Het is een olijk trio dat zich kort na de ook al vrolijk aangeschoten trainer John van den Brom namens bekerwinnaar KRC Genk presenteert op de persconferentie. Théo Bongonda, een dikke sigaar rokend, gaat achter de tafel zitten, kapitein Bryan Heynen zeult de beker mee en Kristian Thorstvedt slurpt met ontbloot bovenlijf en een gelukzalige glimlach van een grote champagnefles die maar niet leeg geraakt.
...

Het is een olijk trio dat zich kort na de ook al vrolijk aangeschoten trainer John van den Brom namens bekerwinnaar KRC Genk presenteert op de persconferentie. Théo Bongonda, een dikke sigaar rokend, gaat achter de tafel zitten, kapitein Bryan Heynen zeult de beker mee en Kristian Thorstvedt slurpt met ontbloot bovenlijf en een gelukzalige glimlach van een grote champagnefles die maar niet leeg geraakt. Misschien is die fles al leeg, maar heeft hij het nog niet door. Wanneer Thorstvedt na een lang gesprek tussen pers en Bongonda in het Frans - een taal die hij als Noor niet beheerst - gevraagd wordt of hij het eens is met wat Théo net vertelde, grijnst hij: 'Helemaal.' Op de vraag wat de bekerwinst voor hem persoonlijk betekende, antwoordt hij ook gevat: 'Dit is de tweede beker die ik win, dus vanaf nu mag je mij een bekerspecialist noemen.' Gelach in de zaal. Het zijn drie spelers die bij dit Genk een sleutelrol vertolkten dit seizoen dat een echte rollercoaster werd, met een valse start, een goed vervolg, een inzinking na Nieuwjaar gevolgd door een eindsprint waarin het steeds sterker wordt. Met een 'normale' play-off 1 was dit Genk zoals het nu speelt niet kansloos in zijn achtervolgingsrace op Club. Veel problemen uit het begin van het seizoen hebben zichzelf opgelost. De conclusie? Weer goed gezien van Dimitri de Condé en zijn scoutingsteam. In een gesprek tijdens de voorbereiding in het Nederlandse oefenkamp kreeg de sportief directeur een vraag over het rendement van drie dure spelers die KRC Genk een jaar eerder haalde. Théo Bongonda, Patrik Hrosovsky en Paul Onuachu waren in de zomer van 2019 met een kostprijs van respectievelijk zeven, vijf en zes miljoen euro de drie duurste inkomende transfers ooit bij Genk. Het moesten drie spelers worden die de ploeg naar een hoger niveau moesten tillen, maar hun rendement stond in dat eerste seizoen niet in verhouding tot hun aankoopprijs. Bongonda was nog maar de schim van de Bongonda van bij Zulte Waregem. Onuachu en Hrosovsky debuteerden pas half september, en kwamen amper in beeld. De Nigeriaan die nu bij de tien beste schutters in Europa hoort, maakte vorig seizoen maar 9 goals in 22 wedstrijden. 'Ik geloof nog in hen, dat ze alle drie dit seizoen wél die meerwaarde zullen tonen die we van hen verwachten', verdedigde De Condé de drie topaankopen. Zijn antwoord klonk op dat moment als een cliché. Maar hij kreeg wél gelijk. Bongonda was de eerste die een goed niveau haalde, al viel dat niet meteen op omdat Genk toen als team zo slecht presteerde. Vervolgens ging Onuachu aan het scoren en uiteindelijk bleek ook Hrosovsky het laatste radertje dat nodig was om de motor van Genk op volle toeren te laten draaien. Lang kregen de verschillende trainers de puzzel op het middenveld niet gelegd. Het Genkse hart pompte niet. Daardoor zwalpten de aanvallende spelers, en kwam de verdediging onder druk. Pas met de terugkeer van Heynen - een topper in wording - begin november sloeg de motor aan. Toen Van den Brom later opnieuw Hrosovsky in de basiself zette (onder Hannes Wolf zat die in de tribune), bleek het juiste evenwicht gevonden. Vanaf toen konden de drie aanvallende spelers zich voorin uitleven. Ze bedankten voor zoveel vertrouwen met prestaties en vooral veel doelpunten. Het maakt dat KRC Genk dit seizoen, zoals Gert Verheyen zaterdag in Het Nieuwsblad nog benadrukte, met de driehoek Bongonda-Onuachu- Ito de beste voorhoede van België heeft. Dat is