In 1969 trok Club Brugge met Rob Rensenbrink de eerste in een lange rij Nederlanders aan. Ofschoon er op dat moment al zes interlands achter de naam van de linksbuiten stonden, was hij niet zo bekend. Rensenbrink voetbalde voor DWS Amsterdam, een club die leefde in de schaduw van Ajax. Dat Club hem kon strikken dankte het aan een waaier van connecties die de toenmalige bestuurder en manager Joseph Hutsebaut in Nederland had opgebouwd.
...

In 1969 trok Club Brugge met Rob Rensenbrink de eerste in een lange rij Nederlanders aan. Ofschoon er op dat moment al zes interlands achter de naam van de linksbuiten stonden, was hij niet zo bekend. Rensenbrink voetbalde voor DWS Amsterdam, een club die leefde in de schaduw van Ajax. Dat Club hem kon strikken dankte het aan een waaier van connecties die de toenmalige bestuurder en manager Joseph Hutsebaut in Nederland had opgebouwd. Club was onder de indruk van de bijna kunstzinnige manier waarop Rensenbrink voetbalde. Maar het plaatste grote vraagtekens bij zijn introverte karakter. Vandaar dat er werd besloten nog een Nederlander aan te trekken. Club kon iemand in het middenveld gebruiken, dus keek Hutsebaut in Voetbal International naar de cijferquoteringen in het referendum van de middenvelders. Zijn blik viel op de voor FC Twente uitkomende Henk Houwaart. Dat was de karakteriële antipode van Rensenbrink. Die woonde een tijdje bij Houwaart in. Hij betaalde zijn ploegmaat 500 frank (12,50 euro) per week en stak dagelijks een reusachtige biefstuk achter de kiezen. Over de extreme gierigheid van de Nederlander zouden later veel verhalen circuleren, vooral dan uit zijn periode bij Anderlecht. Als er vijf spelers op café gingen en Rensenbrink was erbij, dan werd er vier keer iets gedronken, zo werd daar vaak lachend verteld. Rob Rensenbrink was een eenzaat die eigenlijk niet paste binnen de familiegeest van blauw-zwart. In Brugge kwam hij tussen de trainingen en wedstrijden nooit buiten. In de garage van het huis waarin hij, na zijn verblijf bij zijn landgenoot/ploegmaat, woonde met zijn vrouw, had hij een pingpongtafel staan. Elke dag speelde Rob meerdere partijtjes tegen Houwaart. Van alle activiteiten die Club op touw zette, trok hij zich niets aan en in de kleedkamer praatte hij nauwelijks. Rob Rensenbrink had het niet gemakkelijk om zich aan het spel van Club aan te passen. Terwijl hij bij het over de flanken combinerende DWS geregeld werd aangespeeld, was het voetbal van Club afgestemd op Raoul Lambert. Alle ballen werden in de diepte gestuurd. Hij constateerde dat, maar zei er niets over. Toch spatte de klasse van Rensenbrink geregeld op. Het hing van zijn ingesteldheid en van de omstandigheden af. Soms had hij er zin in, soms niet. Soms bood hij zich gretig aan, andere keren mijmerde hij langs de zijlijn. Rob was ook in Brugge een denker, een stille artiest die puur op intuïtie voetbalde en een hekel had aan tactiek. Hij besliste pas op het laatste moment wat hij met de bal ging doen. Zijn beste wedstrijd speelde Rensenbrink in de Europabeker voor Jaarbeurssteden tegen het Hongaarse Ujpest Dozsa. Hij maakte in een met 5-2 gewonnen match drie schitterende doelpunten, de media waren achteraf lyrisch over zijn buitenaardse prestatie en de trainer van Ujpest noemde hem de slangenmens, een typering die vanaf dat moment constant werd gebruikt. In zijn tweede seizoen bij Club Brugge, 1970/71, ging Rob Rensenbrink steeds meer zijn stempel drukken. Hij kronkelde zich langs de tegenstanders, met een loopje waarin de stijlen van Roedolf Noerejev en Stan Laurel zich mengden. Hij scoorde vaak, al toonde hij daarbij nooit emoties. Rensenbrink stak gewoon zijn hand op en sukkelde naar de eigen helft, hij liet zich zelden betrappen op passie en hartstocht. Door zijn prestaties wekte Rob Rensenbrink de aandacht van Anderlecht. Voorzitter Constant Vanden Stock was zo gecharmeerd door de kwaliteiten van de Nederlander dat hij hem ten koste van alles wilde. Hij overtuigde Rensenbrink door de naam te noemen van de trainer die in het Astridpark een nieuwe ploeg moest bouwen. Dat was George Kessler, die Rensenbrink als international had laten debuteren. Anderlecht betaalde aan Club zes miljoen frank (150.000 euro) en er werden ook twee spelers in de transactie betrokken, Wilfried Puis en Johnny Velkeneers. Uiteindelijk speelde Rensenbrink in twee seizoenen 55 competitiewedstrijden voor Club. Hij maakte daarin 23 doelpunten en pakte één prijs: de beker in 1970. Supporters morden toen ze over een mogelijk vertrek hoorden, maar Club kon financieel niet concurreren met Anderlecht. En de liefde koelde snel. Toen Rensenbrink het daaropvolgende seizoen met paars-wit op de Klokke, de toenmalige thuishaven van Club, kwam spelen, werd hij 90 minuten uitgefloten.