Op welk feestje ze elkaar nu bijna vijftig jaar geleden precies leerden kennen, daar raken ze het tijdens ons bezoek niet over eens. Maar volgens Hedwige was het er wel degelijk een van het voetbal. "Via de broer van een vriendin van mij die bevriend was met Raoul ben ik toen voor het eerst met hem in contact gekomen", zegt ze. "Hij was 18, ik 17 en ik wist niet of de bal rond of vierkant was." Twee jaar later huwde ze met de man die het icoon van Club Brugge zou worden. Van 1962 tot 1980 maakte hij er in 458 officiële wedstrijden 270 doelpunten: 215 in de Belgische competitie, 32 in de beker van België en 23 in de Europese bekercampagnes.

"Toen we elkaar leerden kennen, voetbalde ik nog bij de junioren", zegt hij. "Ik was begonnen bij Steenbrugge op mijn elfde - vroeger kon je in die tijd niet bij een voetbalclub aansluiten. Een jaar later kwam Club mij halen en daar staken ze mij altijd een categorie hoger dan mijn leeftijd. Maar in de eerste ploeg werd ik in het begin niet aanvaard. Ik stond er linksbuiten en als ik diep ging, kreeg ik de bal niet; en bleef ik staan, dan speelden ze hem diep. Uiteindelijk ben ik op eigen vraag teruggekeerd naar de jeugd. Ik was 17 en werd op een bepaald moment bijna getransfereerd naar SK Roeselare in derde."

Hedwige: "Hij was te traag."

Raoul: "Ik was wel snel en kon tijdens het spurten ook nog eens versnellen, maar ze vonden dat mijn eerste meters beter moesten. Toen is mij geleerd om bij de start kortere pasjes te zetten. Er werden loodplaatjes achter mijn studs gevezen en ik moest in autobanden lopen die dicht tegen elkaar lagen. Ik hield ervan om snel te zijn. Als kind al kon ik niet verdragen dat er op school iemand voor mij liep. Eigenlijk is dat nog altijd zo: als ik ga fietsen en er rijdt iemand voor mij, dan wil ik hem voorbijrijden. Destijds was ik na het laatste fluitsignaal als eerste het veld af, als eerste gedoucht en als eerste thuis. Soms ging ik het stadion uit met de supporters, dan zag je ze denken: die deed nochtans mee vandaag? Meteen na de wedstrijd met journalisten praten deed ik niet graag."

Hedwige: "Ook thuis zei hij nooit veel. Dat hoefde ook niet. Het enige dat ik moest weten, was: ben je niet geblesseerd?"

Raoul: "De uitslag interesseerde haar niet. Wanneer ik thuiskwam, was het eerste wat ze vroeg: heb je geen stamp gekregen? Mijn korte, explosieve spieren waren kwetsbaar, maar ik ben na een letsel ook altijd te vroeg herbegonnen."

Hedwige: "Altijd maar die inspuitingen. Hij kon soms nog maar pas weer lopen of de spelers belden al om aan te dringen om toch al mee te doen - Bastijns, Vandereycken, Cools, ...

"Dan zei ik: 'Dat zal niet gaan!'

"'Ja maar,' zegden zij dan, 'hij moet daar maar juist staan, dan houdt hij twee man bezig en zijn wij vrij.'

" Guy Thys, de trainer van de nationale ploeg, belde ook ooit eens naar hier.

"'Mevrouw, gaat hij kunnen ...'

"Ik zeg: 'Bahneen, hij zal niet kunnen! Een spierscheuring is zes weken.'

"'Ja maar,' zegt hij, 'ik laat mijn nachtrust door daaraan te denken.'

"Ik zeg: 'Ja maar, ik kan daar niets aan veranderen, hé; en als hij niet speelt, heb ik geen zenuwen!'

"Vele jaren later zijn we hem nog eens tegengekomen. 'Nu ben je van je zenuwen af, hé', zei hij. Waarop ik: 'En jij hebt nu je nachtrust, hé!'" ( lacht)

Juventus

Raoul: "Ik liet mij veel te veel overhalen. Het gebeurde dat ik hier rond de tafel liep om te zien of ik misschien toch niet al zou kunnen spelen. Maar dan ben je voorzichtig, terwijl je in de match maar aan één iets denkt: die bal hebben. Zo maak je een blessure soms erger.

