Kuregem, een melting pot in de gemeente Anderlecht. We hebben afgesproken in het ruime atelier van Benoît van Innis (55), een Bruggeling die meer dan twintig jaar geleden zijn toeristische en kneuterige geboortestad verliet. Hij plaveide er aan de weg naar de internationale top en werkte als tekenaar voor onder andere De Morgen, De Volkskrant, The New Yorker en Paris Match. Van Innis publiceerde boeken, in de twee grote winkelstraten van Brugge hangen vlaggen van zijn hand, voor het metrostation Maalbeek ontwierp hij een grote tegelwand... Een artistieke duizendpoot.
...

Kuregem, een melting pot in de gemeente Anderlecht. We hebben afgesproken in het ruime atelier van Benoît van Innis (55), een Bruggeling die meer dan twintig jaar geleden zijn toeristische en kneuterige geboortestad verliet. Hij plaveide er aan de weg naar de internationale top en werkte als tekenaar voor onder andere De Morgen, De Volkskrant, The New Yorker en Paris Match. Van Innis publiceerde boeken, in de twee grote winkelstraten van Brugge hangen vlaggen van zijn hand, voor het metrostation Maalbeek ontwierp hij een grote tegelwand... Een artistieke duizendpoot. Van zijn atelier is het amper drie kilometer stappen naar het Constant Vanden Stockstadion, waar zijn oudste broer Emmanuel - topmanager bij GDF Suez - een zitje in de raad van bestuur heeft. 'Plots kreeg ik e-mails of sms'jes van vrienden. 'Wat is dat met je broer?'' (lacht) Maar: de mooiste herinneringen zijn aan Anderlecht gelinkt. Zoals de bekerfinale van 1978, toen Club met 4-3 won van de paars-witte aartsrivaal. 'Memorabel.' Of, nog langer geleden: de tweede landstitel in 1973, toen hij nog dertien moest worden en Club in het Astridpark aan een puntje genoeg had. 'Ik was daar. 1-1! Ik zie die strafschop van Raoul Lambert, ook al is het al meer dan veertig jaar geleden, nog zo voor mij. Staalhard. De doelman, Jan Ruiter, bewoog niet eens.' Aan de muren van het atelier, een voormalige drukkerij, hangen grote kleurrijke werken, de grond ligt bezaaid met tientallen papiervellen. Op een klein tafeltje ligt de biografie Robert Enke. Een al te kort leven. Een indringend levensverhaal van de Duitse doelman die op 10 november 2009 zelfmoord pleegde. 'Onwaarschijnlijk mooi geschreven. Je wordt er in meegezogen en naarmate je verder leest, hoop je dat het nog anders zal eindigen.' Het boek is er doelbewust gelegd. Want, zei van Innis ooit: Club Brugge had zijn leven gered. 'Niet dat ik suïcidaal was - bij mij ging het gelukkig niet zo ver -, maar toen ik van het buurtschooltje in Sint-Kruis naar het college overstapte, liep ik mentaal verloren. De lagere school stond synoniem voor plezier, voetballen en tekenen, kattenkwaad uithalen. Op het college werd ik getroffen door een gevoel van onbehagen. Mijn onbezorgde jeugd was abrupt gestopt, het college maakte me diep ongelukkig. 'Ik studeerde Latijn-wiskunde en haalde nochtans heel goede punten, maar er heerste een vreselijke prestatiedwang waardoor ik last kreeg van angstaanvallen en slapeloosheid. Ik ging naar psychologen en psychiaters, maar die vertelden telkens hetzelfde: '85 procent op school, er is niets aan de hand.' Tekenen en Club Brugge waren de enige lichtpuntjes in die zwarte jaren.' 'Ik zag mijn eerste wedstrijd op de Klokke in maart 1968, toen ik nog acht jaar moest worden. Club Brugge-Anderlecht: 2-2. Ik was de jongste van acht kinderen, mijn oudste broer had al een tijdje beloofd om mij eens mee te nemen. Voor de match gaf Pierre Carteus bloemen aan Paul Van Himst, dat weet ik nog heel goed. We stonden recht tegenover de hoofdtribune, maar ik was zo klein dat ik amper iets van de match heb gezien. Mijn broer tilde me af en toe in de lucht, zodat ik toch ook eens een speler kon zien (lacht). De kou, die enorme mensenmassa, de sfeer... Ik was meteen verkocht. 