Liverpool

Wie als buitenstaander op Goodison Park of Anfield de vermaarde Merseyside-derby ervaart, zal onmogelijk kunnen begrijpen waarom het duel tussen beide clubs uit Liverpool geldt als de Derby van de Vriendschap. In vrijwel elke familie in de stad zijn zowel aanhangers van Everton als van Liverpool te vinden. De naam symboliseert ook de innige band tussen de clubs en hun stad - de liefde en passie is letterlijk grenzeloos. De beide supportersgroepen wonen verspreid in alle stadsdelen, waarbij de voorkeur nauwelijks afhankelijk is van religie, sociale klasse of andere factoren. Minimaal twee keer per seizoen zet de wedstrijd de verhoudingen in duizenden voetbalmaffe families volledig op scherp.
...

Wie als buitenstaander op Goodison Park of Anfield de vermaarde Merseyside-derby ervaart, zal onmogelijk kunnen begrijpen waarom het duel tussen beide clubs uit Liverpool geldt als de Derby van de Vriendschap. In vrijwel elke familie in de stad zijn zowel aanhangers van Everton als van Liverpool te vinden. De naam symboliseert ook de innige band tussen de clubs en hun stad - de liefde en passie is letterlijk grenzeloos. De beide supportersgroepen wonen verspreid in alle stadsdelen, waarbij de voorkeur nauwelijks afhankelijk is van religie, sociale klasse of andere factoren. Minimaal twee keer per seizoen zet de wedstrijd de verhoudingen in duizenden voetbalmaffe families volledig op scherp. De meest aansprekende stadsderby van Engeland kent een bijzondere historie. De Liverpoolfans gruwen bij de gedachte, maar ze danken het bestaan van hun club indirect aan Everton. The Toffees waren vanaf 1884 de eersten die in het monumentale Anfield speelden. In 1892 kwam de club in conflict met stadioneigenaar John Houlding. De directeur van een lokale bierbrouwerij verhoogde dat jaar de huur met liefst 150 procent, waarop Everton woest reageerde. De club verliet Anfield en vond een nieuwe locatie in Goodison Park, een paar honderd meter verderop. Om zijn lege stadion te vullen richtte Houlding inventief Liverpool FC op, zodat de stad vanaf dat moment twee grote voetbalclubs telde. Op 13 oktober 1894 had de eerste derby aan de Mersey plaats. Everton won voor 44.000 toeschouwers in Goodison Park met 3-0. De burenruzies tussen blauw en rood zijn sindsdien voor beide teams de belangrijkste competitieduels van het seizoen. De historie telt tot dusverre liefst 203 officiële derby's, waarvan 176 in competitieverband. Liverpool won 77 keer, Everton 64. De cijfers van Real Madrid zijn imponerend. In het eigen museum toont De Koninklijke ruim 1.100 prijzen en bokalen. Dertig keer kroonden de Galacticos zich tot Spaans landskampioen, negen keer veroverden ze de Europa Cup I. Het succes zorgt zeker niet voor bewondering alléén. Het voedt ook de intense haat onder de aanhangers van Atlético Madrid, dat tegen de stadgenoot een voortdurende strijd voert om erkenning. De mondiale uitstraling van Real zet de arbeidersclub in de schaduw. Om die reden is de voornaamste Madrileense derby - ook Rayo Vallecano speelt binnen de stadsgrenzen - vooral voor Atléticofans enorm belangrijk. Bij winst op Real treedt de club even uit de schaduw. Desondanks behoort Atlético traditioneel tot de topclubs van Spanje. Direct na het einde van de Spaanse burgeroorlog in 1939 speelde de club zelfs het beste voetbal van de stad. Tot 1951 won Atlético vier landstitels. De jaren 50 markeren de ommekeer. Nadat de Argentijnse succestrainer Helenio Herrera Atlético in 1953 had verlaten, begon Real Madrid aan zijn opmars. Onder meer gesteund door de gehate Franco behaalde De Koninklijke tussen 1954 en 1972 liefst dertien landstitels. De soms wanhopige pogingen van Atlético om tot succes te komen, zorgen bij supporters van Real voor veel leedvermaak. Ze kwalificeren hun lokale concurrent graag als eeuwige verliezer. Atlético geldt nog altijd als een echte arbeidersclub, en ook dát aspect