop dan uit overtuiging akkoord wanneer zijn financiële manager Victor Goddet, vader van de latere Tourdirecteur Jacques, hem op de lege kluis wijst. "Hebben we een keuze?" Neen, want het geelgekleurde L'Auto lijdt onder de moordende concurrentiestrijd met de groene sportkrant Le Vélo van Pierre Giffard, een humanist die het lot van de Fransen na de oorlogsnederlaag in 1870 tegen de Pruisen wilde verlichten en daarom in 1891 wielerklassiekers als Parijs-Brest-Parijs en Bordeaux-Parijs op poten gezet heeft. Die monsterritten (tot 1200 kilometer) moesten de Franse weerbaarheid aantonen, plus ook de nationale fietsindustrie stimuleren, een markt die de Engelsen toen domineerden. Giffard haalt echter de toorn van zijn adverteerders op de hals wanneer hij als progressief de kant kiest van Alfred Dreyfus, een joodse legerkapitein die veroordeeld wordt voor spionage en wiens proces Frankrijk van 1894 tot 1899 in tweeën splijt. Geërgerd beslissen conservatieve grootindustriëlen als Michelin, Clément en De Dion in oktober 1900 zelf een sportkrant op te richten: L'Auto-Vélo, met de ex-renner/auteur/zakenman Henri Desgrange aan het hoofd. Die neemt het jaar erna al Parijs-Brest-Parijs over, begint in 1902 met de klassieker Marseille-Parijs en organiseert ook een 'Bordeaux-Parijs bis', enkele weken na de editie van Le Vélo. Pierre Giffard countert echter gevat door de naam L'Auto-Vélo aan te vechten als plagiaat van zijn blad. De rechter geeft hem gelijk: L'Auto-Vélo moet L'Auto worden. Een bijkomende klap voor Desgrange, die ondanks alle moeite zijn oplage niet boven de 25.000 ziet stijgen en uit wanhoop de befaamde crisisvergadering met Géo Le- fèvre belegt. Of hoe een spionagezaak uiteindelijk uitmondt in wat nu 's werelds grootste wielerwedstrijd is. Hoewel L'Auto het op 19 januari 1903 ook zo aankondigt, blijft de interesse van de renners uit: slechts 15 inschrijvingen op 21 april. Om gezichtsverlies te vermijden verplaatst Desgrange de startdatum van 31 mei naar 1 juli, verlaagt hij het inschrijvingsgeld van 20 naar 10 Franse frank en belooft hij een kostenvergoeding van 5 frank per dag. De totale prijzenpot schroeft hij zelfs op naar 20.000 frank, waaronder 3000 frank voor de eindwinnaar - een fortuin in die tijd. Het werpt zijn vruchten af: 78 gegadigden schrijven zich in, van wie er zestig zouden starten voor een tocht van 2428 kilometer, verdeeld over zes etappes en zeven rustdagen, negentien dagen in totaal. Met start en aankomst in Parijs, plus tussenstops in Lyon, Marseille, Toulouse, Bordeaux en Nantes. Niet toevallig steden met grote treinstations, zodat de officials tijdig bij de controlepunten kunnen raken. De moeilijk bereikbare en berijdbare Alpen, Pyreneeën en Vogezen worden wel links gelaten, want de eerste Tour is al zwaar genoeg: behalve rit vier, 'amper' 268 kilometer lang, bedraagt de gemiddelde afstand liefst 432 kilometer. De coureurs, die in gereserveerde hotels slapen, moeten ook veelal 's nachts vertrekken en hun weg zoeken op donkere, stoffige en met putten bezaaide wegen. Met gewone boerenkost als bevoorrading, in ongemakkelijke wollen outfits, en op twintig kilogram zware fietsen, zónder remmen of derailleur en zonder vrijwiel, zodat renners - zoals op de piste - altijd moeten trappen. Bovendien moeten ze zelf hun herstellingen uitvoeren, want mecaniciens of verzorgers zijn niet toegelaten. Ook stayeren achter motoren, gangbaar in de langere eendagsklassiekers, verbiedt Desgrange. Net als het ploegenspel, omdat hij een krachtmeeting tussen individuen, en niet tussen teams, beoogt. Start en aankomst laat de Tourbaas telkens plaatsvinden in de voorsteden. Makkelijker te organiseren en bovendien zijn