Het is 5 mei en de Turijnse sportkrant Tuttosport heeft voor de lezer een extra katern van elf pagina's. Een dag eerder zette Torino FC, op de dag van de herdenking van de vliegtuigramp van Superga in 1949, een belangrijke stap op weg naar Europees voetbal. Die dag vierde Juventus ook zijn derde opeenvolgende titel, officieel nummer 30 uit de clubgeschiedenis.
...

Het is 5 mei en de Turijnse sportkrant Tuttosport heeft voor de lezer een extra katern van elf pagina's. Een dag eerder zette Torino FC, op de dag van de herdenking van de vliegtuigramp van Superga in 1949, een belangrijke stap op weg naar Europees voetbal. Die dag vierde Juventus ook zijn derde opeenvolgende titel, officieel nummer 30 uit de clubgeschiedenis. 'Torino, capitale del Calcio', titelt de krant. Turijn is ook opnieuw voetbalhoofdstad van Italië. Met de drie opeenvolgende titels van Juve heeft de trotse stad uit Piemonte Milaan opnieuw de titel van Italiës voetbalhoofdstad afhandig gemaakt. In 2013 al verzamelden de twee clubs uit de stad samen 134 punten, tegenover 116 voor de Romeinse clubs en 114 voor de teams uit Milaan. Toen Antonio Conte in juni 2011 trainer werd bij het Juventus waarmee hij als speler al een hele prijzenkast had gevuld, leidde Milaan in de algemene rangschikking van de scudetti nog met 36 titels tegen 34. Het had in 2010 de leiding genomen. Een jaar geleden beende Turijn Milaan bij, om in mei dit jaar met een absoluut puntenrecord (102) opnieuw over Milaan heen te gaan, met 37 titels tegenover 36. Sinds kort is Conte weg bij Juventus. Hij was moe en zag geen uitdaging meer toen hij merkte dat het naleven van de Financial Fair Play minstens even belangrijk werd geacht als de sportieve ambities. Maar de afgelopen drie jaar heeft Juventus zich met hem weer helemaal op de voorgrond gewerkt en de concurrentie uit het wiel gereden. Hoe anders zag het eruit in de lente van 2006. Toen brak Calciopoli uit, het grote voetbalschandaal dat duidelijk maakte dat in het voorafgaande decennium op zijn minst sprake was van normvervaging aan de top van het Italiaanse voetbal en met name bij de sportieve leiding van Juventus onder aanvoering van Luciano Moggi,een man wiens levensverhaal leest als een onwaarschijnlijke schelmenroman. Juventus, net kampioen geworden onder leiding van trainer Fabio Capello, zag zijn titel geannuleerd en werd teruggezet naar tweede klasse. Tot 2006 was de Oude Dame samen met Internazionale de enige Italiaanse club geweest die onafgebroken in de hoogste afdeling uitkwam. Sindsdien is Inter de enige overgebleven eeuwige eersteklasser. Al na één jaar keerde Juventus terug in eerste klasse, maar gezond was het niet. Toen Andrea Agnelli op 19 mei 2010 voorzitter werd en de oude familietraditie in ere herstelde, was Juventus net zevende geworden. Een jaar later eindigde het opnieuw als zevende en leed het maar liefst 95 miljoen euro verlies, in een poging om met weinig rendabele maar dure investeringen de vroegere toppositie terug te winnen. In augustus 2011 zette Juventus een belangrijke stap door het nieuwe stadion in gebruik te nemen, op de site van het voormalige Delle Alpi. Het Juventus Stadium is een modern voetbalstadion met 41.000 zitplaatsen, zonder atletiekpiste, én het eerste privéstadion in Italië dat helemaal in handen is van één club, die daardoor de hele exploitatie naar zich toe kan trekken. Het eerste seizoen, tevens het eerste jaar onder Conte, verdrievoudigden de inkomsten tegenover het jaar voordien, toen Juventus nog in het Olympisch Stadion speelde vanwege de verbouwingen, en steeg het aantal toeschouwers met 60 procent. In 2011/12 drong Juventus weer nipt de top tien binnen van de Europese clubs met de meeste inkomsten, volgens een rapport van Deloitte and Touche, al moest het met 195 miljoen euro in eigen land nog Milan (256 miljoen) laten voorgaan en bleef het lichtjaren verwijderd van de club met de meeste inkomsten, Real Madrid (512 miljoen). Vorig seizoen waren de inkomsten al naar 274 miljoen euro gestegen, bijna zo veel als Milan (275 miljoen). Dat Turijn een saaie en grijze industriestad is, is een groot misverstand. Het is een charmante, zelfs elegante stad, Het uitzicht is negentiende-eeuws, stijlvol, met mooie, brede lanen, met in het westen uitzicht op de besneeuwde Alpentoppen. Het werd in 1861 drie jaar lang zelfs de allereerste hoofdstad van het eengemaakte Italië, waarna Firenze in 1864 de titel van hoofdstad overnam tot de verovering van Rome en de verhuizing van de politieke macht