speelt in de verbeten tweestrijd een rol. Terwijl Real neerkijkt op de armzalige concurrent, is Atlético de club die de elite graag schoffeert. Dat gold zeker in de periode van de poenerige en megalomane voorzitter Jesus Gil y Gil, die de club tussen 1987 en 2003 bestuurde. De degradatie van Atlético in 2000 zette de verhoudingen extra op scherp. Een deel van de Realaanhang vierde opzichtig feest, tot afgrijzen en woede van Atléticofans. La Boca is een van de armste wijken van Buenos Aires. De naam van het oude havengebied in de Argentijnse hoofdstad laat zich vertalen als de monding en verwijst naar de plaats waar de smalle Riachuelo uitstroomt in de brede baai van de Plata. De tienduizenden Spaanse en Italiaanse immigranten die aan het begin van de vorige eeuw in Buenos Aires neerstreken, vestigden zich veelal in La Boca. Een stel jonge Italianen richtte er in 1905 Boca Juniors op. Op de dag van oprichting raakten ze zó onder de indruk van een Zweeds stoomschip dat aanmeerde, dat ze blauwgeel als clubkleuren verkozen. River Plate bestond toen al vier jaar. De club speelde in dezelfde omgeving, maar aan het begin van de eeuw was nog weinig te merken van een intense rivaliteit. Dat veranderde toen Boca Juniors zich ontpopte als een echte arbeidersclub en vooral de straatarme immigranten zich bij Boca aansloten. River Plate voelde zich steeds meer verheven boven de sportieve buur. De club verhuisde in 1935 zelfs naar de rijkere wijk Nuñez, dat ten noordwesten van het stadscentrum eveneens aan de baai is gelegen. Beide clubs ontwikkelden zich gelijktijdig tot een grootmacht in het Argentijnse voetbal, waardoor de onderlinge rivaliteit aan het begin van de jaren 40 enorm toenam. Het grote klassenverschil tussen de twee en hun hoge voetbalniveau zorgden ervoor dat wedstrijden tussen Boca Juniors en River Plate uitgroeiden tot de belangrijkste en meest beladen clubduels van Zuid-Amerika. Vanaf het moment dat in de jaren 60 - net als in Engeland - groepen jongeren zich verenigden en geweld allerminst schuwden, verliepen de wedstrijden steeds grimmiger. Op 23 juni 1968 kwamen in het stadion van River Plate 74 mensen om het leven, toen Bocafans van de bovenste ring massaal brandende kranten naar beneden gooiden. Ook in de jaren 70, 80 en 90 ontaardden veel onderlinge duels in rellen tussen de bloedfanatieke en veelal gewapende aanhangers van beide clubs. Vergeleken met de voetbalbeleving in Glasgow verliest vrijwel elke derby ter wereld zijn glans. Voetbal in de Schotse havenstad is een wereld op zich. Sektarisch geweld, een religieuze oorlog zonder enige tolerantie en een uiterst verbeten gevecht om dominantie in het Schotse voetbal komen samen in de meest beladen stadsderby ter wereld : The Old Firm. Als Glasgow Rangers en Celtic tegen elkaar voetballen, wijkt rede voor passie en staan honderdduizenden Schotten lijnrecht tegenover elkaar. Waarom de tweestrijd in Glasgow doorgaat voor de meest aansprekende derby ter wereld, is simpel te verklaren. De emoties die schuilgaan achter het voetbalgevecht tussen het protestante Rangers en het katholieke Celtic zijn dezelfde gevoelens die leidden tot de jarenlange burgeroorlog in Noord-Ierland. Het was een Ierse monnik die in 1887 Celtic oprichtte, met als doel geld in te zamelen voor de arme Ierse immigranten in de stad. Toen de voetbalclub daarin slaagde en zelfs sportief succes verwierf, voelden de protestanten zich bedreigd. Op het voetbalveld ontpopte het in 1873 opgerichte Glasgow Rangers zich tot de voornaamste belager van Celtic. In de jaren 20 van de vorige eeuw raakte heel Schotland betrokken bij de strijd, wat mede verklaart waarom beide clubs vanouds de macht in het Schotse voetbal delen. De bijnaam The Old Firm ontstond in dezelfde periode. Beide clubs voerden dan wel een sportief gevecht, ze waren ook tot elkaar veroordeeld. Elke derby zorgde voor uitpuilende stadions, de rivaliteit werd