De taxibestuurder is geen onbekende. Hij is de schoonvader van Stefán Gíslason, die zijn dochter leerde kennen nadat hij op zijn achttiende voor een eersteklasser uit de hoofdstad ging voetballen. Hordur Karlsson heet hij en hij brengtons van de internationale luchthaven in Keflavik naar de vijftig kilometer verder in Reykjavik gelegen vertrek- en aankomstplaats van binnenlandse vluchten. Daar wacht ons een vliegtocht van een uur naar Egilsstadir, een stad die halverwege de vorige eeuw werd gesticht en met zo'n tweeduizend inwoners tot het grootste woongebied van Oost-IJsland is uitgegroeid. Van daar is het dan met een huurwagen maar een kilometer of vijftig meer rijden naar Eskifjördur. Maar daar waarschuwt Hordur ons voor. "Ze voorspellen er voor vanavond zware sneeuwval", zegt hij. "Ik geef u alvast het noodnummer: dat is 112. Wees gerust, daar is een heel goed georganiseerd reddingsteam. Mocht er toch iets fout gaan, dan verneem ik het wel in het nieuws." (lacht)
...

De taxibestuurder is geen onbekende. Hij is de schoonvader van Stefán Gíslason, die zijn dochter leerde kennen nadat hij op zijn achttiende voor een eersteklasser uit de hoofdstad ging voetballen. Hordur Karlsson heet hij en hij brengtons van de internationale luchthaven in Keflavik naar de vijftig kilometer verder in Reykjavik gelegen vertrek- en aankomstplaats van binnenlandse vluchten. Daar wacht ons een vliegtocht van een uur naar Egilsstadir, een stad die halverwege de vorige eeuw werd gesticht en met zo'n tweeduizend inwoners tot het grootste woongebied van Oost-IJsland is uitgegroeid. Van daar is het dan met een huurwagen maar een kilometer of vijftig meer rijden naar Eskifjördur. Maar daar waarschuwt Hordur ons voor. "Ze voorspellen er voor vanavond zware sneeuwval", zegt hij. "Ik geef u alvast het noodnummer: dat is 112. Wees gerust, daar is een heel goed georganiseerd reddingsteam. Mocht er toch iets fout gaan, dan verneem ik het wel in het nieuws." (lacht) We zijn in Egilsstadir net achter het stuur van een witte Nissan Micra gekropen, wanneer het hevig begint te sneeuwen. Langs een onverlichte weg zonder bermen en vangrails zijn we na een uur en een kwartier doorheen niet afnemende sneeuwbuien met twintig à dertig kilometer per uur met onze ruitenwissers non-stop in overdrive en onze neus bijna tegen de voorruit aan een rotonde in de buurt van Reydarfjördur gekomen. Dat is een dorp aan de gelijknamige fjord op een kilometer of twaalf van onze plaats van bestemming. Maar daar weten we het niet meer. Links is richting Reydarfjördur, rechtdoor is naar Hafnarsvaedi en rechts naar Hjallanes, geven borden aan. En Eskifjördur? Voor de zekerheid bellen we Hordur. Die denkt dat het linksaf is, maar voegt eraan toe dat hij daar al meer dan twintig jaar niet meer is geweest. We nemen links, maar een kwartier later staan we weer op hetzelfde kruispunt. Hordur besluit de vader van Stefán te telefoneren. Het blijkt rechtdoor te zijn. "Hij zal jou opwachten aan de kerk van Eskifjördur", zegt Hordur. "Het heeft daar enorm geijzeld en de weg bergop naar zijn huis raak je alleen op met vierwielaandrijving en banden met studs." Kort daarna gaat onze gsm weer over. Het is Hordur. "Zijn vader liet me net weten dat hij jou voor alle veiligheid zal komen halen. Blijf je aan het kruispunt staan met de knipperlichten aan?" Twintig minuten later stopt daar een 4x4. De vader van Stefán stapt uit