Samengevat door Justino Fernandez, voorzitter van de Angolese voetbalbond, klinkt het haast poëtisch :
...

Samengevat door Justino Fernandez, voorzitter van de Angolese voetbalbond, klinkt het haast poëtisch : "La jeunesse a fait la guerre,La jeunesse doit faire du sport,La jeunesse, c'est le futur. "Voetbal in Angola is verknoopt met gisteren. "Wij zijn door de oorlog die hier heeft gewoed land nummer één in de wereld wat mensen met een amputatie betreft en dat zie je elke dag op straat. Veel van onze kinderen kunnen niet voetballen, veel van onze kinderen hebben niet eens een thuis."Het is eind januari, Afrika Cup, en we staan naar een training van de Angolese ploeg te kijken in Dreamland, de met dure hotels en golfterreinen bezaaide residentiële westkant van Caïro. Fernandez' blik dwaalt over het veld naar het daarachter gelegen mini-Disney Park. Een kind giert op de miniroetsjbaan. "Wij hebben in Angola geen goede infrastructuur," zegt hij, "alleen in de provinciale hoofdsteden vind je een paar stadions. Wat we moeten doen, is alles opnieuw bouwen en scholen oprichten. Maar Angolezen zijn desondanks gelukkig, want we beschikken over natuurlijke bronnen : we zijn, na Nigeria, de tweede olieproducent van Afrika, er zit diamant en goud in de grond en we zijn een van de landen met de grootste rivieren."Een windvlaag doet Fernandez dieper in zijn zwarte leren jas duiken, maar hij vertelt onverstoord verder. "We willen aan de reconstructie werken, want we zijn un peuple déterminé, maar we krijgen amper internationale hulp. Door onze natuurlijke rijkdom helpen de Verenigde Naties ons nauwelijks en het probleem is dat je om die natuurlijke rijkdom uit te buiten technisch personeel nodig hebt, maar door de oorlog is dat er nauwelijks. Dat is de vicieuze cirkel waar we in zitten en voetbal is ons visitekaartje om eruit te raken, om mensen weer naar ons land te doen komen. Heel veel kinderen in Angola moeten weer de mogelijkheid kunnen krijgen om te voetballen. Zij zijn onze toekomst." Angola's oorlogsverhaal gaat terug tot 1966, toen Jonas Savimbi als leider van de UNITA-rebellen voor de dekolonisatie vocht tegen de Portugese overheersers. De onafhankelijkheid kwam er uiteindelijk in 1975, maar de oorlog woedde nog tot 2002: omdat Amerikanen en Zuid-Afrikanen aan de zijde van UNITA bleven strijden tegen de communistische ideologie die de Cubanen en de bevrijdingsbeweging MPLA in Angola wilden doordrukken. Een geweerschot dat Jonas Savimbi in februari 2002 doodde, betekende het einde van het verzet en bracht het MPLA van leider José Eduardo dos Santos aan de macht. Meer dan vier miljoen binnenlandse ontheemden zoeken nu nog een thuis, vele anderen kwamen in de buurlanden Democratische Republiek Congo en Zambia terecht. Negentigduizend kwamen in 2004 naar Angola terug, de rest zou in 2005 volgen. Angola herademt sindsdien na 27 jaar burgeroorlog. Sommige clubs in Angola zijn, onder invloed van de Sovjet-Unie, gelieerd aan politie of leger - zoals politieclubs Inter Club en Pedro Atletico of legerclub Primero Agosto - en de staatsluchtvaartmaatschappij TAAG - zoals landskampioen AS Aviacão. Zij kunnen hun spelers behoorlijk betalen. Toch spelen ze in verouderde accommodaties. Zelfs Luanda, de hoofdstad van Angola, is behalve een smeltkroes van vluchtelingen allerhande ook een bouwvallig geheel. In de Cidadela, het nationale stadion, moeten de tienduizend toeschouwers die kunnen worden toegelaten op de grond zitten omdat de tribunes, die uit de koloniale tijd stammen, afgeleefd zijn. Maar de nationale ploeg kan zich dankzij steun van de regering en de olielobby wel terdege voorbereiden op het WK. De weg die ze ondertussen hebben afgelegd, dwingt tot bewondering. In 1996 was het voormalig Portugees international Carlos Alhinho die als bondstrainer van Angola op zoek ging naar Portugezen met Angolese wortels om het elftal sterker te maken. Dat probeert de huidige bondstrainer ook : hij riep onlangs Mateus Matinungina van Sprimont op voor een test. Velen onder hen zagen, ofschoon ze nog nooit voet in Angola hadden gezet, hun kans schoon om zo alsnog voor een nationaal elftal te kunnen uitkomen. Ook bij de huidige generatie. Paulo Figueirdo, een van de weinige blanken in de ploeg, bijvoorbeeld is nu een van de dragende spelers op het middenveld, maar ontvluchtte op zijn derde met zijn ouders Angola en speelt in de Portugese derde klasse. De gruwelen van de oorlog gingen daardoor aan veel van hen voorbij. Zij zien vooral de hoopvolle toekomst. "Ons voetbal is vooral happy football", zegt Figueirdo. Assistent-trainer Alvaro De Almeida Mabi beaamt dat : "Vreugde, dat is wat typisch is voor ons, want de oorlog is voorbij en wij zijn hoopvol." Mabi spreekt door zijn studies aan de Pedagogische Sportschule van Zwickau een aardig mondje Duits