een onmisbare bron van inkomsten. Als een van beide clubs uit de Schotse competitie zou wegvallen, zou de ander daar ernstig onder lijden. Zonder de derby zou ook weinig van het Schotse clubvoetbal overblijven. In de laatste twintig jaar zijn de religieuze tegenstellingen verminderd. De overstap van de katholieke Maurice Mo Johnston naar Rangers in 1989 zorgde nog voor hevige rellen. Hij was de eerste niet-protestantse Rangersvoetballer in de clubhistorie. Celtic is altijd al toleranter geweest. In het rokerige zaaltje waar een groep Italiaanse en Zwitserse voetballers op 9 maart 1908 Football Club Internazionale Milano oprichtten, bedacht hun leider Giorgio Muggiani ter plekke een logo. Hij voegde de letters F, C, I en M samen en omringde ze met een blauwzwarte rand. Het stel voetballers had zich even daarvoor kwaad afgesplitst van AC Milan. Bij de Rossoneri waren buitenlandse voetballers niet langer welkom nadat de club zich had geconformeerd aan de nieuwe regels van de voetbalbond. De oprichters van Inter streefden naar een open, democratische clubcultuur, waar elke niet-Italiaan probleemloos moest kunnen spelen. De ontstaansgeschiedenis van Inter verklaart waarom beide clubs qua signatuur vrijwel elkaars evenbeeld zijn. Tussen de Milanese grootmachten bestaan geen religieuze, politieke of sociale tegenstellingen. Dat ze haast broederlijk hetzelfde stadion delen (al houden de Milanfans vast aan de oude benaming - San Siro - en weigeren ze de officiële vernoeming van het stadion naar Intersuperster Giuseppe Meazza te aanvaarden) past perfect in dit beeld. Ook onderlinge transfers zijn acceptabel. De échte klassieke derbysfeer ontstond na de Tweede Wereldoorlog op louter sportieve gronden. Beide clubs profiteerden enorm van de economische groei die Milaan doormaakte. De stad ontwikkelde zich samen met Turijn tot het belangrijkste voetbalbolwerk van Italië. Tussen 1950 en 1966 belandde de Italiaanse Scudetto liefst tien keer in Milanese handen, evenredig verdeeld over beide clubs. In de jaren 60 groeiden de stadstwisten uit tot emotionele gebeurtenissen waarover de complete stad nog weken napraatte. In de seizoenen 1980/81 en 1982/83 was er geen Milanese derby. In 1980 degradeerde AC Milan gedwongen naar de Serie B, als straf voor het Totonero-gokschandaal. Het was Silvio Berlusconi die midden de jaren 80 de club weer aan succes hielp. In een stad waar zóveel clubs op het hoogste niveau uitkomen als Londen - ook Chelsea, Fulham en West Ham acteren in het Premiership - is een stadsderby uiteraard geen bijzonderheid. Wedstrijden tussen Arsenal en Tottenham staan desondanks massaal in de belangstelling. Het is de historie die de vijandschap bepaalt. Arsenal en Tottenham Hotspur waren aan het eind van de negentiende eeuw de beste clubs van de stad. Spurs heerste op de noordelijke oever van de Thames, terwijl The Gunners bezuiden de rivier de sterkste waren. Landelijk gezien stelden de clubs honderd jaar geleden nog weinig voor - zo haalde Arsenal pas in 1931 de eerste landstitel naar de Engelse hoofdstad - maar de onderlinge strijd was voor beide supportersgroepen minstens zo belangrijk als sportief gewin. De verhuis in 1913 van Arsenal naar Highbury verhitste de gemoederen. De wijk ten noorden van het centrum ligt op nauwelijks zes kilometer afstand van White Hart Lane, wat gezien de enorme oppervlakte van Londen vlakbij is. Vooral bij Tottenhamfans leidde dit tot frustratie. Toen Arsenal onder leiding van manager Herbert Chapman begin jaren '30 van de vorige eeuw ook nog de beste club van het land werd, sloeg de pijn van Tottenham om in verbittering. In 1932 was Highbury het eerste Londense stadion dat aansluiting vond op het metrostelsel. Vanaf dat moment groeiden generaties voetbalfans bij zowel Arsenal als Tottenham op met het besef welke club de erfvijand was. De twee rivalen beleefden tussen 1945 en 1970 zelden gelijktijdig een