en neemt het stuur van onze Nissan Micra over en de moeder van Stefán rijdt met hun wagen voor met een vaart die af en toe met de ogen doet knipperen. Wie in deze periode Eskifjördur binnenrijdt, kijkt tussen de sfeerverlichting van de kerk en de grote kerstboom ernaast op bevroren watervallen. Aan de linkerkant ligt onder het ijs het veld van Austri, de club waar Stefán begon te voetballen, en rechts een grote visvoederfabriek die aan het omschakelen is van olie op elektriciteit. Langs het water en op de bergflank aan de zonzijde zijn huizen gebouwd. In een daarvan wonen Gisli Stefansson en Gudrun Björnsdottir, de ouders van Stefán Gíslason. Vanuit haar keuken ziet zijn moeder al eens een walvis passeren die per ongeluk de fjord is ingezwommen en in mei van dit jaar nog stond er plots een kudde rendieren voor de deur. Gudrun is afkomstig van vissersvolk. "Mijn broer was 16 toen hij voor het eerst op zee ging en nu is hij 61 en zit hij nog altijd op een boot." Zelf werkt ze in de bank in Reydarfjördur, sinds die in Eskifjördur is gesloten. "Stefán is geboren in Neskaupstadur, omdat hier geen ziekenhuis is", vertelt ze. "Dat is een twintig kilometer hier vandaan. Vroeger, toen de tunnel door de berg nog niet was aangelegd en 's winters door zware sneeuwval de weg soms gesloten was, gebeurde het dat vrouwen van hier weken op voorhand de kraamkliniek in Neskaupstadur binnengingen." Gisli is van Selfoss in Zuid-IJsland, een stadje van een vijfduizend inwoners niet zo ver van Reykjavik. Zijn vader was smid en hijzelf werd een bouwvakker, die in Eskifjordur een bouwbedrijf uitbouwde en daar onder meer de kerk, de school en zijn eigen woning bouwde. Gisli: "Als kind speelde Stefán hier in de zomer van 's morgens tot 's avonds buiten. De aanplantingen achter ons huis kregen niet de tijd om te groeien omdat hij en Valur zo hard trapten." Valur is de drie jaar oudere broer van Stefán. Ook hij speelde voor IJsland en in het buitenland. Afgelopen zomer stopte hij met voetballen en nu werkt hij voor Taks Free in de Zweedse hoofdstad Stockholm. Hun jongere zus Sonja voetbalde ook, maar hield daarmee op na een zware blessure. Komende zomer studeert zij af als verpleegster. Zij herinnert zich dat Stefán geregeld het licht in de gang naar de slaapkamers en de badkamer kapotschoot en dat de lamp misschien wel tien keer vervangen is moeten worden. Haar broers waren hardschieters. Gisli: "Ze waren beiden groot en sterk. Op zijn veertiende mat Stefán al 1 meter 85. Valur is begonnen als keeper, maar daar was ik niet gelukkig mee. In een voetbalploeg staat er één iemand in de goal en lopen er tien op, dus is je slaagkans veel groter als veldspeler. Ik zei: 'Gooi die keeperskleren weg en loop het veld op!'" Gudrun: "Het duurde tot hij op een dag thuiskwam met een wonde aan zijn hand." Gisli: "Hierachter op de berg, waar ze speelden en waar er een huis in aanbouw was, was hij gevallen en was er een nagel door zijn hand geschoten. Daardoor kon hij niet meer in doel staan." Gudrun: "Wij gingen overal zo veel mogelijk naar hen kijken. Vakantie hadden we nooit. Maar het was wel leuk dat ze het zo goed deden." Gisli: "Breekt Sonja haar enkel niet, dan speelt zij nu ook in het buitenland. Stefán was maar vijftien toen wij na een interland met de U16 tegen Ierland een brief kregen van een scout die schreef dat hij de ontdekker was van Liam Brady en vroeg of Stefán kon testen bij