Grootspraak is aan deze jonge Gentse atleet niet besteed. Sam Van Rossom (21) is uit het goede hout gesneden: zelfbewust, maar bescheiden, en ontzettend veeleisend voor zichzelf. Goed is nooit goed genoeg. Als het even iets minder gaat, traint hij wel enkele uren bij op z'n eentje. Een arbeidsethos dat volgens de oudere garde maar al te vaak ver te zoeken is bij de jeugd van tegenwoordig. Zijn club, BC Oostende, doet het goed. En Sam Van Rossom voelt zich goed aan de kust: hij verlengde zijn contract vorige week tot medio 2009.
...

Grootspraak is aan deze jonge Gentse atleet niet besteed. Sam Van Rossom (21) is uit het goede hout gesneden: zelfbewust, maar bescheiden, en ontzettend veeleisend voor zichzelf. Goed is nooit goed genoeg. Als het even iets minder gaat, traint hij wel enkele uren bij op z'n eentje. Een arbeidsethos dat volgens de oudere garde maar al te vaak ver te zoeken is bij de jeugd van tegenwoordig. Zijn club, BC Oostende, doet het goed. En Sam Van Rossom voelt zich goed aan de kust: hij verlengde zijn contract vorige week tot medio 2009. Van Rossoms opgang bij Oostende was steil: op twee jaar tijd werd hij een basispion in het team en de supporters zijn dol op hem. Er wordt enkel in superlatieven over hem gesproken in het basketmilieu, maar het maakt de laconieke twintiger weinig uit: Van Rossom speelt gewoon graag basket. De aandacht neemt hij er maar bij. "Ik begon te basketten op mijn vijfde. Mijn vader was basketbalcoach in Drongen en ik moest mee naar een training omdat niemand op mij kon passen. Daar rustig op de bank blijven toekijken bleek onmogelijk. Ik werd onmiddellijk verliefd op het spelletje en op de bal. Ik was te jong om te spelen, maar mocht wel meetrainen met de ploeg van mijn broer (die twee jaar ouder is, nvdr). Ik was van in het begin heel competitief en gedreven, echt bezeten. Als mijn coach zei dat hij na een slechte wedstrijd uren aan een stuk zijn shot oefende, ook als het regende, nam ik dat iets te letterlijk. Mijn moeder wist niet wat er gebeurde toen ik, als het begon te regenen, halsoverkop naar buiten liep om te shotten. Kleine Sam was gek geworden." (lacht)Sam Van Rossom: "Ik werd in ieder geval pisnijdig als ik verloor. Ik moet echt onuitstaanbaar geweest zijn, als ik dat zo achteraf bekijk. Roepen tegen alles en iedereen als het niet ging zoals ik wilde. Dat heeft geduurd tot mijn vader mijn coach was, bij de miniemen. Als ik vervelend deed, zette hij mij zonder verpinken op de bank. Leuk vond ik dat toen niet, maar nu ben ik hem daar dankbaar voor. Je steekt als speler niet alleen heel veel energie in je boos maken, je creëert zo ook meer vijanden dan vrienden." "Ik denk dat vooral mijn ambitie heel erg opviel. Ik verkondigde al van jongs af aan dat ik ooit in de eerste ploeg van (het toenmalige) Bobcat wou spelen. Dat fascineerde me. Ik wou toen al de beste zijn. Coaches zien die ambitie wel natuurlijk en dagen je dan ook uit. Ze gaven me oefeningen waar ik niets van bakte, waardoor ik nog harder ging werken. Dat moest ook wel om mee te kunnen met jongens die ouder, groter en sterker waren. Uiteraard had ik wel wat talent en fysieke vaardigheden, maar ik heb vooral zelf hard gewerkt. "Rond mijn vijftiende begon ik te trainen in het JBOC-project (Jeugd Basket Opleidingscentrum). Dat is een samenwerkingsverband tussen Gentse clubs om jonge spelers meer kansen te geven om