"Maar alles wat ik meemaakte, wil ik opnieuw meemaken; behalve die terugwedstrijd van de halve finale tegen Juventus. Ik was geblesseerd, maar moest toch meedoen. Voor de opwarming kreeg ik een inspuiting en kon ik weer over de tafel springen, maar vijf minuten later kon ik alweer niet meer verder. Net voor de aftrap gaven ze er mij nog twee, maar nog voor het kwartier was het helemaal afgelopen. Toch bleef ik nog tot de rust op het veld. Happel wou zelfs dat ik aan de tweede helft begon, maar dat ging absoluut niet."

Hedwige: "Die avond vergeet ik nooit meer. De jongen van hier recht tegenover bracht hem toen naar huis, omdat hij zelf niet meer met de auto kon rijden; en zoals altijd was het eten klaar tegen dat hij thuiskwam. Raoul was een geweldige eter, maar die keer wou hij niet eten. Hij wist niet waar kruipen van de pijn. Uiteindelijk belde ik de club om te vragen of Michel D'Hooghe alstublieft zou kunnen komen. Op de achtergrond hoorde ik dat er een groot feest aan de gang was en blijkbaar konden ze hem niet meteen bereiken. Het was al voorbij middernacht toen Michel bij ons aankwam. Hij gaf hem nog een inspuiting en na vijf minuten rechtte Raoul zich en zei: 'Zet maar de soep op.' Michel is hier toen nog blijven eten. Ik weet nog dat het kroketten waren. Omdat Raoul de trap niet op kon, haalden we van boven een reservematras, schoven we in de living de tafel opzij en legden we hem hier op de grond te slapen."

Raoul: "En 's anderendaags naar de kliniek. Eerst naar AZ Sint-Jan in Brugge en dan naar de bekende chirurg Strikwerda in Utrecht. Ze deden er mijn knie open en haalden er mijn meniscus uit; door al die inspuitingen waren er weefsels afgestorven, kreeg ik te horen.

"Ik kan een boek schrijven over dokters. Ooit staken ze mijn hele been in het gips om mijn achillespees te laten rusten. Zo ben ik toen zelfs nog met mijn wagen van de club naar huis gereden. Om mijn embrayage te kunnen intrappen, moest ik mezelf op de zetel omhoog duwen."

Liverpool

Dé hoogtepunten uit de inmiddels 120-jarige geschiedenis van Club Brugge vielen in de herfst van zijn carrière: de finale van de UEFA Cup in 1976 en die van de Beker voor landskampioenen in Wembley in 1978.

Raoul: "Twee keer tegen Liverpool en twee keer verloren, nipt, maar wie doet ons dat ooit nog na? De grootste ontgoocheling was in 1976. De heenwedstrijd verloren we met 3-2 nadat we in het eerste kwartier 0-2 waren voorgekomen. Thuis met 1-0 winnen volstond en al na tien minuten kregen we een penalty. De hele week hadden we getraind op een penalty in twee tijden trappen, Happel wou per se dat we het zo deden: le Fevre moest hem breed leggen en ik moest hem binnen sjotten. Maar op het moment van de waarheid durfde hij niet. 'Raoul,' zei hij, 'doe jij het maar.' Waarna ik er een patat op gaf. 1-0. Maar Keegan maakte gelijk uit een vrijschop die er eigenlijk geen was en ik trof nog eens de binnenkant van de paal. Ik heb toen tranen gelaten, omdat we er zo dicht bij waren geweest."

Hedwige: "Daar is hij een hele week down van geweest."

Raoul: "Liverpool was toen dé ploeg in Europa. Maar wij waren van niemand bang. Ik vraag me af: waarom brengen ze de beelden van al die Europese matchen van toen niet eens op dvd uit? Dat zijn schone herinneringen en daar zou zeker veel vraag naar zijn.

"Aan die penalty denk ik nog dikwijls terug. En ik ben er ook van overtuigd dat als ik in Wembley had kunnen meedoen, we hadden gewonnen. Tegen Liverpool scoorde ik altijd."

Het einde was toen al nabij.

Raoul: "Het jaar na Wembley vroeg Happel mij nog mee naar Krakau. 'Als toerist', zei hij."

Hedwige: "Ik geloofde dat niet, ik dacht: dat klopt niet, hij zal jou daar opstellen!"

Raoul: "Uiteindelijk zei hij: doe toch maar je boeltje mee. De tweede helft ben ik bij een 2-0-achterstand ingekomen. Het werd nog 2-1, maar voor mij was het toen definitief gedaan. Voor haar was dat hét hoogtepunt van mijn carrière ( lacht). Maar eigenlijk was Juventus al het einde."

