Begin oktober gooide Michael Schumacher de handdoek nadat hij bij Mercedes geen nieuw contract meer kreeg. De Duitser stopt voor de tweede keer met racen, nu definitief. Schumi is met zeven wereldtitels recordhouder in deze discipline. In 2003 al onttroonde hij met zijn zesde titel de vorige recordhouder, de Argentijn Juan Manuel Fangio, die tussen 1951 en 1957 vijf keer wereldkampioen werd. Maar in de manier waarop beide legenden afscheid namen van de autosport moet de Duitser de duimen leggen. Terwijl Schumacher een vrij anoniem einde aan zijn carrière breide, haalde Fangio in zijn laatste jaar het wereldnieuws, dagen aan een stuk. Onverwacht werd hij immers het koninginnenstuk in het schaakspel van de Cubaanse revolutie.
...

Begin oktober gooide Michael Schumacher de handdoek nadat hij bij Mercedes geen nieuw contract meer kreeg. De Duitser stopt voor de tweede keer met racen, nu definitief. Schumi is met zeven wereldtitels recordhouder in deze discipline. In 2003 al onttroonde hij met zijn zesde titel de vorige recordhouder, de Argentijn Juan Manuel Fangio, die tussen 1951 en 1957 vijf keer wereldkampioen werd. Maar in de manier waarop beide legenden afscheid namen van de autosport moet de Duitser de duimen leggen. Terwijl Schumacher een vrij anoniem einde aan zijn carrière breide, haalde Fangio in zijn laatste jaar het wereldnieuws, dagen aan een stuk. Onverwacht werd hij immers het koninginnenstuk in het schaakspel van de Cubaanse revolutie. Juan Manuel Fangio was een migrantenzoon, zijn ouders kwamen uit Italië. Hij groeide op in Balarce, in de provincie Buenos Aires. Al snel interesseerde hij zich voor mechanica, en met snel bedoelen we: héél snel. Op zijn dertiende al ging hij werken in het atelier van de lokale Fordgarage. Al op zijn tiende kroop hij voor het eerst achter het stuur. Hij had daarbij het gevoel, zei hij in een interview, dat de auto "tot leven kwam". Leren rijden deed hij door met de ogen te stelen. "Ik nam vaak de bus en kroop dan vlak bij de chauffeur. Zo leerde ik hoe je moest schakelen." Het staat allemaal in de documentatie die het museum in Balarce over hem verzamelde. Daar leer je ook dat Fangio aanvankelijk voetbalde en bokste, maar dat zijn bloed kroop naar wat hem als kind al fascineerde: de auto. En zo begon in 1929 zijn carrière achter het stuur. Eerst nog op de weg, dan op onverharde circuits, later op geasfalteerde. De veiligheid was toen lang niet wat ze nu is en dus gebeurden er geregeld ongevallen. Het noodlot spaarde ook Fangio niet. Eind oktober 1948 nam de Argentijn, wiens bekendheid intussen ook tot Europa was doorgedrongen, deel aan de Gran Premio de América del Sur, een race tussen Buenos Aires en het Venezolaanse Caracas. Tijdens de zevende etappe, in het noorden van Peru, sloeg zijn auto overkop. Daarbij kwam zijn navigator om het leven. Sindsdien is die dag in Argentinië de feestdag van de bijrijder in de autosport. In 1950 tekende Fangio een contract voor Alfa Romeo. Er werd een WK formule 1 op poten gezet en hij was een van de drie rijders van de Italiaanse stal. Fangio won in Monaco, Angou- lême, Spa, Reims, Genève... Het werd één lange zegetocht. Alleen zijn teamgenoot Giuseppe Farina deed nog beter en klopte Fangio nipt in de strijd om de wereldtitel. Het jaar daarna was die voor Fangio. In 1952 - Fangio was dan beroepshalve al concessionaris van Mercedes in Argentinië - sloeg het noodlot een tweede keer toe. In de race op Monza ging Fangio in de derde ronde zwaar van de baan. Vier maanden ziekenhuis werden zijn deel. Pas het seizoen erop kon hij weer aan het WK deelnemen. Het werd een jaar met veel pech en opgaves. Pas toen hij halverwege 1954 overstapte naar Mercedes kwam er weer succes, met twee wereldtitels. In 1955 was die titel voor de Duitse constructeur evenwel maar een magere troost. In juni kwam tijdens de 24 uur van Le Mans de Mercedes-Benz van de Fransman Pierre Levegh na een aanrijding in het publiek terecht. Naast de rijder kwamen nog 84 toeschouwers om het leven. Vrijwel onmiddellijk besloot de directie aan het einde van dat seizoen de raceactiviteiten stop te zetten. Fangio moest op zoek naar een andere auto en vond die weer in Italië, bij eerst Ferrari en daarna