te danken aan de goeie neus van De Condé, maar het is ook de verdienste van de trainer. Van den Brom deed net op het goeie moment, toen voor de uitwedstrijd in Charleroi met de rug tegen de muur stond, de juiste ingrepen en zette resoluut de ploeg waarvan Jess Thorup de fundamenten had gelegd naar zijn hand. Terug van een drie- naar een viermansdefensie waardoor Daniel Muñoz (dé transfer van dit seizoen) op de rechterflank nog beter uit de verf komt. Centraal zorgt de inbreng van Thorstvedt - zondagavond één van de uitblinkers - voor duelkracht en diepgang. Ook prikkelde Van den Brom smaakmaker Bongonda door hem even op de bank te zetten. Die schrok, en ging plots continu op niveau presteren, terwijl dat voorheen maar met vlagen was. Terwijl de spelers na de bekerwinst nog op het podium dansen, stapt teammanager Pierre Denier in zijn eentje over het veld en nipt van een fles champagne. Dat mag, terugdenkend aan wat hij allemaal heeft meegemaakt sinds de Genkse fusie in 1988. Na de eerste acht woelige jaren won hij zondag met Genk al zijn negende prijs (vijf bekers, vier titels) in 32 jaar. Rekenend vanaf de laatste terugkeer van de Limburgers in de hoogste klasse in 1996 is dat nog straffer. Eén prijs om de 2,7 jaar is geen slecht gemiddelde. De beker is ook een opsteker voor voorzitter Peter Croonen. Die kreeg in het begin van dit seizoen veel kritiek naar aanleiding van de dubbele pet die bij momenten moeilijk te dragen was, als voorzitter van een topclub én van de Pro League. Bij KRC Genk kan hij goeie cijfers voorleggen. In zijn eerste jaar presenteerde KRC Genk weer een positieve balans. De jaren daarvoor moest het, om het jaarlijkse tekort van zeven à acht miljoen euro weg te werken, telkens een speler verkopen. Intussen heeft het na deelname aan de Champions League en de lucratieve verkoop van een aantal spelers naar clubs uit de vijf Europese topcompetities - het businessmodel van de club - al een mooi spaarpotje. Maar niet alleen financieel gaat het KRC Genk onder het beleid van Croonen voor de wind, ook sportief mag hij trots zijn met een tweede prijs in vijf jaar. Eén prijs om de 2,5 jaar is niet slecht om mee te beginnen. Nu KRC Genk weer zeker is van Europees voetbal, kan het ineens een stuk geruster ademen. Met het doel bereikt zal ook de nervositeit die dit seizoen voelbaar in en rond de Luminus Arena hing, verdwijnen. Het jaarlijks deelnemen aan Europees voetbal is nodig als uitstalraam voor de jonge talenten die Genk vanuit de hele wereld lokt en ook in de eigen jeugdacademie opleidt. Het is een extra argument om spelers een jaar langer aan boord te houden. Drie jaar, rekende men uit, is ideaal om nieuwe spelers te laten integreren (in het eerste jaar), openbloeien (tweede jaar) en vervolgens de club mee te zuigen in de drang naar een prijs (derde jaar). Voor dit seizoen heette het dat twee spelers absoluut niet weg mochten: Joakim Maehle en Jhon Lucumí, voor wie de club al een goed bod had geweigerd. Toen de Deen (die al drie en een half jaar in Genk was) in januari toch vertrok (voor 13 miljoen euro) was de vraag of de ploeg zijn vertrek sportief wel kon opvangen. Drie maanden later wordt er over Maehle in Genk al niet meer gesproken. Met dank aan Muñoz, die zijn rol quasi moeiteloos invulde. Straks wordt verwacht dat Lucumí en Onuachu voor veel geld vertrekken. Onuachu moet de duurste uitgaande transfer ooit worden. Vandaag is dat de Noor Sander Berge, die een goed jaar geleden voor 20 miljoen werd verkocht. Op een vertrek van Lucumí anticipeerde De Condé al door het aantrekken van de Amerikaan Mark McKenzie die zich nu al een sterke verdediger toont, én het soort persoonlijkheid dat Genk met zijn kern vol ideale schoonzonen dit seizoen nog miste. Kortom: als De Condé en co ook nog een goeie vervanger voor Onuachu tevoorschijn tovert, is dit Genk volgend seizoen titelkandidaat.