Hedwige: "Al toen hij dertig werd, ben ik beginnen te zeggen: zou je na het seizoen niet beter stoppen? Mijn angst is altijd geweest dat hij er iets aan zou overhouden. Telkens als ik hem achterover zag leunen om de kracht te ontwikkelen om zo ver in te gooien, dacht ik: Raoul, doe dat toch niet! Door al die inworpen zit hij nu met een papegaaibekken."

Raoul: "Wanneer ik in de tuin werk, moet ik op mijn knieën gaan zitten om te harken, omdat mijn rug het anders niet houdt. Maar in feite mag ik na achttien jaar topsport niet klagen, zeker ook niet gezien de toenmalige trainingsmethodes. Ik herinner mij nog dat we voor een trainingskamp met de bus naar Oostenrijk reden en daar bij de aankomst meteen een berg op moesten lopen. En toen we daarboven uitgeput aankwamen, bleek dat we ook nog terug moesten lopen - buiten het zicht van Happel zijn Jensen en Vandereycken toen trouwens teruggekeerd in de schepbak van een bulldozer. ( lacht)

"Maar ondanks alle stampen die ik kreeg, ben ik eigenlijk nog in vrij goede staat - ik vergeet nooit hoe Leekens mij in de tijd dat hij bij Crossing Schaarbeek speelde eens een meter in de lucht schopte. Dat dank ik wellicht aan mijn sterk gestel."

Hedwige: "Hij leefde er ook wel voor. Vanaf twee, drie dagen voor de wedstrijd ging hij vroeg slapen, om halftien à kwart voor tien, en dan moest het hier beneden stil zijn."

Raoul: "Ik ben nooit een uitvlieger geweest."

Hedwige: "We roken allebei en we gaan graag eens eten, maar we drinken niet."

Raoul: "Ik weet niet of zo'n ploeg als in de tijd van Happel nog ooit terugkomt. Daar heb je werkers voor nodig, mannen op het middenveld die blijven lopen, en snelheid voorin. Wij hingen ook naast het veld aan elkaar. Hoeveel soupertjes zijn er niet geweest?"

Hedwige: "Soms zaten ze hier bijna allemaal binnen. Ik herinner mij nog een zondagochtend dat het huis vol zat met spelers - Jensen, Vandereycken, ...; dertien, geloof ik - en dat ze 's namiddags tegen Cercle moesten spelen. Dan was het van: en hoeveel zullen we ze er geven? Dat bestaat nu ook niet meer, denk ik.

"Ik ben al die jaren misschien maar tien keer gaan kijken en tegen elkaar spraken we nooit over voetbal, maar eigenlijk was dat wel een geestige tijd."

Bompa

Na zijn carrière deed Raoul Lambert 19 jaar geldtransport voor de BBL, was hij 13 seizoenen jeugdtrainer en ging hij af en toe spitsen scouten voor de club van zijn hart. Zo gaf hij positief advies voor de aanwerving van Jean-Pierre Papin. Maar zijn zoon werd niet zijn opvolger en zijn vrouw gaat nog altijd niet naar het voetbal kijken.

Raoul: "Het is natuurlijk plezierig als je zoon je opvolgt; en Alain had wel het talent, maar niet het karakter om voetballer te worden. De tijd dat ik bij de jeugd zijn trainer was, was het voor die jongen ook niet gemakkelijk. Als er een te veel was, dan viel hij af, omdat ik zeker de indruk niet wou geven dat ik hem voortrok. Hij is nu kabinetsmedewerker van schepen Hilde Decleer (CD&V) in Brugge. En mijn vrouw, ja, ooit beloofde ze mij dat als ik zou stoppen met voetballen, ze iedere keer zou meegaan naar de wedstrijden van Club. Maar ze is nog altijd niet mee geweest."

Hedwige: "Dat is ook omdat ik gewend ben dat als hij thuiskomt het eten klaar is."

Raoul: "Dan steek ik meteen mijn voeten onder tafel. Waar vind je dat nog?"

Hedwige: "Wanneer ik hem na een trainingskamp om halfvijf 's ochtends ging halen, was ik om twee uur 's nachts al aan het eten bezig geweest."

Raoul: "Als profvoetballer heb je een vrouw nodig die achter je staat en meegaande is."