bloeiperiode, wat de onderlinge jaloezie en rivaliteit evenzeer in de hand werkte. Zo eindigden The Gunners tussen 1957 en 1970 liefst twaalf keer lager op de ranglijst dan de gehate stadgenoot. Dat Tottenham ondanks diverse ijzersterke teams in de jaren 50 en 60 slechts twee landstitels won (1951 en 1961), zorgde weer voor vreugde bij Arsenal. Voetbal in Turkije draait volledig om de machtsstrijd tussen drie clubs. Galatasaray, Besiktas en Fenerbahçe verdelen vrijwel altijd de prijzen. De clubs hebben gemeen dat ze in Istanbul spelen, maar daar houdt meteen elke vergelijking op. Vooral tussen Galatasaray en Fenerbahçe bestaan grote verschillen, die van hun duels een van de meest beladen stadsderby's ter wereld maken. Wie de rivaliteit wil begrijpen, moet eigenlijk als Turk geboren zijn. De trotse en uiterst emotionele volksaard zorgt ervoor dat Turken hun voetbalpassie op een bloedserieuze en bijna hysterische manier beleven. Voetbal is een religie, met spelers als onfeilbare goden die de trouw en liefde van hun supporters moeten beantwoorden met successen. Galatasaray en Fenerbahçe bedreigen elkaar sterker dan welke club ook, zodat winst op de gehate rivaal een zaak is van levensbelang. De derby vormt een botsing van culturen, al is het maar omdat Fenerbahçe speelt ten oosten van de Bosporus en daardoor wortelt in Azië. Galatasaray speelt aan de andere kant en symboliseert het Europese deel van de stad. Daarnaast is er sprake van een enorme klassenscheiding. Fenerbahçe is veruit de populairste club van Turkije, met supportersverenigingen in heel het land. De spelers moeten in het Sükrü Saraçoglustadion namens ruim 20 miljoen aanhangers de eer verdedigen tegen het elitaire en rijkere Galatasaray, dat altijd in handen is geweest van vooruitstrevende en westers georiënteerde bestuurders. Geen wonder dat de aanhangers van Fener gelden als de meest fanatieke supporters ter wereld. De fans van Galatasaray leven zeker niet minder met hun club mee en ze kijken neer op hun gehate rivaal, die speelt in het armere stadsdeel. Galatasaray is van oudsher de rijkste club van Turkije, en profileert zich met acht Champions Leaguedeelnames graag als boegbeeld van het Turkse clubvoetbal.Met Botafogo, Vasco da Gama, Flamengo en Fluminense telt de Braziliaanse miljoenenstad Rio de Janeiro vier grote topclubs. Dé klassieker onder de stadsderby's is echter de strijd tussen Flamengo en Fluminense, vaak afgekort tot Fla-Flu. Miljoenen voetbalverslaafde Carioca's beleven de onderlinge duels met een voor Europeanen haast griezelig aandoende passie. Winst of verlies betekent soms letterlijk het verschil tussen leven en dood. Jaarlijks zijn na de stadsderby talloze zelfmoorden te betreuren. Elk sportief gevecht in de warmbloedige metropool heeft dan ook traditioneel plaats in het enorme Maracanãstadion, dat moeiteloos volstroomt met bijna 100.000 uitzinnige Brazilianen. Flamengo is een van de duurste wijken van Rio de Janeiro, grenzend aan het strand. Huizen in de omgeving zijn vrijwel onbetaalbaar voor de gemiddelde inwoner van de stad. Toch is het voetbalbolwerk met dezelfde naam de club van het volk. Met een aanhang van liefst 25 miljoen mensen is het veruit de populairste club van Brazilië. Flamengo staat verder voor schoonheid : de betovering van sierlijke sambavoetbal verdooft bij miljoenen voetballiefhebbers de pijn van de armoede. De clubkleuren rood en zwart staan daarbij voor het bloed en de dood. Een grotere tegenstelling dan die met Fluminense is ondenkbaar. De club is in handen van de rijke elite en ademt zeker niet de warmte van de grote rivaal. Flu heeft ook niet de reputatie mooi voetbal te spelen. Hard spel en efficiëntie gelden als hogere waarden. Fluminense en Flamengo belichamen samen de enorme verschillen tussen arm en rijk die Rio de Janeiro zo kenmerkt. Het voetbalduel draait om eer en prestige en het is illustratief dat Fluminense lange tijd