Arsenal. We vroegen of Valur ook meekon en uiteindelijk mochten ze beiden tekenen. En kon mijn vrouw een week niet meer slapen." Gudrun: "Een week? Een maand! Ik ben maar rustig geworden de dag dat ik daar op bezoek ben kunnen gaan en zag dat zij het daar goed stelden." Gisli: "Maar het was een enorme stap, van een dorp van duizend man naar een miljoenenstad als Londen. Arsenal bood Stefán na een jaar een driejarig contract aan, maar hij verkoos terug te keren. Was het te vroeg, was hij te jong? Misschien." Valur zou daarna nog in Noorwegen voetballen, en Stefán in Noorwegen, Oostenrijk, Denemarken en België. Gudrun: "Het zijn goeie jongens." Gisli: "Stefán is eerder gesloten van karakter, maar zodra hij iemand als vriend aanvaardt, is het voor altijd. Hij is profvoetballer, maar zodra hij thuiskomt, is hij dat niet meer. Ook met zijn handen is hij vaardig, hij kookt graag en is altijd bereid om te helpen. Ik denk dat hij ook een goede familieman en een goede vader is." Gudrun: "Weet je al dat er een derde zoon op komst is? De bevalling is voorzien voor februari en misschien komen we in maart naar België." Gisli: "Stefán is een ploegspeler." Sonja: "Eén keer is hij heel boos op mij geweest. Ik was zes of zeven jaar, onze ouders waren gaan werken en hij was verondersteld voor mij te zorgen. Natuurlijk ging hij voetballen en zoals altijd nam hij mij mee. Maar intussen reed ik rond met een fiets van een van zijn vrienden die veel te groot was voor mij, viel ik en brak ik mijn arm. Uiteindelijk zijn we naar een specialist in Reykjavik moeten gaan." Gisli: "Met een klein vliegtuig! Door de sterke wind deden we er twee uur over in plaats van één." Sonja: "Stefán was toen vooral boos uit bezorgdheid, omdat hij dat been aan mijn arm zag uitsteken." Gisli: "Ik zal er geen engel van maken, maar hij is altijd stabiel geweest." Sonja: "Hij bezat het talent en de wilskracht om het te doen, hij kreeg kansen en is altijd down-to-earth en toegewijd gebleven. Misschien had hij een droom, maar die deelde hij niet. Stefán praat niet over alles wat hij denkt en niet zeker van is. Hij is geen man van grote woorden. Zo zijn we hier allemaal een beetje." Thor is de vriend van Sonja. Hij is afkomstig van de Westfjorden. "Ik ben hier dus een outsider", zegt hij. "En wat ik zie, is dat Stefán een vechter is, zowel in zijn voetbalcarrière als in zijn persoonlijk leven geeft hij nooit op en blijft hij knokken. Zijn ouders offerden zich voor hun kinderen op. De vader is een harde werker die droomde van een voetbalcarrière voor zijn zonen en daar alles voor deed." Maar dat twee jongens uit hetzelfde gezin uit een gehucht in de Oostfjorden het tot international schopten, lijkt toch niet vanzelfsprekend. In Eskifjördur kijken ze daar evenwel niet van op. Ter verklaring wordt onder meer gewezen naar de sterke binding met de natuurkrachten van een volk dat van Vikingen afstamt, doorheen de tijden overleefde door jacht en visvangst en ook in moderne tijden sterk verbonden is gebleven met zijn roots. Het maritiem museum en de sinds 1890 onveranderd gebleven zeevaarderswoning Randulffssjóhús getuigen van een harde strijd. Het zijn sterke mensen langs de fjorden van het oudste deel van IJsland. Onder meer Magnús ver Magnússon, in de jaren negentig vier keer winnaar van 'De Sterkste Man van de Wereld', is er geboren en Stefán en zijn broer zijn lang niet de enige Oost-IJslandse