Hedwige: "Zijn tas stond altijd gereed, zijn schoenen erin, gepoetst. Hij moest nooit vragen: zit dát in mijn valies? Dat was altijd kant en klaar. Ik ontzag mij dat nooit, ook niet als hij eens voor enkele weken weg moest. Het is een beroep, hé. Maar wel geen beroep dat zekerheid biedt. Het is een beroep als een glazen kruk. Je steunt erop, maar om drie uur ga je het veld op en om kwart over drie kan het definitief gedaan zijn. Ik vind dat een risicoberoep."

Raoul: "Tegenwoordig is dat allemaal goed verzekerd."

Hedwige: "Je kunt dat niet meer vergelijken. Maar best ook dat het allemaal mee evolueert, zodat je er als speler niet meer voor eender wat alleen voor staat."

In de woonkamer hangt een schilderij van een oude Humocover met een portret van Raoul Lambert erop - destijds gemaakt en geschonken door een achttienjarig meisje dat ze helaas nog nooit ontmoetten, vernemen we. Er staan ook enkele trofeeën rond. Zowel de supporters als de oud-spelers verkozen hem al tot beste Clubspeler uit de geschiedenis; en de lezers van Krant van West-Vlaanderen verkozen hem tot beste West-Vlaamse voetballer aller tijden. Twee jaar geleden werd hij voor de thuiswedstrijd tegen AA Gent gehuldigd. Het was een heel emotioneel moment.

Hedwige: "Hoe hij daar met zijn armen omhoog naar de spionkop liep en hoe het hele stadion voor hem rechtstond en applaudiseerde, dat heeft ons allemaal gepakt - Raoul, mij en Alain."

Raoul: "Dat doet je iets. Vroeger had ik dat ook, als ik niet helemaal fit was en op de bank begon omdat het geen te moeilijke tegenstander was: als ik dan nog maar rechtstond, begonnen ze al mijn naam te scanderen. Wie daar ongevoelig voor is, moet werkelijk steenhard zijn. Het doet nog altijd plezier als mensen mij herkennen. Soms doe ik er voor een wedstrijd veertig minuten over om van de ingang tot aan de loge te gaan, omdat veel supporters mij aanspreken. 'Ha, Raoul, heb je je schoenen mee? Zou jij niet beter meedoen?!'" ( lacht)

Hedwige: "Hij is altijd simpel gebleven en dat is een voordeel. En ik maakte nooit bekend dat ik de vrouw van Raoul Lambert was. Wanneer ik vroeger naar de stad ging, gaf ik altijd mijn naam op.

"Ik vergeet nooit dat de gynaecoloog vroeg: 'En de naam van je man?'

"'Raoul', zei ik.

"'En dan?' vroeg hij.

"'Lambert', zei ik.

"'De voetballer van Club Brugge?!'

"Tja, ik kon moeilijk neen zeggen natuurlijk. Maar ik hou daar niet zo van. Het liefst heb ik dat ze mij niets vragen."

Raoul: "Als de vrouw te veel in de belangstelling staat, is het ook niet goed. Maar op dat gebied vonden we elkaar perfect. Nu kom ik soms zelfs al bij de rust van de wedstrijd thuis."

Hedwige: "Hij ergert zich meer dan vroeger, merk ik, ook als hij op televisie naar voetbal kijkt."

Raoul: "Vooral als er spelers de diepte in gaan en de bal niet krijgen omdat er eerst nog een dribbeltje gedaan wordt."

Vorige maand werd Raoul Lambert 67 jaar. Voetballen doet hij nooit meer, ook niet in de tuin. Maar snel is hij nog altijd graag.

Hedwige: "Om ter snelst lopen, dat doet hij nu met onze kleindochter van negen jaar."

Raoul: "Maar ze sport niet zo graag. Handstand tegen de muur, dat kan ze niet; en dan zegt ze: 'Bompa, wil je dat nog eens voordoen?' Het gebeurt zelfs dat ik op mijn handen loop. En onlangs zat ik boven op mijn dak om de schoorsteen met draad af te dekken, zodat kraaien er geen nest in kunnen maken. Ik was ook nog elk jaar zelf de corniche af."

Hedwige: "Dan zeg ik: je moet dat niet meer doen, we zullen een firma laten komen. Maar neen, daar wil hij niets van weten."

