In april 2001 promoveerde Trudo Dejonghe tot doctor in de geografie met het proefschrift : 'De noodzaak aan exogeen opgelegde economisch-geografische principes bij het professionaliseren van het door endogene factoren ontstane wereldsportstelsel. Gevalstudie : het lokalisatievraagstuk van het topvoetbal in België'. Het boek 'Sport in de wereld. Ontstaan, evolutie en verspreiding' was een eerste poging om een deel van die studie toegankelijk te maken voor een breder sportminnend publiek. En nu is er 'Sport en E...

In april 2001 promoveerde Trudo Dejonghe tot doctor in de geografie met het proefschrift : 'De noodzaak aan exogeen opgelegde economisch-geografische principes bij het professionaliseren van het door endogene factoren ontstane wereldsportstelsel. Gevalstudie : het lokalisatievraagstuk van het topvoetbal in België'. Het boek 'Sport in de wereld. Ontstaan, evolutie en verspreiding' was een eerste poging om een deel van die studie toegankelijk te maken voor een breder sportminnend publiek. En nu is er 'Sport en Economie. Een noodzaak tot symbiose'. Zónder vraagteken en dus een stellingname. "Het is het eerste boek", schrijft de auteur, "waarin Belgische en Nederlandse cases naar voren gebracht worden en waarin het cijferfetisjisme en de emotionele aanbidding van sport door de populaire media weerlegd of onderbouwd worden." Sport, stelt Dejonghe, is pas vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw als onderdeel van de vrijetijdsindustrie beschouwd. Het werd een uithangbord van de commerciële wereld en de media zorgden voor de popularisering ervan. Zo ontstond de driehoeksverhouding tussen sport, media en commercie. Cruciaal nadien was dat het arrest-Bosman, dat de spelersmarkt vrijmaakte, toevallig samenviel met een liberaliseringsfase in de mediawereld. Beide factoren zorgden voor een exponentiële groei van de tv-rechten en een enorme stijging van de spelerslonen. Dat wilde kapitalisme was mogelijk, aldus Dejonghe, omdat de sportsector in Europa, in tegenstelling tot in de Verenigde Staten, historisch op amateuristische leest geschoeid was. De auteur schetst het ontstaan van de sporteconomie, onderzoekt de relatie tussen sport en globalisering, komt uit bij het economische belang van top- én breedtesport, maakt een onderscheid tussen het Europese en het Amerikaanse sportdenken (winnen op het veld versus winst maken ernaast), en besluit met een hoofdstuk over de (veronderstelde) impact van sportevenementen als de Olympische Spelen op de economie. Ook de sport als instrument in de citymarketing komt aan bod, de aparte financiële structuur van de voetbalsector, de beurs als potentiële alternatieve financieringsbron en de belangrijke rol van de overheid. Het boek leest niét als een sneltrein, maar aan de inhoud doet dat geen afbreuk. De gebeurtenissen in het Belgisch voetbal van de laatste drie jaar hebben genoegzaam bewezen dat Dejonghe niet uit zijn nek kletst. Hij is er zeker van dat de sport ook in Europa evolueert naar een systeem waarin economische winstmaximalisatie centraal komt te staan. "Het probleem", besluit hij, "is en blijft dat, zowel in academische als in niet-academische middens, dit besef nog niet volledig is doorgedrongen. Ik hoop dat dit boek een eerste en hopelijk niet laatste bijdrage is tot de ontwikkeling van een economisch denken in de sport." (JH)Trudo Dejonghe, 'Sport en Economie. Een noodzaak tot symbiose', 400 blz., Arko Sports Media, Nieuwegein, 31,50 euro.