'Sommige beelden kan ik me nog altijd zomaar voor de geest halen. Zeker van de topmatchen op de Klokke, toen er drie rijen banken óp het veld werden geplaatst en de mensen moesten opzij stappen als Johny Thio een corner wilde trappen. Tientallen supporters die in de verlichtingspalen kropen, anderen die op het hoge dak van de hoofdtribune zaten. 'Voetbal en tekenen waren mijn twee passies. Op school noemden ze mij geregeld Benoît den artiest... Op de velletjes papier die ik vond, tekende ik spelfases van de match die nog moest gespeeld worden. Club Brugge-Anderlecht, 5-0 natuurlijk. (lacht) In de kranten verschenen toen grote foto's, genomen van achter het doel, waarop met pijltjes werd aangeduid hoe het doelpunt tot stand was gekomen. Zulke tekeningen maakte ik ook. Een juichende Lambert, maar ik toonde met pijltjes dat Pierre Carteus de bal aan Johny Thio had gegeven, daarna de pas naar Raoul en doelpunt...' 'Vader en moeder hadden niets met voetbal, in die tijd nog een echte volkssport, terwijl wij waren opgegroeid in een burgerlijk- conservatief en katholiek milieu. Mijn vader, Albert van Innis, stamt uit een adellijke familie en voetbal was iets voor le peuple. Toen ik meer en meer naar de Klokke begon te gaan, was hij geambeteerd dat we in onze kringen scheef zouden worden bekeken. Wat zouden de mensen niet zeggen? Tot hij hoorde dat er in een andere grote Brugse adellijke familie - Van der Haert - ook fanatieke Clubzotten zaten. Supporteren voor Club was dan toch geen doodzonde. (lacht) 'We zijn jaren samen met de Van der Haerts naar de Klokke of op verplaatsing geweest, ook al was het op zondagnamiddag schipperen tussen de traditionele lunch en het voetbal. Toen Eric, mijn broer, en ik op ons uurwerk keken om te vertrekken, voelde je de spanning... 'Mijn moeder, afkomstig uit Namen, was een goede klant bij Boekhandel De Reyghere op de Markt. Ik zie mezelf daar nog staan, met mijn Clubmuts op het hoofd. Mijnheer De Reyghere, een goede vriend van mijn ouders, zei nogal minachtend: 'Ah, votre fils est pour le Club?' Ma antwoordde onbevangen: 'Il est fou de Club, monsieur.' Ze had niet door dat mensen van onze stand eigenlijk voor Cercle, de katholieke vereniging in de stad, supporterden. 'Ik voetbalde op school, in de tuin of op een braakliggend stukje grond in de buurt, maar lid worden van een club, dat mocht niet van thuis. En, midden en eind de jaren zestig was dat ook niet gebruikelijk. In ons buurtschooltje was Tony Vertongen, die bij Cercle was aangesloten, een uitzondering. Toen ik elf jaar was, had Tony enkele vriendjes uitgenodigd om deel te nemen aan een paastoernooi op Cercle, dat op die manier nieuwe spelertjes rekruteerde. Toen we het toernooi hadden gewonnen, vroeg een bestuurslid of ik een aansluitingskaart wilde tekenen. Ik had het graag gedaan, ook al was het bij Cercle, maar mijn vader was onverbiddelijk. Niet deftig genoeg. 'Voetbal en kunst waren twee werelden die ver van onze familie stonden. Toen ik op mijn vijftiende avondonderwijs in de kunstacademie mocht volgen, voelde ik vrij snel: dit wordt het. Twee jaar erna nam ik een radicale beslissing en weigerde ik om de examens aan het college af te leggen. Mijn moeder heeft het nooit mogen toegeven, maar in haar ogen zag ik dat ze altijd had geweten dat ik kunstenaar zou worden. Mijn vader was tégen kunstscholen, oorden van verderf en drugs, al kon ik hem overtuigen met de ondertitel van de kunsthumaniora in Gent: 'Voorbereidende studies tot architectuur.' Hij dacht dat ik nog ingenieur-architect zou worden, in zijn ogen een deftig beroep. Maar toen ik afstudeerde, zei mijn leraar - Gilbert Decouvreur - dat hij in mij een schilder en geen architect zag.' 'In een match tegen Lierse maakte Raoul Lambert ooit vier doelpunten, sinds die dag was Lotte mijn grote idool. Een mythische en tegelijk ook tragische figuur. Een atoomschot in de voeten, maar veel te korte spieren en daardoor heel kwetsbaar. In mijn jeugdjaren kwam telkens hetzelfde zinnetje terug: 'Zal Lambert dit weekend kunnen spelen?' 