Raoul: "Zolang ik het kan, zal ik dat blijven doen."

door christian vandenabeele - beelden: koen bauters

CLUB BRUGGE IS ... "Hard werken en niet te veel babbelen." {Fernand De Clerck, ex-voorzitter}

"Liverpool was dé ploeg in Europa. Maar wij waren van niemand bang." Raoul

"Wanneer ik thuiskwam, was het eerste wat Hedwige vroeg: heb je geen stamp gekregen?" Raoul

Op welk feestje ze elkaar nu bijna vijftig jaar geleden precies leerden kennen, daar raken ze het tijdens ons bezoek niet over eens. Maar volgens Hedwige was het er wel degelijk een van het voetbal. "Via de broer van een vriendin van mij die bevriend was met Raoul ben ik toen voor het eerst met hem in contact gekomen", zegt ze. "Hij was 18, ik 17 en ik wist niet of de bal rond of vierkant was." Twee jaar later huwde ze met de man die het icoon van Club Brugge zou worden. Van 1962 tot 1980 maakte hij er in 458 officiële wedstrijden 270 doelpunten: 215 in de Belgische competitie, 32 in de beker van België en 23 in de Europese bekercampagnes. "Toen we elkaar leerden kennen, voetbalde ik nog bij de junioren", zegt hij. "Ik was begonnen bij Steenbrugge op mijn elfde - vroeger kon je in die tijd niet bij een voetbalclub aansluiten. Een jaar later kwam Club mij halen en daar staken ze mij altijd een categorie hoger dan mijn leeftijd. Maar in de eerste ploeg werd ik in het begin niet aanvaard. Ik stond er linksbuiten en als ik diep ging, kreeg ik de bal niet; en bleef ik staan, dan speelden ze hem diep. Uiteindelijk ben ik op eigen vraag teruggekeerd naar de jeugd. Ik was 17 en werd op een bepaald moment bijna getransfereerd naar SK Roeselare in derde." Hedwige: "Hij was te traag." Raoul: "Ik was wel snel en kon tijdens het spurten ook nog eens versnellen, maar ze vonden dat mijn eerste meters beter moesten. Toen is mij geleerd om bij de start kortere pasjes te zetten. Er werden loodplaatjes achter mijn studs gevezen en ik moest in autobanden lopen die dicht tegen elkaar lagen. Ik hield ervan om snel te zijn. Als kind al kon ik niet verdragen dat er op school iemand voor mij liep. Eigenlijk is dat nog altijd zo: als ik ga fietsen en er rijdt iemand voor mij, dan wil ik hem voorbijrijden. Destijds was ik na het laatste fluitsignaal als eerste het veld af, als eerste gedoucht en als eerste thuis. Soms ging ik het stadion uit met de supporters, dan zag je ze denken: die deed nochtans mee vandaag? Meteen na de wedstrijd met journalisten praten deed ik niet graag." Hedwige: "Ook thuis zei hij nooit veel. Dat hoefde ook niet. Het enige dat ik moest weten, was: ben je niet geblesseerd?" Raoul: "De uitslag interesseerde haar niet. Wanneer ik thuiskwam, was het eerste wat ze vroeg: heb je geen stamp gekregen? Mijn korte, explosieve spieren waren kwetsbaar, maar ik ben na een letsel ook altijd te vroeg herbegonnen." Hedwige: "Altijd maar die inspuitingen. Hij kon soms nog maar pas weer lopen of de spelers belden al om aan te dringen om toch al mee te doen - Bastijns, Vandereycken, Cools, ... "Dan zei ik: 'Dat zal niet gaan!' "'Ja maar,' zegden zij dan, 'hij moet daar maar juist staan, dan houdt hij twee man bezig en zijn wij vrij.' " Guy Thys, de trainer van de nationale ploeg, belde ook ooit eens naar hier. "'Mevrouw, gaat hij kunnen ...' "Ik zeg: 'Bahneen, hij zal niet kunnen! Een spierscheuring is zes weken.' "'Ja maar,' zegt hij, 'ik laat mijn nachtrust door daaraan te denken.' "Ik zeg: 'Ja maar, ik kan daar niets aan veranderen, hé; en als hij niet speelt, heb ik geen zenuwen!' "Vele jaren later zijn we hem nog eens tegengekomen. 