en dat geldt eveneens voor bondstrainer Luis Oliveira Gonçalves, die ook een deel van zijn opleiding in Duitsland genoot. Liever dan zijn noties Duits, Frans of Engels aan te wenden, doet de doorgaans keurig in het pak gehesen bondstrainer er het zwijgen toe. Na de training aangekomen bij het hotel glipt Gonçalves dan ook als een sfinx de bus uit. Eén keer heeft hij zich de voorbije week van zijn menselijke kant getoond : toen zijn spelers op training elkaar dolden tijdens een rondootje kon de bondstrainer een glimlach niet onderdrukken. Hij kent zijn kinderen namelijk : sinds 1992 al werkt Gonçalves, die ze door zijn verleden als leraar 'de professor' noemen, bij de Angolese voetbalbond, waarvoor hij trainer was bij alle jeugdreeksen. De min-17-jarigen plaatste hij voor de Afrika Cup, die hij met de min-20-jarigen in 2001 verrassend won, en op het WK voor junioren in Argentinië haalde hij de tweede ronde. Akwa was vijftien toen hij onder Goncalves zijn internationale carrière begon, Mantorras veertien. De bulk van die jeugdploeg maakt nu de dienst uit in het nationale elftal. Nu bondstrainer Gonçalves met een tolk van de Angolese ambassade in Caïro tegenover ons zit, blijkt achter zijn stuurse voorkomen een warme persoonlijkheid te schuilen. Een persoonlijkheid die zijn taak toelicht en met zorg zijn zinnen formuleert. "Ons voetbal is niet professioneel, maar ook niet langer amateuristisch", zegt hij. "Voetbal wordt steeds beter omdat de overheid moeite doet om te helpen. Daardoor is voor de meeste van onze spelers de situatie nu beter dan voorheen. Voor de spelers die in het buitenland spelen, is de situatie sowieso beter, maar de contracten in Angola zijn ondertussen redelijk. Er is alleen nog veel werk om de omstandigheden te verbeteren."Terwijl hij in zijn hotelsuite Duitse en Portugese studieboeken over tactiek en trainingsopbouw op de tafel opzij schuift, antwoordt Gonçalves op de vraag hoe moeilijk het is bondstrainer van een land als Angola te zijn. "Het was héél moeilijk om dit, deelnemen aan de Afrika Cup en straks aan het WK, te realiseren. Maar het is heel belangrijk, want pas sinds 1979 ( oprichting van de Angolese voetbalbond, nvdr) kunnen we serieus met voetbal bezig zijn. Alle problemen die de trainers voordien hadden, probeer ik te vermijden door alles nauwgezet te organiseren. Ik heb hier en daar druk moeten zetten om mijn project erdoor te krijgen. We begonnen dan ook met weinig mensen, maar naarmate ze zagen dat we resultaten haalden, kwam er meer een meer volk bij en ging het gemakkelijker." Eerst zorgde hij voor betere werkomstandigheden : accommodaties en materiaal waren aan vernieuwing toe. "Als gevolg daarvan zijn we verhuisd van het gebruikelijke hotel, waar altijd veel supporters langskwamen, naar een rustiger hotel aan de rand van de stad. En voor vluchten binnen Afrika maken we nu gebruik van ons eigen chartervliegtuig. We hebben ook altijd ons eigen eten en drinken mee, zelfs onze eigen kok. We eten dus Angolees, zodat iedereen zich thuisvoelt. De federatie keert bovendien betere wedstrijdpremies uit en tegen een paar Portugese clubs konden we goede oefenwedstrijden spelen."Maar het voetbal in Angola kent desondanks nog altijd veel problemen. "Onze competitie blijft een van de zwakste in Afrika. Van de nationale ploeg spelen er dan ook maar drie spelers in Angola zelf. Maar in de toekomst zal de infrastructuur verbeteren en zullen onze ploegen competitiever worden. De deelname aan het WK moet een stimulans zijn. Iedereen zal zijn best doen omdat hij weet dat iedereen meekijkt en er een kans is om in Europa te kunnen werken. Er is naast het sportieve ook een politieke kant aan : veel mensen zullen Angola straks kennen en erover praten. Ik denk dat er mensen in de wereld zijn die nog nooit van Angola gehoord hebben. Toen we zekerheid hadden dat we naar Duitsland konden, vroegen sommigen ons zelfs waar Angola lag. Behalve sportief is de wereldbeker dus ook een vorm van publiciteit voor ons land."Daarvan is in Angola niet alleen de voetbalwereld, maar het hele land doordrongen. "Het lijdt geen twijfel", sprak president José Eduardo dos Santos na de WK-kwalificatie, "dat dit voor ons land na drie jaar vrede een van de belangrijkste gebeurtenissen is. Nu zullen alle mensen zien dat wij een land zijn als alle andere en dus ook in staat zijn tot grote dingen."Een verandering is nodig, want in 2004 werd nog 183,58 miljoen dollar of 10,6 procent van het BNP aan militaire doelen uitgegeven. In zijn jaarlijks World Factbook becijferde de Amerikaanse CIA verder voor Angola nog dat de gemiddelde levensverwachting op 38 jaar ligt en er op een totale bevolking van 11.190.786 4.861.292 kinderen leven. Maar liefst 20 procent van hen zal als kind sterven. Miniroetsjbanen zijn in Angola niet geteld. RAOUL DE GROOTE