wielerkoersen in stadscentra verboden. De locatie van de eerste Grand Départ ligt dan ook in Montgeron, ten zuidoosten van Parijs, aan een pleisterplaats voor postkoetsen en handelaars: café Le Réveil Matin. Hier stuurt Georges Abran, secretaris van L'Auto, op 1 juli 1903 om 15.16 uur het allereerste Tourpeloton op pad, al verschuift de reële start wegens wegwerkzaamheden naar de Route de Corbeil, zo'n 500 meter verderop. Onder de zestig deelnemers twee Duitsers (onder wie Joseph Fisher, in 1896 de eerste winnaar van Parijs-Roubaix), vier Zwitsers, een Italiaan (Rodolfo Muller, die op verzoek van Desgrange begin juni als allereerste het volledige parcours verkende), vier Belgen (Marcel Kerff, Julien 'Samson' Lootens, Aloïs Catteau en Jules Sales), en voor de rest Fransen, zoals favorieten Maurice Garin (ex-winnaar van Parijs-Roubaix, Parijs-Brest-Parijs en Bordeaux-Parijs), Hippolyte Aucouturier (in 1903 de beste in Parijs-Roubaix en Bordeaux-Parijs) en pistespecialist Léon Georget (negenvoudig winnaar van de 24-urenrace Bol d'Or). Aan de zijde van die profs: metsers, mijnwerkers, smeden, barmannen... Avonturiers, die Desgrange liefkozend gaillards - 'vermetele kerels' - noemt. De eerste rit richting Lyon, 467 kilometer lang, wordt al meteen een helse tocht: 23 renners geven op, geteisterd door de hitte, materiaalpech, talloze valpartijen en voedselvergiftigingen. Onder meer Aucouturier moet stoppen met maagkrampen, omdat hij te veel water (of wijn? - om de pijn te verlichten) gedronken heeft. De volgende dag mag hij nog starten, maar voor het eindklassement komt hij niet meer in aanmerking. Maurice Garin, een kettingroker die volgens Desgrange de sterkste maag heeft - "Hij kan tweehonderd kilometer zonder eten en drinken" -, laat het niet aan zijn hart komen. Profiterend van een tussenstop van zijn concurrenten rijdt de renner van de ploeg La Française - een fietsenmerk - samen met Emile Pagie en Léon Georget onweerstaanbaar weg. Zo verbazend snel (gemiddeld 26,3 kilometer per uur) dat de aankomstcontrole in Lyon in allerijl klaargezet moet worden. En zo rap dat journalist Géo Lefèvre, die het peloton nochtans per... trein volgt, de finish mist - net als veel toeschouwers. Al om 9 uur is Garin na een tocht van bijna 18 uur solo over de aankomst gebold. Pagie heeft hij op de laatste kasseistrook gelost, Georget eindigt na een lekke band als derde, op 35 minuten. De opmerkelijk hoge snelheden en de vroege finish van Garin en Pagie doen bij velen echter de wenkbrauwen fronsen. Zeker wanneer blijkt dat sommige deelnemers niet alleen met stafkaarten gespot werden - om niet te verdwalen op het platteland - maar ook met spoorboekjes. En zich dus wellicht niet alleen per fiets verplaatst hebben. Geruchten doen ook de ronde dat renners met een kurk in de mond, verbonden aan een stuk ijzerdraad, zich 's nachts door auto's hebben laten voorttrekken. De redactie van L'Auto zal dan ook de hele Tour anonieme lezersbrieven ontvangen met klachten over bedrog. Voor Géo Lefèvre is het, zelfs met de hulp van lokale fietsclubs en geheime controleurs, echter onmogelijk om alles in het oog te houden. Slechts één auto volgt immers het peloton, en die officials zitten meer in een bar dan dat ze zich om hun taak bekommeren... Opdat meer toeschouwers de finish van de volgende rit zouden zien, wordt de start, na twee rustdagen, vervroegd naar één uur 's nachts. 