'Nu ben je van je zenuwen af, hé', zei hij. Waarop ik: 'En jij hebt nu je nachtrust, hé!'" ( lacht) Raoul: "Ik liet mij veel te veel overhalen. Het gebeurde dat ik hier rond de tafel liep om te zien of ik misschien toch niet al zou kunnen spelen. Maar dan ben je voorzichtig, terwijl je in de match maar aan één iets denkt: die bal hebben. Zo maak je een blessure soms erger. "Maar alles wat ik meemaakte, wil ik opnieuw meemaken; behalve die terugwedstrijd van de halve finale tegen Juventus. Ik was geblesseerd, maar moest toch meedoen. Voor de opwarming kreeg ik een inspuiting en kon ik weer over de tafel springen, maar vijf minuten later kon ik alweer niet meer verder. Net voor de aftrap gaven ze er mij nog twee, maar nog voor het kwartier was het helemaal afgelopen. Toch bleef ik nog tot de rust op het veld. Happel wou zelfs dat ik aan de tweede helft begon, maar dat ging absoluut niet." Hedwige: "Die avond vergeet ik nooit meer. De jongen van hier recht tegenover bracht hem toen naar huis, omdat hij zelf niet meer met de auto kon rijden; en zoals altijd was het eten klaar tegen dat hij thuiskwam. Raoul was een geweldige eter, maar die keer wou hij niet eten. Hij wist niet waar kruipen van de pijn. Uiteindelijk belde ik de club om te vragen of Michel D'Hooghe alstublieft zou kunnen komen. Op de achtergrond hoorde ik dat er een groot feest aan de gang was en blijkbaar konden ze hem niet meteen bereiken. Het was al voorbij middernacht toen Michel bij ons aankwam. Hij gaf hem nog een inspuiting en na vijf minuten rechtte Raoul zich en zei: 'Zet maar de soep op.' Michel is hier toen nog blijven eten. Ik weet nog dat het kroketten waren. Omdat Raoul de trap niet op kon, haalden we van boven een reservematras, schoven we in de living de tafel opzij en legden we hem hier op de grond te slapen." Raoul: "En 's anderendaags naar de kliniek. Eerst naar AZ Sint-Jan in Brugge en dan naar de bekende chirurg Strikwerda in Utrecht. Ze deden er mijn knie open en haalden er mijn meniscus uit; door al die inspuitingen waren er weefsels afgestorven, kreeg ik te horen. "Ik kan een boek schrijven over dokters. Ooit staken ze mijn hele been in het gips om mijn achillespees te laten rusten. Zo ben ik toen zelfs nog met mijn wagen van de club naar huis gereden. Om mijn embrayage te kunnen intrappen, moest ik mezelf op de zetel omhoog duwen." Dé hoogtepunten uit de inmiddels 120-jarige geschiedenis van Club Brugge vielen in de herfst van zijn carrière: de finale van de UEFA Cup in 1976 en die van de Beker voor landskampioenen in Wembley in 1978. Raoul: "Twee keer tegen Liverpool en twee keer verloren, nipt, maar wie doet ons dat ooit nog na? De grootste ontgoocheling was in 1976. De heenwedstrijd verloren we met 3-2 nadat we in het eerste kwartier 0-2 waren voorgekomen. Thuis met 1-0 winnen volstond en al na tien minuten kregen we een penalty. De hele week hadden we getraind op een penalty in twee tijden trappen, Happel wou per se dat we het zo deden: le Fevre moest hem breed leggen en ik moest hem binnen sjotten. Maar op het moment van de waarheid durfde hij niet. 'Raoul,' zei hij, 'doe jij het maar.' Waarna ik er een patat op gaf. 1-0. Maar Keegan maakte gelijk uit een vrijschop die er eigenlijk geen was en ik trof nog eens de binnenkant van de paal. Ik heb toen tranen gelaten, omdat we er zo dicht bij waren geweest." Hedwige: "Daar is hij een hele week down van geweest." Raoul: "Liverpool was toen dé ploeg in Europa. Maar wij waren van niemand bang. Ik vraag me af: waarom brengen ze de beelden van al die Europese matchen van toen niet eens op dvd uit? Dat zijn schone herinneringen en daar zou zeker veel vraag naar zijn. "Aan die penalty denk ik nog dikwijls terug. En ik ben er ook van overtuigd dat als ik in Wembley had kunnen meedoen, we hadden gewonnen. Tegen Liverpool scoorde ik altijd." Het einde was toen al nabij. Raoul: "Het jaar na Wembley vroeg Happel mij nog mee naar Krakau. 