Maserati. Als wereldkampioen meldde hij zich in 1957 in La Habana, Cuba, om er de lokale Gran Premio te rijden. Niet opgenomen in de officiële kalender van het WK, maar wel prestigieus, want iedereen was aanwezig. Een wedstrijd over 500 kilometer, gereden op een stratencircuit in het hartje van La Habana, op het Circuito del Malecón, dat langs de kust was uitgetekend. Te vergelijken met de race in Monaco. Goed 5,6 kilometer lang, een smak rondjes voor een enthousiaste menigte. Door de tegenstanders van het regime gezien als propaganda voor Fulgencio Batista, die in 1933 na een opstand de macht had gepakt, eerst stromannen liet regeren, daarna zelf president werd en uiteindelijk acteerde als een Amerikaans gezinde dictator. Dictator, ja, want in 1952 had de man middels een opstand zijn gezag bevestigd toen hij dreigde de verkiezingen te verliezen. Cuba, en vooral de hoofdstad, was in die dagen het Monte-Carlo van de Caraïben, een gokparadijs voor rijke Amerikanen, waar de prostitutie bloeide en de maffia regeerde. Fangio werd er gevierd als een held, maar hij was niet de enige. Ook Stirling Moss kreeg veel aandacht en in het publiek zat onder meer Gary Cooper, toen een gevierd acteur. Er stond ook een Belg aan de start, Olivier Gendebien, later nog winnaar van de 24 uur van Le Mans. De race werd gewonnen door de wereldkampioen en kreeg voor Batista en een aantal Cubanen nog een woelig staartje. Toen de president met zijn gevolg via het circuit zijn paleis wilde bereiken, raakte hij vast in het verkeer, ze waren immers met zo'n 150.000 komen kijken... Toen de Cubanen dat zagen, probeerden ze tot bij hun chef te raken, om hem te spreken over de toestand in zijn land. De lijfwachten sloegen daarbij in paniek en ramden de toeschouwers manu militari uit mekaar. Het werd een bloederig, mensonterend einde van een zonnige dag. Wat Fangio noch Batista op dat moment weet, is dat de Argentijn maar net ontsnapte aan een gijzeling. In februari 1958 keert het hele circus terug voor de tweede editie van de Gran Premio. De wereldkampioen met zeer veel twijfels, hij overweegt te stoppen met koersen. Cuba heeft ook twijfels, het land heeft er een zéér woelig jaar op zitten. Vanuit de bergen van de Sierra Maestra dirigeert Fidel Castro sinds zijn terugkeer naar Cuba in december 1956 de opstand tegen Batista. Het zijn oude vijanden, Castro is voor een aanval op een kazerne in 1953 tot vijftien jaar cel veroordeeld, maar komt na twee jaar vrij en wijkt dan uit naar de VS en Mexico, vooraleer terug te keren naar zijn land en de president te bekampen. Zijn broer Raúl en Che Guevara zijn z'n maten in die gewapende strijd. Een paar keer probeert het regime hun verzet te ondermijnen door het valse gerucht over de dood van Castro te verspreiden. Uiteindelijk moet die dat weerleggen in... een interview met de New York Times. Vanuit zijn schuilplaats in de Sierra Maestra ziet Castro hoe de komst van Fangio in 1957 ontzettend veel aandacht losweekt in de kranten. Haast alle grote westerse media vaardigen iemand af om verslag te doen over wat bijna een society event is. Het plan rijpt om daarvan gebruik te maken en Fangio te kidnappen, maar een inval in een appartement waar de rebellen wapens hebben opgeslagen, doorkruist dat snel. Zonder wapens geen gijzeling, ook al waren de plannen, zo onthulde Arnold Rodríguezin een verhaal over de gebeurtenis, al in 1957 veel concreter dan iedereen lange tijd aannam. Als de plannen voor een nieuwe Gran Premio een jaar later vorm krijgen en de kranten melding maken van de komst van alle wereldvedetten, besluiten de rebellen hun oude plan om Fangio te ontvoeren van onder het stof te halen. 