vasthield aan de regel dat het geen zwarte spelers aantrok. Een donkere huidskleur zou volgens deze racistische gedachtegang symbool staan voor armoede. Een nederlaag van Fluminense in de derby betekent dan ook pijnlijk gezichtsverlies ten opzichte van een stel armoedzaaiers. In Moskou regent het stadsderby's. CSKA, Spartak, Lokomotiv, Dinamo, Torpedo Saturn en FC Moskou hebben allemaal hun thuishaven in de hoofdstad. De reden is simpel : voordat de Sovjets in 1936 het Nationaal Kampioenschap creëerden, was het Kampioenschap van Moskou de belangrijkste competitie in moedertje Rusland. Voetbal, maatschappelijke orde en politiek zijn nauw verbonden in Oost-Europa. Zo was Torpedo de ploeg van de autofabriek, terwijl CSKA de ploeg van het leger was. Lokomotiv stond onder het patronaat van de spoorwegen en Dinamo werd gecontroleerd door Binnenlandse Zaken, de politie en de geheime dienst. Spartak was de volksclub. Elke gewonnen match gold als een overwinning op een ander deel van de maatschappij. Het is dus niet verwonderlijk dat er heel wat rivaliteit heerst tussen de teams. Toch steekt één derby er bovenuit : CSKA-Spartak, dé twee topclubs in Rusland. Afgezien van hun status van topclub is er nog een andere reden voor de rivaliteit. Terwijl het Rode Leger de hand hield op CSKA, was Spartak quasi onafhankelijk. Daardoor speelde Spartak vaak tegen een overmacht. Als CSKA in de aanloop naar een derby een talentvolle speler opmerkte bij Spartak, kreeg die namelijk al snel een oproep voor de legerdienst. Hierdoor kreeg CSKA ineens eerste keus op het talent. Het is tekenend voor de rivaliteit tussen beide teams en riep ook de Spartak spirit in het leven : in onmogelijke omstandigheden telkens weer alles geven. Elke winst van Spartak tegen CSKA vierde Boris met de pet als een overwinning op de overheid. Hoewel het Sovjetverleden stilaan minder impact heeft, blijft de rivaliteit tussen de clubs uit Moskou bestaan, ook al moeten ze momenteel allebei het onderspit delven tegen Zenit Sint-Petersburg, het team van Nicolas Lombaerts. Romeinse voetbalfans voelen een haast onbegrensde haat tegen de rijke en succesvolle clubs uit het noorden van Italië. Die zorgen er immers steevast voor dat hun clubs vrijwel succesloos blijven. Die diepe verachting verdwijnt echter in het niet bij de verachting die supporters van Lazio en AS Roma voelen voor elkaar. De twee groepen leven op voet van oorlog. Lazio-aanhangers staan bekend als de meest gewelddadige supporters ter wereld, die vaak gewapend de strijd aangaan met hun rivalen. Dat de Roma-aanhangers met dezelfde hardheid antwoorden, maakt van de Romeinse stadsderby een bizar en grimmig spektakel. De onderlinge duels staan voor beide groepen volledig in het teken van de macht. AS Roma geldt als de vertegenwoordiger van de stad. Niet voor niets heeft de wolf uit het stadswapen tevens een plaats in het clubembleem. Laziofans bevechten die status voortdurend. Daarbij hebben de wedstrijden een sterk politieke lading. Roma staat bekend als een links bolwerk, terwijl Lazio uitgesproken rechts is. De club beschikt zelfs over de grootste groep extreemrechtse supporters van Europa. Dat de vroegere Italiaanse dictator Benito Mussolini lid was van Lazio, is in dat licht geen verrassing. Het was Paulo Di Canio die op 6 januari 2005 van de meest politieke derby in Europa wereldnieuws maakte. Hij bracht na het duel tussen Lazio en AS Roma (3-1) openlijk de Hitlergroet naar de Lazio-aanhang, waarbij zijn gezicht een verbeten grimas toonde. De supporters antwoordden met een euforisch gejoel uit duizenden kelen. Sportief gezien behoort Lazio tot de subtop van Italië. De beide landstitels dateren uit 1974 en 2000. AS Roma is van oudsher de sterkste van de twee, met Scudetti in 1942, 1983 en 2001. De laatste seizoenen is de club een bijna gelijkwaardige opponent van de clubs uit het noorden. S door Martijn Horn en Björn Hinderyckx