'Als toerist', zei hij." Hedwige: "Ik geloofde dat niet, ik dacht: dat klopt niet, hij zal jou daar opstellen!" Raoul: "Uiteindelijk zei hij: doe toch maar je boeltje mee. De tweede helft ben ik bij een 2-0-achterstand ingekomen. Het werd nog 2-1, maar voor mij was het toen definitief gedaan. Voor haar was dat hét hoogtepunt van mijn carrière ( lacht). Maar eigenlijk was Juventus al het einde." Hedwige: "Al toen hij dertig werd, ben ik beginnen te zeggen: zou je na het seizoen niet beter stoppen? Mijn angst is altijd geweest dat hij er iets aan zou overhouden. Telkens als ik hem achterover zag leunen om de kracht te ontwikkelen om zo ver in te gooien, dacht ik: Raoul, doe dat toch niet! Door al die inworpen zit hij nu met een papegaaibekken." Raoul: "Wanneer ik in de tuin werk, moet ik op mijn knieën gaan zitten om te harken, omdat mijn rug het anders niet houdt. Maar in feite mag ik na achttien jaar topsport niet klagen, zeker ook niet gezien de toenmalige trainingsmethodes. Ik herinner mij nog dat we voor een trainingskamp met de bus naar Oostenrijk reden en daar bij de aankomst meteen een berg op moesten lopen. En toen we daarboven uitgeput aankwamen, bleek dat we ook nog terug moesten lopen - buiten het zicht van Happel zijn Jensen en Vandereycken toen trouwens teruggekeerd in de schepbak van een bulldozer. ( lacht) "Maar ondanks alle stampen die ik kreeg, ben ik eigenlijk nog in vrij goede staat - ik vergeet nooit hoe Leekens mij in de tijd dat hij bij Crossing Schaarbeek speelde eens een meter in de lucht schopte. Dat dank ik wellicht aan mijn sterk gestel." Hedwige: "Hij leefde er ook wel voor. Vanaf twee, drie dagen voor de wedstrijd ging hij vroeg slapen, om halftien à kwart voor tien, en dan moest het hier beneden stil zijn." Raoul: "Ik ben nooit een uitvlieger geweest." Hedwige: "We roken allebei en we gaan graag eens eten, maar we drinken niet." Raoul: "Ik weet niet of zo'n ploeg als in de tijd van Happel nog ooit terugkomt. Daar heb je werkers voor nodig, mannen op het middenveld die blijven lopen, en snelheid voorin. Wij hingen ook naast het veld aan elkaar. Hoeveel soupertjes zijn er niet geweest?" Hedwige: "Soms zaten ze hier bijna allemaal binnen. Ik herinner mij nog een zondagochtend dat het huis vol zat met spelers - Jensen, Vandereycken, ...; dertien, geloof ik - en dat ze 's namiddags tegen Cercle moesten spelen. Dan was het van: en hoeveel zullen we ze er geven? Dat bestaat nu ook niet meer, denk ik. "Ik ben al die jaren misschien maar tien keer gaan kijken en tegen elkaar spraken we nooit over voetbal, maar eigenlijk was dat wel een geestige tijd." Na zijn carrière deed Raoul Lambert 19 jaar geldtransport voor de BBL, was hij 13 seizoenen jeugdtrainer en ging hij af en toe spitsen scouten voor de club van zijn hart. Zo gaf hij positief advies voor de aanwerving van Jean-Pierre Papin. Maar zijn zoon werd niet zijn opvolger en zijn vrouw gaat nog altijd niet naar het voetbal kijken. Raoul: "Het is natuurlijk plezierig als je zoon je opvolgt; en Alain had wel het talent, maar niet het karakter om voetballer te worden. De tijd dat ik bij de jeugd zijn trainer was, was het voor die jongen ook niet gemakkelijk. Als er een te veel was, dan viel hij af, omdat ik zeker de indruk niet wou geven dat ik hem voortrok. Hij is nu kabinetsmedewerker van schepen Hilde Decleer (CD&V) in Brugge. En mijn vrouw, ja, ooit beloofde ze mij dat als ik zou stoppen met voetballen, ze iedere keer zou meegaan naar de wedstrijden van Club. Maar ze is nog altijd niet mee geweest." Hedwige: "Dat is ook omdat ik gewend ben dat als hij thuiskomt het eten klaar is." Raoul: "Dan steek ik meteen mijn voeten onder tafel. Waar vind je dat nog?" Hedwige: "Wanneer ik hem na een trainingskamp om halfvijf 's ochtends ging halen, was ik om twee uur 's nachts al aan het eten bezig geweest." Raoul: "Als profvoetballer heb je een vrouw nodig die achter je staat en meegaande is." Hedwige: "Zijn tas stond altijd gereed, zijn schoenen erin, gepoetst. Hij