zich te ontwikkelen. Als tegengewicht voor de Ajaxschool in Oostende, die al het talent in het Gentse weglokte. Met een groep jongens trainden we drie keer per week, naast de gewone clubtrainingen. Daarvoor was ik ook al dagelijks bezig met basketbal, thuis op de oprit shots oefenen of spelen met mijn broer, maar toen werd het allemaal professioneler." "Als ik zie welke resultaten ik er nu mee gehaald heb: nee, absoluut niet. Natuurlijk weet je op voorhand nooit of je inspanningen ook resultaat opleveren. Maar andere jongens zijn bezig met de scouts of met voetbal, ik verdiepte me in basket. "Op mijn zestiende ging ik dan naar De Pinte. Ik speelde er bij de jeugd en trainde mee met de eerste ploeg, die toen in de derde klasse speelde. Daar mocht ik af en toe enkele minuten opdraven. Misschien niet zo veel, maar ik heb er wel veel geleerd. De ploeg is dan gepromoveerd naar tweede, waar ik als zeventienjarige rustig ben kunnen groeien, als tweede point guard." "Je krijgt heel wat reacties van alle kanten bij zo'n overstap: 'Je bent te jong, je gaat niet aan spelen toekomen.' Ik stond daar wel bij stil. Maar anderzijds, ik was negentien, als ik het toen niet probeerde, wanneer dan wel? Ik verwachtte ook niet zo veel, ik wou gewoon de kans krijgen om mezelf te bewijzen. Ik wist dat ik er anders eeuwig spijt van zou hebben. Misschien dat het daarom zo goed ging, ik oefende niet te veel druk uit op mezelf." "Het grote voordeel in Oostende was dat ze Jean-Marc Jaumin aangetrokken hadden voor mijn positie en geen Amerikaan. Jaumin was op dat moment 35, dus ik wist dat ik én veel kon leren van hem én toch ook een serieus aantal speelminuten kon krijgen. Ik heb hard gewerkt en dan mijn kans gegrepen. Op het einde van het eerste seizoen speelde ik ongeveer 25 minuten per wedstrijd. Je moet wat geluk hebben, maar het ook zelf afdwingen. De bagage die Jaumin me bijbracht, is echt onbetaalbaar." "Ik was wel even verrast ja. (lacht) Als speler vormt dat een enorme bevestiging dat je goed bezig bent. Langs de andere kant stijgen de verwachtingen van de mensen ook exponentieel. Mensen verwachten dat je iedere wedstrijd zonder moeite de pannen van het dak speelt, maar zo simpel gaat dat niet. Die druk verlamt me gelukkig niet, het drijft me alleen maar om harder te werken." "Ik sta daar eigenlijk niet bij stil, het ligt gewoon niet in mijn karakter om te beginnen te zweven. Ik word thuis ook goed omringd, mijn ouders zijn twee bescheiden mensen die me met de voeten op de grond houden." "Ik was geen slechte student, maar basket primeerde. Ik heb nog een jaar rechten gestudeerd in Gent, maar dat viel onmogelijk te combineren. Twee dingen half doen is geen goed idee: dan slaag je in geen van beide. Toen ik mijn contract tekende in Oostende, besloot ik mezelf dan ook twee jaar de kans te geven om me honderd procent op het basket te concentreren." "Ik speel hier nu al drie jaar en ik heb het respect van mijn medespelers. Door hard te werken, goed te presteren en een goede communicatie op en naast het veld. Ik vermoed dat ik van nature ook een beetje een leiderstype ben. Nu, in Oostende staan de guards tijdens de match eigenlijk constant in contact met de coach, hij beslist welke plays we spelen. Hij laat wel ruimte voor overleg, het staat ons vrij andere dingen voor te stellen. "Ik denk dat we een heel goede ploeg hebben dit jaar: we kunnen op