naar de eeuwige stad in 1870. De voetbalmacht in Italië is niet verhuisd naar Rome, maar is altijd in het noorden gebleven. Tot 1924 betwistten Genoa en Pro Vercelli elkaar de heerschappij. Daarna gleden beide clubs weg en verschoof de macht definitief naar Turijn en Milaan. Sinds de start van de eengemaakte competitie, de Serie A, in 1929 ontglipte de titel de vier clubs uit Milaan en Turijn nog maar zeventien keer. Turijn kreeg in een eeuw tijd als eerste industriestad in Italië een heel andere populatie. Van 1951 tot 1967 steeg de bevolking van 719.000 naar 1,1 miljoen inwoners. Intussen is dat aantal weer flink teruggevallen. De immigranten kwamen uit het zuiden, voor hen had Turijn dezelfde magnetische aantrekkingskracht als New York voor Europeanen begin twintigste eeuw. In Turijn was in 1899 de eerste Italiaanse auto geproduceerd in de Fabbrica Italiana Automobili Torino, afgekort tot FIAT. In hun vrije tijd werden de immigranten en hun kinderen tifosi van de club die voor WO II al mythische proporties aannam door liefst vijf keer op rij kampioen te worden. Een voordeel was ook dat de naam Juventus niet de naam was van een stad, zoals dat bij pakweg Torino, Fiorentina en AC Milan wel het geval was. Het bezorgde de Oude Dame een enorme populariteit in heel Italië. Een enquête uit 2010 in Italië met de vraag 'Voor welke club klopt uw voetbalhart?' maakte dat ook duidelijk. Juventus eindigde afgetekend als eerste, met 29 % van de stemmen, gevolgd door Inter (17 %), Milan (14 %), Napoli (9 %) en Roma (7 %). Andere clubs haalden maximaal 2 %. Als men de resultaten van de enquête geografisch spreidt, blijkt dat Juventus in 2010 de populairste ploeg was in het noordwesten (voor Inter), het centrum (voor AS Roma) en het zuiden (voor Napoli). Alleen in het noordoosten moest het Inter laten voorgaan. Juventus schreef het allereerste hoofdstuk uit de Turijnse voetbalgeschiedenis, met name vanaf 1899. Op foto's uit de eerste jaren poseren de spelers in roze hemden met een zwarte das en zwarte broeken. Toen die truitjes helemaal op waren, zorgde een lid van de club, de Engelsman John Savage, in 1903 voor nieuwe uitrustingen via een bevriende zakenpartner in zijn thuisland. Die liet een stel uitrustingen van Notts County overkomen, de oudste profclub op het continent. Notts County speelde (en speelt nog steeds) in verticaal gestreepte zwart-witte truitjes. Niet toevallig was het Notts County dat op 8 september 2011 de tegenstrever was om het nieuwe Juventus Stadium officieel te openen. De geschiedenis van Juventus nam een belangrijke wending toen de secretaris van de club op een dag in juli 1923 met een speciaal verzoek naar de residentie van Giovanni Agnelli fietste, een medestichter van FIAT. Een van zijn betere spelers, Antonio Bruna,een arbeider bij FIAT, wilde graag faciliteiten op het werk om extra te kunnen trainen. En terwijl men het dan toch over voetbal had: was de familie Agnelli soms niet geïnteresseerd om het voorzitterschap waar te nemen van de voetbalvereniging die tot dan nog maar één landstitel (in 1905) op het palmares had? Giovanni Agnelli vond dat een uitstekend idee. Tot dan werden industriëlen als parvenu's bekeken in het aristocratische milieu dat de dienst uitmaakte in Turijn, door mensen als de graaf van Cinzano, eigenaar van het gelijknamige aperitiefmerk maar ook voorzitter van Torino. Dus werd op 24 juli 1923 zijn 31-jarige zoon Eduardo voorzitter van Juventus. De Agnelli's zouden Juventus op dezelfde moderne en zakelijke manier runnen als ze het FIAT-bedrijf organiseerden. In 1926 al vierden ze hun eerste titel, de tweede voor Juventus. Van 1931 tot 1935 werd Juventus zelfs vijf keer naeen kampioen. De dominantie van het Juventus van de Agnelli's werd slechts een paar keer onderbroken: onder meer in de jaren zestig door het Inter van Angelo Moratti enin de jaren tachtig door de opkomst van het Milan van Silvio Berlusconi. Het is 4 mei 1949 in de late namiddag wanneer een vliegtuig koers zet naar de luchthaven van Turijn. Aan het stuur zit een ervaren piloot, Gigi Meroni.Hij vliegt het team van Torino terug naar huis, nadat het in Lissabon een afscheidswedstrijd voor de kapitein van Benfica speelde. De voorzitter van Torino had weinig zin in die onvoorziene uitstap. Torino stond op het punt voor de vijfde opeenvolgende keer Italiaans kampioen te worden, maar de spelers waren enthousiast. Zo kort na WO II was een buitenlandse reis nog een zeldzaamheid. De ploeg vertrok vanuit Malpensa en zou ook naar de