Het was eind juli 1998 en bloedheet in Los Angeles. Alex Gibney was voor ESPN bezig aan een reeks over de grootste sportfiguren van de 20e eeuw, toen zijn gast het interview even wilde onderbreken. De zeventiger geraakte nog amper uit zijn woorden en voelde zich duizelig. Hij waggelde over het tapijt, viel neer en begon hevig te braken. Gibney wist meteen wat er aan de hand was. Zijn gesprekspartner had, net zoals zijn vader enkele jaren ervoor, een hersenberoerte gekregen.
...

Het was eind juli 1998 en bloedheet in Los Angeles. Alex Gibney was voor ESPN bezig aan een reeks over de grootste sportfiguren van de 20e eeuw, toen zijn gast het interview even wilde onderbreken. De zeventiger geraakte nog amper uit zijn woorden en voelde zich duizelig. Hij waggelde over het tapijt, viel neer en begon hevig te braken. Gibney wist meteen wat er aan de hand was. Zijn gesprekspartner had, net zoals zijn vader enkele jaren ervoor, een hersenberoerte gekregen. Hij belde de hulpdiensten en week geen moment van de zijde van zijn gast, die in het ziekenhuis door een team van neurologen werd opgewacht. 'Een van de dokters vroeg of hij zijn naam nog wist. ' Rod Laver', zei hij, waarna de dokter vroeg wat hij beroepshalve deed. 'Ik ben een tennisser.' De neuroloog keek stomverbaasd, Rod tikte op zijn doktersschort. 'En nog een redelijk goede tennisser ook.' Elf grandslamtitels en als enige speler in de geschiedenis alle majors in hetzelfde jaar gewonnen en jezelf dan een rédelijk goede speler noemen. Dat was Rod ten voeten uit.' Een bescheiden en innemend man, die volgens analisten meer grandslamtoernooien had moeten winnen. Want toen hij na zijn eerste volledige grand slam prof werd, mocht hij tussen 1963 en 1967 aan geen enkel grandslamtoernooi meer deelnemen. In die vijf jaar, zijn tennishistorici overtuigd, had hij minstens de helft van de 21 gemiste grand slams gewonnen en stond hij daardoor nog altijd boven Roger Federer, die vorig jaar in Australië zijn 20e titel won. 'Dat zou best wel eens kunnen', beaamde de Zwitser, die in januari 2006 in Melbourne de trofee uit handen van Laver mocht ontvangen. 'Ik herinner me nog dat ik in tranen uitbarstte. Rod is een legende.'Rodney George Laver groeide op in Queensland, in het broeierige noordoosten van Australië, waar het leven hard was. Vader Roy klopte lange dagen als cattleman - veehoeder - op een boerderij, maar was sinds zijn kindertijd bezeten van tennis en vastberaden om de liefde voor de sport aan zijn drie zoons - Trevor, Bob en Rod - door te geven. Plaats genoeg op een domein van 10.000 hectare, waar de drie jongens zélf hun eerste terreintje aanlegden. 'We duwden reuzengrote mierenheuvels omver, maalden de versteende modder fijn en door het te mengen met leem hadden we iets dat op een gravelcourt leek', vertelde Laver jaren erna. Ze knutselden een net in elkaar en krasten lijnen in de kurkdroge grond, die ze elke avond móésten besproeien. Anders werd hun kostbare veldje door de wind weggeblazen... De Lavers woonden afgelegen en scholen waren er niet, de brieven met taken werden keer op keer met veel vertraging teruggestuurd. 'Geen interesse. Toen ik veel later mijn vrouw leerde kennen, kon ik met Mary en haar vrienden nauwelijks over iets meepraten. Ze was belezen en hield van kunst en moedigde mij, een eenvoudige boerenzoon uit de bush, voortdurend aan om mijn intellectuele horizonten te verleggen. Daar is ze in geslaagd. Af en toe had ik zelfs het gevoel dat ik iets verstandigs te melden had', blikte de jongste Laver, die zichzelf omschreef als 'een tiener met ros haar, flaporen en 49.000 sproeten', met veel humor terug. Op zijn tiende verhuisde de familie naar Rockhampton, waar vader een beter betaalde job als slager had versierd. Het afscheid van hun veldje viel de broers aanvankelijk zwaar, tot ze voor de eerste keer in de tennisclub van Rockhampton op de baan stonden. 