het einde vaak nog die extra stap zetten, fysiek en tactisch, die nodig is om een wedstrijd te winnen. De top is wel veel breder geworden in België, de kloof tussen de grote en kleine clubs vernauwt. Dat is een goede zaak voor de spankracht van de competitie. De mentaliteit is een stuk beter dan vorig jaar, toen enkele spelers meer de individuele toer opgingen. Dat is mooi als die acties lukken in de match, maar naast het veld zijn dat einzelgängers. Ik amuseer me dit jaar in ieder geval beter." "Mijn sterke punt was en is mijn drive, mijn agressiviteit, mijn beweeglijkheid. Ik heb ook een groot fysiek vermogen voor iemand van mijn leeftijd. Mijn shot heeft een tijdje in een dipje gezeten, maar dat is veel verbeterd. Ik heb er genoeg aan gewerkt ook. Mijn slechte kant is dat ik soms te veel loop te mekkeren op mezelf als er dingen misgaan. Zoals ik al zei, ik streef altijd naar perfectie. En ja, soms slaag ik daar niet in en dan durf ik al eens te vloeken op mezelf." "Hij is de beste coach die ik ooit gehad heb. Hij is menselijk, geeft je als speler veel vrijheid en is tactisch heel sterk. Je hebt coaches die echte brulapen zijn, die je uitschelden voor de hele groep als je iets verkeerd gedaan hebt. Drucker doet dat niet, hij vat de psyche van topsporters: hij laat je met rust wanneer je dat nodig hebt, maar weet ook wanneer er een harde hand nodig is." "Ik vind het een beetje dubbel. Belgen moeten harder vechten om een kans te krijgen. Maar hoeveel Belgische spelers gaan er ook echt voor? Ergens begrijp ik wel dat, als je twee jaar amper vijf minuten per wedstrijd krijgt, je je heil zoekt in de lagere reeksen. Maar toch ... Ik kan alleen maar zeggen tegen elke jonge speler: probeer het toch maar. Je kan altijd nog zakken, het omgekeerde is moeilijker. Ik vind wel dat er op het wedstrijdblad verplicht zes Belgen zouden moeten staan in plaats van de vier nu. Dan worden coaches wel verplicht Belgen te gebruiken." "We hebben een enorm jonge ploeg, met veel talent. Axel Hervelle speelt nu al bij Real Madrid en staat op het punt naar de NBA te gaan. Als de bond Eddy Casteels de tijd geeft om met ons te werken, denk ik wel dat we ergens kunnen komen. Zeker als Tomas Van Den Spiegel nog eens een campagne voortdoet. Dat zal niet zo eenvoudig zijn. Als je iets ouder wordt, wil je toch genoeg rust inbouwen na een zwaar seizoen bij je club. Ik vind het een hele eer om voor de Belgian Lions te spelen, maar een wereldtopper zullen we nooit worden." "Basket vormt in ieder geval het hoofdbestanddeel van mijn leven. We trainen niet veel, omdat we elke week een Europese wedstrijd spelen en veel tijd verliezen met verplaatsingen. Als we dan maar één keer per dag trainen, gaan we meestal met de jongeren nog een uurtje shotten. Ah ja, altijd beter worden hé. (lacht)" "Ik leerde al vroeg dat je als topsporter je rust moet respecteren, dat is de helft van het harde werk. Plus, talent moet je verzilveren. Er zijn genoeg voorbeelden van jongens die de pedalen verloren, en waar heb je dan al die jaren voor gewerkt? Nee, dat zal ik mezelf nooit toelaten. Pas op, ik ga graag uit, zeker omdat ik dan veel oude vrienden terugzie, maar ik beperk het. Na een wedstrijd, of als ik geblesseerd ben. Natuurlijk mis je dan soms dingen, maar ik kan doen wat ik het liefst doe: basket spelen. En dat is me meer waard dan eender wat anders." Sdoor kaatje de coninck