374 kilometer verder ligt de finish in Saint-Antoine, een dorpje even buiten Marseille. De verrezen Hippolyte Aucouturier wint er de sprint voor Léon Georget, beiden volledig bedekt met stof, alsof een zak bloem over hen gegoten is. Even later mag Aucouturier, op de nabijgelegen piste van het Parc Borély, een ereronde voor 5000 wielerfans maken. "Doodjammer van mijn opgave in de eerste etappe, maar ik heb bewezen wat ik kan als ik mezelf ben. Nu wil ik alle resterende ritten winnen." Maurice Garin is minder blij: na een val en twee lekke banden ziet de amper 1,63 meter kleine ex-schoorsteenveger zijn voorsprong van ruim een halfuur naar negen minuten slinken. "Ik wilde mezelf niet kapot rijden voor de ritzege. Alleen de eindoverwinning interesseert me", aldus de leider, toen te herkennen aan een groene armband. Bluf, geeft hij later toe, wanneer de coureur uit Lens vertelt hoe hij die dag tot tranen toe moest vechten. Als blijkt dat veel klassementsrenners in de tweede rit opgevers uit de openingsetappe ingehuurd hebben als helpers - hoewel stayeren verboden is -, past de organisatie vanaf rit drie het reglement aan: die laatsten moeten een uur later starten, tot groot ongenoegen van Aucouturier. De reële tijden komen wel in aanmerking, maar in het gezelschap van de mindere goden vreest hij nooit hetzelfde tempo van de besten te kunnen aanhouden. Zeker wanneer richting Toulouse een hevige mistral de renners teistert. Garin klieft door de wind, tot hij op een splitsing de verkeerde kant kiest en een kwartier verspeelt. Met de hulp van de verrassend sterke Jean Dargassies, een smid die nooit een wielerwedstrijd gereden heeft, keert de nordist snel terug tot bij Georget, die daarna, geplaagd door diarree en drie lekke banden, bijna twee uur verliest. In Toulouse arriveert Garin als derde, na Eugène Brange en de Belg Julien Samson. Voor de verbazende Brange, een barman die in de eerste etappe als laatste op meer dan twintig uur geëindigd was, het hoogtepunt uit zijn carrière. Tot Aucouturier over de streep komt en blijkt dat die in zijn eentje 32 minuten sneller gereden heeft. Zijn tweede ritzege is binnen, al is Hippolyte 'De Verschrikkelijke' niet gelukkig. "Godgeklaagd dat ik met al die sukkelaars moet starten!" Zijn boosheid bereikt in de volgende etappe een climax wanneer Aucouturier zwaar valt over een overstekende hond en moet opgeven. 's Nachts hadden honderden wielerfans in een café in startplaats Toulouse nog naar beelden - gefilmd met de allereerste camera's - van zijn ritzeges gekeken, vooraleer om vijf uur 's morgens de vierde etappe richting Bordeaux op gang geschoten werd. Met grote voorsprong op het tijdschema, dankzij een sterke rugwind, wint Julien Samson er de sprint voor Muller, Georget en Garin, toegejuicht door alweer een immense menigte. Onze landgenoot, die om zijn rijke afkomst te verbergen onder een schuilnaam en niet onder zijn echte naam (Lootens) deelneemt, moet na zijn ereronde op de nabijgelegen piste wel naar La Marseillaise luisteren. Van de Brabançonne heeft het plaatselijk orkest nog nooit gehoord... Ook nu is de vreugde van de winnaar echter van korte duur. De Zwitser Charles Laeser, een van de coureurs uit de groep-Aucouturier, legt de 268 kilometer vier minuten vlugger af dan Samson en wint zo als eerste niet-Fransman een Touretappe. Met dank aan de... Belg Marcel Kerff, die Laeser een band gegeven heeft toen die lek reed. Minder verrassend is de winnaar van de volgende rit naar Nantes, waar Garin zijn dominantie bevestigt met een sprintzege voor Arthur Pasquier en La Françaiseploegmaat Lucien Pothier. Schijnbaar een geschiedenisloze etappe tot een huilende Fernand Augereau arriveert. "Ik zat in de kopgroep met Garin, toen die de zege wilde kopen. Maar ik voelde me de beste en weigerde zijn voorstel. Na een heftige discussie stapte Pothier op bevel van Garin van zijn fiets en wierp die voor mij. Ik kwam ten val, waarop Garin mijn wielen kapot stampte. In een