'Daar realiseerde ik mij voor het eerst dat ik meer talent had dan mijn broers. Niemand hield ervan om tegen die kleine linkshandige te tennissen.' Rod was bezeten en speelde in regen en wind. Zelfs onder de loden zon van Queensland, geholpen door een handvol bladeren kool die hij in zijn petje propte om het hoofd koel en droog te houden. In de tuin hadden de Lavers nog maar eens een veldje aangelegd. Dit keer op slib en mét verlichting, zodat ze ook 's avonds konden spelen. Op zijn elfde begon Rod de juniorestoernooien van Queensland, de grootste staat van Australië, af te haspelen. Opstaan om twee uur 's nachts terwijl moeder ( Melba) sandwiches en kannen thee klaarzette, een rit van 600 kilometer naar Brisbane, een tenniswedstrijdje en op het einde van de dag nog de hele weg terug. Om de dag erna, bij winst, hetzelfde traject nog eens af te leggen. Charlie Hollis, een vriend van zijn vader en schietinstructeur tijdens de Tweede Werelddoorlog, was een gevierd tennisleraar en mocht zijn modus operandi van tijdens zijn legerjaren botvieren op de jonge tennisbelofte. Hij blafte naar kinderen die zich niet inzetten en predikte agressief tennis. Voor Hollis was er geen middenweg. Je was een sul óf een kampioen. Zoals Rod er een zou worden, voorspelde hij op een avond, nadat de kleinste Laver - tien jaar jong - blootsvoets en in pyjama zijn eerste balletjes met mister Hollis had geklopt. 'Hij is bijna nog een dwerg, maar heeft alles om op een dag Wimbledon te winnen. Die jongen wil ik zelfs gratis coachen.' De trainingen kostten hem bloed, zweet en tranen, maar Laver ontwikkelde zich tot de perfecte allrounder die op een ijzersterke conditie kon terugvallen. 'Ik was nog altijd klein, maar ik liep úren door de tropische hitte van Queensland, werkte oneindige reeksen push-ups af en versterkte mijn pols en voorarm door de hele dag in squashballen te knijpen.' Want, had Charlie hem voorgehouden: hij moest sterk genoeg zijn om topspin - een revolutie in die tijd - aan de ballen mee te geven. Hij was nog te lief voor zijn tegenstanders en gooide soms te snel de handdoek, vond Charlie. 'Nooit opgeven!' En: 'Vernietig je opponent met 6/0 6/0!' Lessen voor het leven, zou Laver achteraf beseffen. Toen hij in 1960 op de Australian Open zijn eerste grand slam won, was hij tegen Neale Fraser - nummer één van de wereld - van uit een onmogelijke positie teruggekrabbeld: eerste twee sets verloren en in de vierde set, bij 5/4, een matchbal tegen. 'Ik dacht voortdurend aan Charlie: ik wil en zál niet verliezen.' Hij won met 8/6 en 8/6. Tegenstanders keken met verstomming naar de kunstjes van de 163 centimeter kleine Queenslander - hij zou nooit groter dan 1m73 worden -, die dweepte met de vijf jaar oudere Lew Hoad. Toen hij voor het eerst in Sidney speelde en aanbelde bij zijn grote held, droop hij ontgoocheld af. Lew, die vier grand slams won, was op dat moment in Wimbledon aan het spelen... Maar Laver was bezig zijn geschiedenis aan het schrijven, zag ook Harry Hopman, die in de jaren vijftig en zestig beschouwd werd als de beste coach ter wereld en zijn land zestien (16!) keer naar de Daviscup leidde. Hopman was onder de indruk van Lavers slagenarsenaal, maar vond hem te mager en vooral te traag. 'Daarom noemde ik hem The Rocket. Ironisch bedoeld, want hij was ongetwijfeld de traagste van zijn lichting.' Roy Emerson, die een van zijn grootste rivalen zou worden, behoorde ook tot de 24 uitverkorenen voor de Hopmanclinic. Emerson was een fysiek beest die, op weg naar zijn 12 grandslamtitels, de lat ook voor Laver hoger legde. 'Toen we elkaar voor het eerste ontmoetten, was Rod veertien. Hij droeg een belachelijke cowboyhoed en kwam niet tot aan mijn schouders. Maar toen hij ballen begon te slaan, zag je dat hij alleen iets sterker moest worden.' Meer trainen, besefte Laver, die op zijn veertiende een job zocht die hij met tennis kon combineren. Hij werd afgewezen door Slazenger, maar grote rivaal Dunlop zag wel iets in die kleine rosse Australiër die een manusje-van-alles - klerk, boodschappenjongen, magazijnier - werd. Hij trok als ambassadeur van het Britse bedrijf door Queensland om in exhibitiewedstrijden rackets en ballen te promoten, enkele maanden erna werd hij de vaste besnaarder van Dunlop in Brisbane. 'Daar werden mijn vingers en pols sterker van.' In mei 1956 ging de wereld open voor de 17-jarige bush boy, die met de financiële steun van een Tasmaanse miljonair met Hopman voor vijf maanden door Europa en de Verenigde Staten kon reizen. Op Roland Garros, Wimbledon en Forest Hills (US Open) ging hij er telkens in de eerste ronde uit ('Ik was nog te groen'), maar in de jeugdtoernooien scoorde hij wel: finale op Wimbledon en winst in het open Amerikaans kampioenschap. Enkele maanden erna volleyde en smashte de kleine Australiër zich op het gras van Kooyong Lawn Tennis Club (Melbourne) naar de juniorestitel op de Australian Open. Na zijn verplichte legerdienst leek hij klaar om de wereld de bestormen, maar het waren woelige tijden voor de tennissport. 