'Na de Jubilotte, de laatste match op de Klokke, mochten alle kinderen samen met Raoul een ereronde lopen. Ik dus ook. De dag erna gingen we met het college naar de zoo van Antwerpen, op de trein zag mijn leraar Het Laatste Nieuws en riep: 'Kijk, Benoîtje staat in de gazet!' Een mooi beeld. Raoul met bloemen in de hand, terwijl ik vol bewondering naar mijn grote idool keek. Mijn moeder heeft toen een formulier ingevuld, twintig frank in een enveloppe gestopt en een paar weken erna kregen we een mooie afdruk. Hij staat nog altijd thuis in een kadertje. 'In de loop der jaren heb ik het geluk gehad om Raoul op een meer persoonlijke manier te ontmoeten. Een eerste keer in 1990, toen ik de centrale gast was van het cultureel BRT-programma Verwant en twee mensen mocht uitnodigen met wie ik mij verbonden voelde. Dan Van Severen, mijn leraar schilderen, was de logische link naar de kunstwereld. Als tweede verwantschap koos ik voor Lambert, een man die in mijn leven ook ongelofelijk belangrijk is geweest. Raoul wilde meewerken, op voorwaarde dat ze hem niet zouden interviewen als ex-voetballer. We zijn op een avond met een cameraploeg naar Olympia gereden, terwijl hij training aan jeugdspelertjes gaf. Daar en op dat moment, meer dan vijftien jaar na de Jubilotte, heeft hij mijn fotootje uit de krant gesigneerd. 'We hebben elkaar nog ontmoet. Op de tribunes van het Jan Breydelstadion, toen ik met kaarten van een vriend net voor hem in de eretribune zat, of tijdens de vernissage van een tentoonstelling rond mijn werk in het Groeningemuseum. Net op het moment dat ik een woordje wilde zeggen, kwam Lotte binnen en zei ik: 'Ik ben 49 jaar, maar sinds een paar seconden voel ik me weer dat jongetje van acht omdat mijn grote idool hier ook is.' 'Zijn doelpunt op het veld van AS Roma vind ik nog altijd het mooiste. Woensdagnamiddag 10 december 1975, de dag erna had ik examen wiskunde. Live-uitzendingen op televisie waren toen nog zeldzaam, zodat ik op mijn kamertje naar het radioverslag van Jan Wauters luisterde. Ik heb het doelpunt maar één keer gezien, maar door Wauters' beschrijving en de kracht van de verbeelding kan ik het zo voor de geest halen. Lambert stond aan de grote rechthoek, tegen de achterlijn, maar in plaats van naar een inlopende ploegmaat te centeren, trapte hij de bal over de doelman en onder de lat.' 'Ik had het geluk dat ik de periode met Ernst Happel kon meemaken. Zonder twijfel de beste trainer ooit, die populaire spelers als Thio, Carteus en Erwin Vandendaele aan de kant zette en een ploeg bouwde die zelfs in Europa een naam was. Club Brugge op Wembley, en ik was daar bij... Legendarische Europese matchen voor 32.000 toeschouwers, toen we al rond vijf uur aan het stadion waren en naar binnen moesten sprinten om een goede plaats te hebben. 'Lambert, Happel en Jan Ceulemans, dat blijft voor mij de Heilige Drievuldigheid. En Franky Van der Elst, een chique gast en een symbool van loyaliteit. De periode van de Klokke tot aan het vertrek van Henk Houwaart is een open boek, maar vraag me niet wat er vijf jaar geleden is gebeurd. Nederlagen zinderen ook minder lang na. Veel supporters van mijn generatie kijken nu anders naar Club. 'Ik moet nog altijd het resultaat weten, maar de verbondenheid is iets minder. Vorig jaar zat ik tijdens de bekerfinale in Portugal, voor een belangrijk werk op tegels. Ik heb gekeken op de laptop, via livestream. Toen het in de slotminuten nog 1-1 werd, dacht ik: het is weer hetzelfde liedje. En dan viel dat doelpunt... Ik voelde me weer net zo enthousiast als in mijn jeugd, ook omdat het tegen Anderlecht was. En: in Portugal, waar ze elke maandag beelden van de Belgische competitie tonen, zijn ze nog altijd zot van Michel Preud'homme. De dag na de finale toonde ik aan de medewerkers van het bedrijf een Belgische krant, met een juichende Preud'homme op de frontpagina, en zei ik trots: 'Dat is de trainer van mijn club.'' DOOR CHRIS TETAERT - FOTO'S BELGAIMAGE/DIRK WAEM'Ik had me graag bij een club aangesloten, maar mijn vader was onverbiddelijk. Niet deftig genoeg.' - BENOÎT VAN INNIS