1958 moet 'het jaar van de bevrijding' worden, het jaar waarin ze de westerse media van hun gelijk willen overtuigen. Dan heb je een stunt nodig. Om informatie in te winnen sluiten de rebellen vriendschap met een sportjournalist. Die spreekt Italiaans, net als Fangio, en heeft een goeie band met MarceloGiambertoni, een goeie vriend van de Argentijn en acterend als 'manager'. Een paar dagen voor Fangio komt die in La Habana de boel verkennen en een programma opstellen. Zo weten de rebellen alles over de bescherming die Fangio van het regime geniet, inclusief de plaats waar de Argentijn gaat logeren. Net als in 1957 is dat in Hotel Lincoln, in kamer 810. Snel wordt duidelijk dat de goed bewaakte Fangio onder de neus van het regime ontvoeren niet makkelijk zal zijn. Het schrikt hen niet af, tegelijk zou daarin slagen bewijzen dat het regime 'zwak' was. Ze beseffen wel dat ze dansen op een dunne koord. Fangio, ontzettend populair in de hele wereld, mag onder geen beding wat overkomen of alles slaat in hun gezicht terug. Gebeurt dat wel, dan zal de hele wereld deze - wat zij omschrijven als 'patriottische' - gijzeling veroordelen. De gijzeling mag dan ook niet lang duren: alleen de Argentijn beletten om de wedstrijd, gecoverd door de wereldpers, te rijden. Zeventig uur, zo lang zal de Argentijn op Cubaans grondgebied blijven, weten ze als Fangio op vrijdag landt, voortdurend begeleid door militairen. Verkenning wijst snel uit dat het hotel te goed bewaakt is. Dus worden de plannen bijgesteld. Een eerste alternatief is Fangio ontvoeren als hij op zaterdagavond te gast is in een tv-studio. Drie auto's staan klaar, maar als Fangio de studio verlaat, is er in zijn buurt te veel bewaking en te veel volk dat een glimp wil opvangen van de vijfvoudige wereldkampioen. Een gewapende tussenkomst wordt afgeblazen. Plan B is hem ontvoeren op een cocktailparty later die avond, in Hotel Nacional, maar ook daar blijkt, na een incident met een fotograaf, veel meer bewaking te zijn dan de rebellen vooraf hebben ingeschat. Opnieuw wordt de actie op het laatste nippertje afgeblazen. Tegen de ochtend wordt na lang conclaaf besloten om de aandacht te verleggen naar de oefenritten op het circuit. Misschien doet zich daar een kans voor. 's Anderendaags blijkt dat Fangio ook daar voortdurend wordt bewaakt en omringd. De wedstrijd wordt op maandag gereden, een feestdag, en na de oefenritten trekt Fangio zich terug in zijn hotelkamer om wat te rusten. De rebellen worden stilaan wanhopig. Laten ze deze kans ook schieten, dan is het over. Bijkomende paniek ontstaat als blijkt dat de plaats waar ze de Argentijn willen vasthouden, niet meer gebruikt kan worden, omdat daar een van hun strijdmakkers wordt verpleegd nadat die gewond raakt bij een sabotageactie. In de film die later over de gijzeling van Fangio zou worden gemaakt, suggereert de regisseur dat de man werd neergeschoten tijdens die gijzeling, maar dat klopt niet met de feiten. Als de nood hoog is, brengt de pers opnieuw redding. De journalist die toegang heeft tot Giambertoni neemt contact op en wil Fangio met een interview uit zijn kamer lokken. De manager stemt niet toe en suggereert dat een dag later te doen, want Fangio staat op het punt om te gaan eten. De journalist alarmeert de rebellen, die zich gewapend in de lobby opstellen. Bewaking of niet, het zal en moet dan gebeuren. In de lobby zitten ook ingenieurs op Fangio te wachten. Zij willen het met hun rijder nog eens hebben over de afstellingen van de Maserati 450S, die tijdens de oefenritten nukkig gedrag vertoonde. Als zij Fangio om kwart voor negen uit de lift zien komen, stappen ze op hem af. Het gezelschap wordt direct lastiggevallen door een van de rebellen, die geen fout wil maken. Hij vraagt wie van hen Fangio is. De rijder denkt aan een fan, maakt zich bekend en voor iemand het goed beseft, zegt een andere rebel: "Ik ben van het bevrijdingsleger van Cuba." Hij duwt Fangio zijn wapen in de zij en zegt, beleefd maar dringend: 'Sorry, Juan, maar u moet meekomen." De verwarring is compleet, de ingenieurs zijn verbijsterd en voor iemand het goed beseft, stuiven rebellen met Fangio in drie auto's weg. Fangio zit in de middelste, een groene Plymouth, die wordt gevolgd door een Buick. Een paar blokken verder raakt die betrokken bij een aanrijding. Voor ze die bij de politie aangeven, ontdoen de inzittenden zich inderhaast van hun wapens. Als later die nacht Fangio nog een paar keer wordt verplaatst, moet hij de chauffeur zelf tot meer kalmte aanmanen... Pas het derde huis zal zijn definitieve verblijfplaats voor de nacht worden. De rebellen acteren beleefd, zal hij later opmerken in een nota die hij nog tijdens zijn gevangenschap schrijft en na zijn vrijlating aan de media bezorgt. Hij