'Op sommige toernooien waren geen kleedkamers of toiletten, af en toe werden toeschouwers uit de tribune geplukt omdat er geen scheidsrechters waren, aan de rand van het veld stonden geen stoelen. En: spelers wilden meer verdienen. Of toch tenminste iets aan hun sport overhouden.' Onder anderen Ken Rosewall (8 grand slams), Frank Sedgman (5) en zijn goede vriend Lew Hoad (4) knapten af op de amateuristische omstandigheden en werden prof, waardoor ze niet meer mochten deelnemen aan de Daviscup en grandslamtoernooien. In een uitgedund deelnemersveld pakte Laver in januari 1960 tegen Neale Fraser zijn eerste grandslamtitel (Australian Open). De Amerikaanse tennispromotor Jack Kramer, ex-nummer één van de wereld, probeerde Laver na zijn eerste Wimbledontitel (1961) te verleiden met een profcontract van 33.600 dollar (29.497 euro), maar de Australiër hield nog even de boot af. Want met twee grandslamtitels en vier finales op acht toernooien tussen 1960 en 1961 droomde hij van het allerhoogste: net als DonBudge, in 1938, de grand slam - de vier majors in hetzelfde jaar winnen - pakken. Met een uitgesproken matchdieet - eieren met... biefstuk - won hij in januari 1962 de finale van de Australian Open van Roy Emerson, in Parijs wroette hij zich in vijf sets opnieuw voorbij de boerenzoon uit Queensland en in Londen veegde hij zijn landgenoot Martin Mulligan van het veld. Enkele weken na zijn 24e verjaardag realiseerde hij op Forest Hills, opnieuw tegen Emerson, zijn grote droom. 'Ik had nooit het gevoel dat ik de beste speler van de wereld was, daarvoor moest ik bij de profs spelen.' Amateurtennissers flirtten met de armoedegrens, besefte Laver, die voor zijn twee opeenvolgende Wimbledonzeges een waardebon van... 20 euro kreeg. Hij ging opnieuw aan tafel met de International Professional Tennis Players Association en tekende een contract van 110.000 dollar (96.600 euro). Hopman voelde zich bedrogen door zijn leerling, die van de voorzitter van de All England Lawn Tennis & Croquet Club een brief kreeg met de melding dat zijn erelidmaatschap van de club was opgezegd. 'Van de ene op de andere dag was ik een paria. Proftennis was in hun ogen des duivels.' De verstotelingen werden nog tot 1967 geweerd van de traditionele grand slams, maar dat nam Laver er graag bij. 'Prof worden was de enige manier om het bankroet te vermijden. Ik vond het een schande dat we zo veel kritiek kregen, terwijl de heren van de federatie ons voor een Daviscupontmoeting vijf Australische dollar per dag betaalden', klonk het jaren erna bij Laver, die ook de Pro Slam Tournaments voor profs domineerde: 8 zeges en 6 finales op 15 toernooien... De scheiding tussen profs en amateurs was onhoudbaar, beseften de organisatoren van de granslamtoernooien, die steeds meer startgelden en onkostenvergoedingen aan vaak middelmatige spelers betaalden. 'Een hypocriete situatie', vond de Britse tennisfederatie, die in 1968 de poort openzette voor de Open Era: amateurs én profs samen. Het jaar erna won Laver, op zijn 31e en mét een tenniselleboog, zijn tweede grand slam. Dave Anderson, journalist van de The New York Times, was onder de indruk van zijn fysieke verschijning. 'Ik legde een lintmeter rond zijn linkervoorarm: 30 centimeter, dezelfde omtrek als de arm van Rocky Marciano, wereldkampioen bij de zwaargewichten.' Onder de vleugels van Mark McCormack, oprichter van de International Management Group (IMG) en volgens Sports Illustrated 'The Most Powerful Man In Sport', versierde hij lucratieve sponsordeals en rondde in 1971 als eerste speler in de geschiedenis de magische kaap van 1 miljoen dollar (880.000 euro) aan prijzengeld. Toen hij in 1979 als prille veertiger afscheid nam, stond de teller op anderhalf miljoen (1,3 miljoen euro). Hij moest er in 2013, in de tribune van zijn Rod Laver Arena, nog zelf om lachen toen Novak Djokovic om zijn cheque van 1,6 miljoen euro kwam. 'Dat heb ik in 23 jaar niet verdiend.'