profvoetballers. Gisli: "Bij de nationale U18 waren vier van de elf spelers afkomstig van Oost-IJsland, waar alles samen niet eens tienduizend mensen wonen. Er speelt tegenwoordig zelfs iemand van Eskifjördur in de Premier League: Eggert Jónsson bij Wolverhampton. Ik ben absoluut niet verrast. Dit is een geschikte plaats om in vrijheid, gezondheid en veiligheid op te groeien. Iedereen in dit dorp kent elkaar. We zijn als familie voor elkaar. Stefán voetbalde hier ook niet alleen maar. Hij was amper drie jaar toen ik hem al op mijn schouders meenam op de skilift en hij alleen naar beneden skiede. Zwemmen deed hij ook veel, en atletiek." Maar voetbal is de populairste sport in Eskifjördur. Veel mensen groeiden er in de vorige eeuw op met beelden van de Engelse competitie, zijn fan van een Premier Leagueclub en sommigen hangen op wedstrijddagen zelfs een vlag van hun favoriete ploeg buiten. Gisli is supporter van Manchester United. Stefán was dat ook, maar is aanhanger van zijn ex-club Arsenal geworden. Wie van de ouders over de sterkste voetbalgenen beschikt, daarover verschillen de vader en de moeder van mening. Gisli: "Ik denk dat onze kinderen het van mij hebben. (lacht) Want de zoon van mijn tweelingsbroer is bij de U16 ook international geweest." Gudrun: "Mijn vader hield ook enorm van voetbal. Hij ging van hier zelfs met de wagen naar de nationale ploeg in Reykjavik kijken." Gisli: "Dat is 8 à 9 uur rijden en toen was het zelfs nog 10 à 12 uur, om een paar uur naar voetbal te kijken en dan 10 à 12 uur terug te rijden!" Gudrun: "Hij zag Stefán nooit spelen, want hij overleed toen zijn kleinzoon 3 jaar was. Maar hij ligt begraven op het kerkhof op de heuvel dat uitkijkt op het veld van Austri en ik ben zeker dat hij hem sindsdien inspireert." Het zijn lutheranen, protestantse christenen, maar naar de kerk gaan ze zelden of nooit. "Misschien één keer per jaar", zegt Gisli. "Met Kerstmis." Dat leeft in Eskifjördur, daar kan je niet naast kijken. Huizen zijn er opvallend sfeervol verlicht en dat is ook functioneel in een fjordendorp waar de zon van 27 november tot 14 januari niet meer over de omliggende bergen raakt. Op een plaats die zo dicht tegen de poolcirkel ligt, zijn de donkere dagen sowieso heel kort - toen wij er waren, kwam de zon op om 10.50 uur en ging ze weer onder om 14.42 uur. Traditioneel wordt in IJsland op kerstavond sneeuwhoen gegeten en geen alcohol gedronken, vertelt Gisli. Vermoedelijk is het populaire kerstbier dan al lang uitverkocht. Bij ons vertrek krijgen we van Gudrun een paar zelfgebreide wanten van IJslandse lamswol mee, plus nog een derde, hele bijzondere want: één waarin een bierglas past. Het is dan al een paar uur na middernacht. Er werd voor, tijdens en na het avondmaal wat wijn en wat bier gedronken en Gisli vindt het niet meer verantwoord om nog met de wagen te rijden om ons naar beneden tot bij onze cottage vlak bij de vuurtoren van Mjóeyri te brengen. Maar hij bezorgt ons elastieken waaraan pinnen zijn bevestigd om over onze schoenen te trekken om de afdaling over de ijsweg aan te vatten. "Normaal", zegt hij, "wordt dat alleen gebruikt door oude mensen." (lacht) DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE IN IJSLAND"Stefán is geen man van grote woorden. Zo zijn we hier allemaal een beetje." Sonja "De vader is een harde werker die droomde van een voetbalcarrière voor zijn zonen en daar alles voor deed." Thor