krijgt hun bedoelingen te horen, leert dat het hen niet om centen is te doen, maar om een symbolische daad. Fangio, die eerst nog even denkt dat alles een grap is, mag alleen niet aan de wedstrijd deelnemen. Hij krijgt eten en onderricht in de Cubaanse geschiedenis, krijgt voortdurend excuses voor het ongemak dat ze hem bezorgen en op zijn vraag wordt beloofd dat ze hem na de race niet aan de Cubaanse autoriteiten overleveren, maar aan de Argentijnse ambassadeur. De rebellen, die met de teruggave in hun maag zitten, omdat ze vrezen in een vuurgevecht met hun overheid te belanden en de eventuele dood van de kampioen in hun schoenen zou worden geschoven, gaan gretig akkoord. La Habana staat inmiddels op stelten. Onder het oog van zijn bewakers ontvoerd, Batista gaat door het lint. Hij organiseert een klopjacht en verplicht 's anderendaags de organisatoren om de wedstrijd te laten doorgaan. Batista besluit ook nog meer volk dan voorzien toe te laten langs het circuit. Het nieuws van de ontvoering is dan al over de hele wereld bekend. Alle kranten pakken er groot mee uit op de voorpagina's. De reactie van Fangio is laconiek. Hij gaat pas laat slapen, blijft lang in bed liggen en leest vervolgens tijdens zijn ontbijt de krant. Hij ziet de titels en zegt: "Jullie hebben wat jullie wilden. Aandacht." Het plan om een paar journalisten uit te nodigen waar hij wordt vastgehouden, schrapt men wel, vanwege de drukte. De politie valt massaal binnen bij wie ze ook maar betrokkenheid vermoeden. Ook vlak bij hét huis... Vanuit Parijs laat Paris Match weten geld te willen betalen voor foto's van Fangio tijdens diens gevangenschap. Ook dat verzoek wordt afgewezen. Fangio wil na de middag de race horen noch zien. Als de Gran Premio begint en het gezelschap zich rond de radio verzamelt, trek hij zich terug op het terras waar hij luistert naar platen van zijn favoriete zangeres Katyna Ranieri, een toen populaire Italiaanse. Na een kwartier gebeurt er een drama. Armando García Cifuentes, een Cubaan, verliest de controle over het stuur van zijn Ferrari en komt in het publiek terecht. Zes (volgens sommige bronnen zeven) mensen overleven de klap niet. Fangio wordt geroepen en hoort nu wel via de radio hoe de wedstrijd wordt afgevlagd en Stirling Moss wordt uitgeroepen tot winnaar. 's Avonds laat wordt Fangio aan de Argentijnen overhandigd. In de film over de ontvoering is te zien hoe de rebellen met een vermomde Fangio de ambassade binnen wandelen, voorbij de bewakers. In de realiteit was dat onmogelijk, met een La Habana in staat van groot alarm en de ambassade veel te streng bewaakt. De Argentijn wordt twee blokken ver van de ambassade afgezet in het appartement van de militaire attaché van Argentinië, die op dat moment met vakantie is. Daar wachten drie Argentijnen hem op. Fangio brengt er na zijn vrijlating niks meer van terecht achter het stuur van een racewagen. Hij zal nog één GP rijden, in Reims, eindigt daar op meer dan twee minuten als vierde en houdt het voor bekeken. Te veel ongevallen gezien, te veel meegemaakt, op zijn 46e had hij er geen zin meer in. Volgens de Cubaanse rebellen was het ongeval in Cuba de crash te veel. Fangio had het gevoel daar zelf aan de dood te zijn ontsnapt. Eén keer kwam er nog een Cubaanse GP, in 1960, niet meer in de straten van La Habana maar op een militaire basis. Daarna zou het regime - Castro had begin 1959 de macht gegrepen - zijn interesse voor de autosport verliezen. In 1981 ging Fangio, inmiddels hoofdconcessionaris van Mercedes Benz Argentinië, op een uitnodiging in om als officiële gast van het regime naar Cuba te komen. Hij zag er Castro en werd ontvangen door Faustino Pérez, die indertijd achter de schermen de ontvoering leidde en nu minister van Industrie was. Met sommige ontvoerders hield Fangio zijn leven lang contact. Arnold Rodríguez was zelfs de eregast in 1992, op de zesde verjaardag van de opening van het Fangiomuseum in Balcarce. Fangio zou drie jaar later sterven en in zijn geboorteplaats worden begraven. DOOR PETER T'KINT - BEELDEN: IMAGEGLOBETijdens de race luistert Fangio naar platen van zijn favoriete zangeres.1958 moest 'het jaar van de bevrijding' worden. Dus kon men een stunt gebruiken.