moest nooit vragen: zit dát in mijn valies? Dat was altijd kant en klaar. Ik ontzag mij dat nooit, ook niet als hij eens voor enkele weken weg moest. Het is een beroep, hé. Maar wel geen beroep dat zekerheid biedt. Het is een beroep als een glazen kruk. Je steunt erop, maar om drie uur ga je het veld op en om kwart over drie kan het definitief gedaan zijn. Ik vind dat een risicoberoep." Raoul: "Tegenwoordig is dat allemaal goed verzekerd." Hedwige: "Je kunt dat niet meer vergelijken. Maar best ook dat het allemaal mee evolueert, zodat je er als speler niet meer voor eender wat alleen voor staat." In de woonkamer hangt een schilderij van een oude Humocover met een portret van Raoul Lambert erop - destijds gemaakt en geschonken door een achttienjarig meisje dat ze helaas nog nooit ontmoetten, vernemen we. Er staan ook enkele trofeeën rond. Zowel de supporters als de oud-spelers verkozen hem al tot beste Clubspeler uit de geschiedenis; en de lezers van Krant van West-Vlaanderen verkozen hem tot beste West-Vlaamse voetballer aller tijden. Twee jaar geleden werd hij voor de thuiswedstrijd tegen AA Gent gehuldigd. Het was een heel emotioneel moment. Hedwige: "Hoe hij daar met zijn armen omhoog naar de spionkop liep en hoe het hele stadion voor hem rechtstond en applaudiseerde, dat heeft ons allemaal gepakt - Raoul, mij en Alain." Raoul: "Dat doet je iets. Vroeger had ik dat ook, als ik niet helemaal fit was en op de bank begon omdat het geen te moeilijke tegenstander was: als ik dan nog maar rechtstond, begonnen ze al mijn naam te scanderen. Wie daar ongevoelig voor is, moet werkelijk steenhard zijn. Het doet nog altijd plezier als mensen mij herkennen. Soms doe ik er voor een wedstrijd veertig minuten over om van de ingang tot aan de loge te gaan, omdat veel supporters mij aanspreken. 'Ha, Raoul, heb je je schoenen mee? Zou jij niet beter meedoen?!'" ( lacht) Hedwige: "Hij is altijd simpel gebleven en dat is een voordeel. En ik maakte nooit bekend dat ik de vrouw van Raoul Lambert was. Wanneer ik vroeger naar de stad ging, gaf ik altijd mijn naam op. "Ik vergeet nooit dat de gynaecoloog vroeg: 'En de naam van je man?' "'Raoul', zei ik. "'En dan?' vroeg hij. "'Lambert', zei ik. "'De voetballer van Club Brugge?!' "Tja, ik kon moeilijk neen zeggen natuurlijk. Maar ik hou daar niet zo van. Het liefst heb ik dat ze mij niets vragen." Raoul: "Als de vrouw te veel in de belangstelling staat, is het ook niet goed. Maar op dat gebied vonden we elkaar perfect. Nu kom ik soms zelfs al bij de rust van de wedstrijd thuis." Hedwige: "Hij ergert zich meer dan vroeger, merk ik, ook als hij op televisie naar voetbal kijkt." Raoul: "Vooral als er spelers de diepte in gaan en de bal niet krijgen omdat er eerst nog een dribbeltje gedaan wordt." Vorige maand werd Raoul Lambert 67 jaar. Voetballen doet hij nooit meer, ook niet in de tuin. Maar snel is hij nog altijd graag. Hedwige: "Om ter snelst lopen, dat doet hij nu met onze kleindochter van negen jaar." Raoul: "Maar ze sport niet zo graag. Handstand tegen de muur, dat kan ze niet; en dan zegt ze: 'Bompa, wil je dat nog eens voordoen?' Het gebeurt zelfs dat ik op mijn handen loop. En onlangs zat ik boven op mijn dak om de schoorsteen met draad af te dekken, zodat kraaien er geen nest in kunnen maken. Ik was ook nog elk jaar zelf de corniche af." Hedwige: "Dan zeg ik: je moet dat niet meer doen, we zullen een firma laten komen. Maar neen, daar wil hij niets van weten." Raoul: "Zolang ik het kan, zal ik dat blijven doen." door christian vandenabeele - beelden: koen bautersCLUB BRUGGE IS ... "Hard werken en niet te veel babbelen." {Fernand De Clerck, ex-voorzitter}"Liverpool was dé ploeg in Europa. Maar wij waren van niemand bang." Raoul"Wanneer ik thuiskwam, was het eerste wat Hedwige vroeg: heb je geen stamp gekregen?" Raoul