colère vlamde ik met een veel te grote reservefiets - gekregen van een postbode - het gat weer dicht, maar reed dan lek..." Pothier en Garin ontkennen echter met klem: "Sabotage? Niets van geloven. Augereau hallucineert. Il est devenu toc-toc." De uitslag blijft behouden, tot woede van de Franse wielerfans. Bij de start van de laatste rit fluiten ze Garin massaal uit, terwijl ze de naam van zijn slachtoffer scanderen: "Vive Augereau!" De leider trekt er zich weinig van aan, zijn eindzege is zo goed als binnen. Léon Georget, de enige die hem had kunnen bedreigen, viel in de vorige rit immers in slaap in een sloot en gaf uitgeput op. Op de Rue de Versailles in Ville d'Avray, de aankomstplaats van de laatste etappe, ten zuidwesten van Parijs, zet de 32-jarige Garin de puntjes op de i. Om 14.10 uur rijdt de Bulldog, zoals Desgrange hem ook noemde, tussen een dik pak toeschouwers tien seconden voor... Augereau solo over de finish. Pal voor het café Le Père Vélo, die - gezien de concurrentiestrijd met het gelijknamige tijdschrift - voor één dag omgedoopt wordt tot Le Père Auto. Tegenwoordig worden er pizza's gebakken in Le Boccaccio, maar op die 19e juli 1903 slurpen Garin en co er liters champagne naar binnen vooraleer ze op de velodroom van het Parc des Princes een laatste tijdrit over één kilometer afwerken, aangemoedigd door 20.000 uitzinnige wielerfans. Voor rode lantaarn Arsène Millocheau (21e) is die eer niet weggelegd. Hij arriveert pas 's avonds laat en doet over de 2428 kilometer bijna drie (!) dagen langer dan Garin. Hoewel die met een uurgemiddelde van 25,6 kilometer net geen drie uur rapper reed dan Lucien Pothier - het grootste verschil ooit - en zijn pijn gezalfd wordt door ruim 6000 frank prijzengeld - waarmee hij later een garage in Lens koopt - is ook de ex-schoorsteenveger op het einde van zijn krachten. "Ik heb gezwoegd en dorst gehad, ik heb geleden en geweend. Ik moet bekennen dat uw wedstrijd het zwaarste is wat een mens zich kan inbeelden", vertelt hij aan Géo Lefèvre en Henri Desgrange. Die kunnen hun geluk niet op: de belangstelling voor de eerste Tour was in heel Frankrijk, zelfs in België, overweldigend, de speciale edities van L'Auto verkochtenals zoete broodjes - tot ruim 100.000, een verviervoudiging van de oplage - en concurrent Le Vélo gaat failliet. Bovendien zijn alle twijfels over het riskante idee dat Lefèvre acht maanden eerder geopperd heeft verdwenen. De mythe van 'La Grande Boucle' is geboren, maar lijkt in 1904 al verkwanseld wanneer de tweede editie ten onder gaat aan gesjoemel: de eerste vier uit het eindklassement - onder wie Maurice Garin, voor de tweede maal eindwinnaar - worden gediskwalificeerd, weliswaar pas in november van dat jaar. De officiële reden zal de Franse wielerbond nooit meedelen, maar dat Garin en co veelvuldig in plaats van op hun fiets in een trein of een auto sprongen is de meest gehoorde klacht. Desgrange kondigt ontmoedigd het einde van zijn 'walgelijke' Tour aan, maar ziet door het rumoer rond de diskwalificatie tot zijn grote verwondering de oplage van L'Auto stijgen. Evenveel door in het sportieve element blijkt het publiek immers geïntrigeerd door de wereld van list en bedrog. Een vreemd, maar uniek en onverwoestbaar recept dat ook de volgende 109 jaar het succes van de Tour de France zal verklaren. ?Drie Belgen eindigden in de top tien van het eindklassement van de eerste Tour. Hun opmerkelijk verhaal leest u op www.sportmagazine.be DOOR JONAS CRETEUR - BEELDEN: IMAGEGLOBELéon Georget, de enige die Garin had kunnen bedreigen, viel in slaap in een sloot. Rode lantaarn Arsène Millocheau doet over de 2428 kilometer bijna drie dagen langer dan Maurice Garin.