In mijn elfjarige loopbaan in de eerste ploeg van Anderlecht ben ik maar twee keer kampioen geworden. Dat is merkwaardig te noemen, omdat wij in de jaren zeventig en tachtig hoge toppen scheerden in Europa. Ons probleem was dat sommige van mijn ploegmaats er met hun pet naar gooiden tegen mindere goden in onze competitie. In de topwedstrijden was er geen probleem, maar in uitmatchen tegen Beringen of FC Luik wel! Het kampioenschap wordt niet gewonnen in de onderlinge duels tussen de topploegen, maar tegen de mindere goden, en daar hadden we niet altijd oog voor. Op die manier hebben we veel punten verbrast. Spijtig genoeg waren er nog geen play-offs in mijn tijd, want dat zijn allemaal topmatchen en daar zouden sommige spelers zoals Robbie Rensenbrink zich wel in hun sas gevoeld hebben. Ik heb deze stelling eens voorgelegd aan Robbie. Hij was het helemaal oneens met mij. Ren...

In mijn elfjarige loopbaan in de eerste ploeg van Anderlecht ben ik maar twee keer kampioen geworden. Dat is merkwaardig te noemen, omdat wij in de jaren zeventig en tachtig hoge toppen scheerden in Europa. Ons probleem was dat sommige van mijn ploegmaats er met hun pet naar gooiden tegen mindere goden in onze competitie. In de topwedstrijden was er geen probleem, maar in uitmatchen tegen Beringen of FC Luik wel! Het kampioenschap wordt niet gewonnen in de onderlinge duels tussen de topploegen, maar tegen de mindere goden, en daar hadden we niet altijd oog voor. Op die manier hebben we veel punten verbrast. Spijtig genoeg waren er nog geen play-offs in mijn tijd, want dat zijn allemaal topmatchen en daar zouden sommige spelers zoals Robbie Rensenbrink zich wel in hun sas gevoeld hebben. Ik heb deze stelling eens voorgelegd aan Robbie. Hij was het helemaal oneens met mij. Rensenbrink bevestigde dat hij inderdaad liever speelde tegen Barcelona dan tegen Beringen, maar wat hem vooral de strot uitkwam in dat soort wedstrijden was het feit dat hij steeds opgezadeld zat met een potenbreker die de hele match in zijn nek ademde en die, als het nodig was, samen met hem naar het toilet gegaan zou zijn. Mijn eerste titel haalde ik binnen in 1972, eentje die uit de lucht kwam gevallen. Op zes matchen van het einde stonden we zeven punten in het krijt bij Club Brugge (nog in het tweepuntensysteem). Onze eerstvolgende match was een uitstapje naar de Breydelstad, waar we speelden op De Klokke, er zijn plezantere zaken in het leven! Iedereen verwachtte dat Club het kampioenschap ging beslissen, er heerste dan ook een helse sfeer. Tot ieders verrassing hielden we goed stand en uiteindelijk wonnen we met 0-2. Daar is blauw-zwart onnodig beginnen te twijfelen en ze verloren ook hun volgende twee wedstrijden, uit tegen Waregem en thuis tegen Antwerp. Uiteindelijk moest alles beslist worden tijdens de laatste wedstrijd van het seizoen. Brugge speelde uit bij Racing White, wij thuis tegen Sint-Truiden. Indien wij wonnen tegen de Limburgers was Club verplicht te gaan winnen in het Brusselse Fallonstadion, geen sinecure! De week voor de match deden verschillende geruchten de ronde. Willy Tack, de doelman van de Brusselaars, zou benaderd geweest zijn om Club Brugge een handje toe te steken. Wat er juist gebeurd is in de spelersgroep van RC White weet ik niet, maar Tack speelde de wedstrijd van zijn leven en hield de stand op 1-1. Ik heb later gehoord dat sommige spelers van RC White gedreigd hadden de arme man zijn twee benen te breken indien hij de match zou 'flikken'. Dat de mannen van het Fallonstadion dit allemaal deden voor onze mooie blauwe ogen, daar heb ik toch ook serieuze twijfels over ... Wij wonnen met 5-1 van een al in vakantie-stemming verkerend Sint-Truiden en werden kampioen. Het Astridpark ontplofte, wat te begrijpen was want de titel was absoluut niet meer verwacht. George Kessler, onze trainer, had het weer geflikt, ondanks de vele aanvaringen die hij tijdens het seizoen had gehad met Paul Van Himst en Jan Mulder. Maar zoals u misschien weet, wordt in het voetbal alles met de mantel der liefde bedekt wanneer men kampioen speelt. De afrekening wordt dan een tijdje uitgesteld, dat heeft de Duitser mogen ondervinden ... Mijn tweede titel kwam er in 1974. In de voorlaatste match, thuis tegen KV Mechelen, hadden we aan winst genoeg om gekroond te worden. Maar de Maneblussers dachten daar anders over en hielden ons op 2-2. De champagne kon opnieuw de koelkast in. Het moest gebeuren in Beveren, aan een gelijkspel hadden we genoeg. We wonnen met 1-4, maar ik moet toegeven dat de Waaslanders nu niet echt de zolen van onder hun schoenen gelopen hebben. Urbain Braems stond aan het roer bij ons, een man met een groot Beverens verleden. Hij was een heel ander type dan Kessler, een vaderfiguur. Mevrouw Braems was ook nogal dicht bij het gebeuren betrokken, had ik zo de indruk. Er deed een grapje de ronde in de kleedkamer: sta goed met mevrouw Braems en je speelt altijd! Met 'de schoolmeester' wonnen we ook nog tweemaal de beker van België. Braems was een onderschatte trainer. Overal waar hij werkte had hij succes, zelfs bij Trabzonspor in Turkije, waar hij in de schaduw van Jean-Marie Pfaff puik werk leverde. Het is altijd een genoegen om hem nog eens tegen te komen, wat ik niet van iedereen kan zeggen in het voetbal ... "Sta goed met mevrouw Braems en je speelt altijd!"