Milanese luchthaven terugkeren. Waarom Meroni op het laatste moment besliste van koers te veranderen, is nooit helemaal duidelijk geworden. In een hels weer, met dichte mist en zichtbaarheid zogoed als nul (het vliegtuig heeft geen radar aan boord) vliegt het toestel tegen de zijmuur van de basiliek van Superga aan, die in de achttiende eeuw gebouwd was op een heuvel ten zuidoosten van het stadscentrum. Niemand van de 31 inzittenden overleeft de ramp. Zijn nog in leven: de voorzitter die ziek thuis was gebleven, zijn secretaris en een geblesseerde invaller. Met een juniorenteam werkt Torino de resterende wedstrijden af tegen tegenstanders die alle hetzelfde gebaar stellen en zo wint het alsnog de vijfde titel op rij. De ramp van Superga betekent het einde van de dominantie van Il Grande Torino, op dat moment een van de sterkste elftallen ter wereld. Meteen is ook de nationale ploeg gedecimeerd. Bij de laatste interland voor het ongeluk stonden liefst tien spelers van Torino bij de Squadra op het veld. In 1959 degradeert Torino voor het eerst uit de hoogste afdeling. In totaal zakt het zes keer, maar het keert telkens terug. Nog twee keer speelt het een hoofdrol in het Italiaanse voetbalgebeuren. In 1976, dus 27 jaar na de vliegramp, wint het voor het laatst het kampioenschap, na een nek-aan-nekrace met Juventus. Het jaar daarop haalt Juventus het na een nieuwe ultieme sprint tegen Torino met één punt verschil. Er komt nog een kortstondige heropflakkering begin jaren negentig, wanneer Torino in 1992 met Enzo Scifo in de rangen de finale van de UEFA Cup tegen Ajax verliest maar een jaar later de beker wint, de vijfde in de clubgeschiedenis en tevens de laatste prijs in de trofeeënkast. In 1993/94 spelen de granata hun laatste Europese campagne. In de kwartfinales van de Europabeker voor bekerwinnaars is op 15 maart 1994 Arsenal met 1-0 te sterk nadat de heenmatch in Turijn op 0-0 was geëindigd. De sportieve opflakkering kan de malaise niet maskeren. De club is op sterven na dood. In juli 2005 krijgt de dan 48-jarige uitgever Urbano Cairo een telefoontje. Of hij geen zin heeft om zijn favoriete club over te nemen? Torino was dat seizoen gepromoveerd naar de Serie A, maar die promotie vervalt omdat de club failliet gaat. Via een nieuwe wet is een doorstart in tweede klasse mogelijk, maar de bevalling is een ingewikkelde zaak. Pas half augustus is de overname door Cairo een feit. "Er was helemaal niets", zegt hij over die dagen. "Geen secretariaat, geen werknemers, geen spelers, geen trainer en geen uitrustingen." Half augustus wordt de technische staf aangeduid. Vijf dagen later start men met het aankopen van spelers. Dat is nodig, want een week later al, op 27 augustus begint de competitie. Tot eenieders verbijstering promoveert Torino meteen. Niet iedereen in de stad feest, want in diezelfde zomer van 2006 wordt Juventus wegens zijn betrokkenheid in Calciopoli teruggezet naar de Serie B en dreigt Turijn voor het eerst in de Italiaanse voetbalgeschiedenis verstoken te blijven van eersteklassevoetbal. De promotie van Torino verhindert dat. Het is de eerste en enige keer dat Torino een reeks hoger speelt dan de aartsrivaal. Het seizoen daarop is er opnieuw geen derby. Juventus keert na één seizoen terug naar de hoogste afdeling, maar Torino zakt al na één seizoen. Op 20 mei 2012 trekken 50.000 fans van het Stadio Olimpico (het vroegere Stadio Communale, gerenoveerd voor de Winterspelen van 2006 en sinds de verhuizing van Juventus naar het Juventus Stadium in 2011 de thuishaven van Torino) naar de Piazza San Carlo in het hart van de stad om de terugkeer van de club in de Serie A te vieren, na een afwezigheid van drie jaar. Met behulp van een fantastisch keepende Jean-François Gillet dwingt de club in 2011/12 het behoud af. Sinds hij negen jaar geleden de club overnam, investeerde Cairo zo'n 60 miljoen in de club, die een omzet draait van bijna 40 miljoen. Dat is zowat een zevende van hetgeen Juventus en AC Milan qua omzet neerzetten. Het afgelopen seizoen eindigt Torino - zonder de geschorste Gillet maar met Brusselaar Omar El Kaddouri in de basis - als zevende. Het is het beste resultaat in de Serie A sinds 1992, toen de club als derde eindigde. Omdat Parma geen Europese licentie kreeg, speelt Torino bovendien in de Europa League, precies twintig jaar nadat het zijn laatste Europese campagne afwerkte. ?DOOR GEERT FOUTRÉIn een enquête uit 2010 met de vraag 'Voor welke club klopt uw hart?' eindigt Juventus afgetekend als eerste.