Ooit was Aimé Anthuenis een hartstochtelijke belijder van een 4-4-2-systeem. In het midden van de jaren tachtig goot hij een jong Lokeren in dat concept en week nimmer van die marsroute af. Ook niet op Anderlecht, waar de Waaslanders ooit naar een 0-3-voorsprong bij de rust snelden. En ook niet op Club Brugge waar Anthuenis zijn formatie na een wervelende partij met 2-5 zag winnen. Het gewicht lag helemaal vooraan. Zelfs de toenmalige verdedigende middenvelder, Didier M'Buyu, was niet in staat om ook maar één bal te recupereren. Daarentegen leed hij nooit balverlies en gaf hij maar uiterst zelden een slechte voorzet. De constructieve ideeën stonden voorop. Aimé Anthuenis, toen een prille veertiger, heette een verstokt aanhanger te zijn van aanvallend voetbal.
...

Ooit was Aimé Anthuenis een hartstochtelijke belijder van een 4-4-2-systeem. In het midden van de jaren tachtig goot hij een jong Lokeren in dat concept en week nimmer van die marsroute af. Ook niet op Anderlecht, waar de Waaslanders ooit naar een 0-3-voorsprong bij de rust snelden. En ook niet op Club Brugge waar Anthuenis zijn formatie na een wervelende partij met 2-5 zag winnen. Het gewicht lag helemaal vooraan. Zelfs de toenmalige verdedigende middenvelder, Didier M'Buyu, was niet in staat om ook maar één bal te recupereren. Daarentegen leed hij nooit balverlies en gaf hij maar uiterst zelden een slechte voorzet. De constructieve ideeën stonden voorop. Aimé Anthuenis, toen een prille veertiger, heette een verstokt aanhanger te zijn van aanvallend voetbal. Bij RC Genk bouwde Aimé Antheunis meer voorzichtigheid in. Hij hield altijd drie centrale verdedigers achteraan en verhief dat tot een bijna heilig principe. Ook dan als Club Brugge onder Erik Gerets eens in Genk aantrad zonder centrumspits. Vrijwillig aanvaardde hij een minderheid op het middenveld. In de wetenschap dat er achteraan een blok stond dat eerst gepasseerd moest worden. Het bleek een ingebouwde veiligheid waar hij van houdt. Ver weg leken de zo bij Lokeren gekoesterde aanvallende denkbeelden. In zijn derde seizoen bij Anderlecht gebruikte Aimé Anthuenis vorige week dinsdag op Beveren met de jonge verdediger Olivier Deschacht zijn 24ste speler in deze competitie. Niets is er nog overgebleven dan die eenvormigheid van vroeger. In een poging om zijn ploeg aan het voetballen te krijgen en de juiste componenten te vinden gooit hij systemen met grote regelmaat door mekaar. In de kraker tegen Club Brugge van afgelopen vrijdag kwam Anthuenis nog maar eens met een novum : hij zette Joris Van Hout als rechtermiddenvelder neer, een positie die hij hooguit eens in een ver verleden bij Dessel Sport bekleedde. De taak van Van Hout bestond er voornamelijk in om Timmy Simons te beletten op te bouwen. Op de bank van Anderlecht zaten drie aanvallers. En Alin Stoica. Alsof Anderlecht deze wedstrijd niet moest winnen. Rustig en bedaard vertelde Aimé Anthuenis anderhalf uur later dat Anderlecht weer in de kopgroep van het klassement zit. Zonder al te hoge verwachtingen uit te spreken. Voor de wedstrijd tegen Club Brugge zei de trainer dat in geval van winst RC Genk de grote kandidaat was op het kampioenschap. Daar bleef hij ook vrijdagavond bij. Hij wees op het gegeven dat de Limburgers vrijwel alle topploegen in hun eigen vesting mogen bekampen. Over het feit dat Genk straks enkele spelers moet afstaan voor de Afrika Cup repte hij met geen woord. Alle middelen zijn voor Antheunis goed om de druk van Anderlecht weg te houden. Ook dan als er na een onverhoopte inhaalrace weer uitzicht is op het kampioenschap, wijst hij graag naar de spelers die de ploeg heeft verloren.Twee totaal verschillende gezichten toonde Anderlecht in de wedstrijd tegen Club Brugge. In de eerste helft was het verschil tussen beide ploegen ongemeen groot : terwijl Club gestroomlijnd probeerde te combineren, zwalpte Anderlecht als een kip zonder kop over het veld. Pas toen Alin Stoica na ruim dertig minuten op het veld verscheen voor de geblesseerde Aleksander Ilic, werd het evenwicht in het middenveld hersteld. Het was een vervanging die de wedstrijd uiteindelijk ook zou doen kantelen. In de tweede helft bleek waar het verschil tussen Anderlecht en Club Brugge blijft liggen : de Brusselaars tellen meer individueel talent. Walter Baseggio, in de eerste helft opmerkelijk snel overkokend, verstuurde enkele knappe voorzetten en vooral de manier waarop Alin Stoica voetballend en knokkend voorop ging in de strijd was opmerkelijk. De Roemeen blijft een zigeuner, een voetballer waarop niemand vat krijgt, een speler die in een elftal graag een uitzonderingspostitie claimt, maar te weinig rendeert opdat anderen zich voor hem uit de naad zouden lopen. Onder het oog van enkele scouts en met de interesse van Monaco in het achterhoofd blijkt Stoica wel in staat om een knop om te draaien : hij voetbalde en werkte, hij tackelde en wroette. En besliste uiteindelijk ook de wedstrijd toen hij in één enkele fase klasse en karakter vermengde : op een energieke manier onderschepte Stoica een bal van Peter Van der Heyden en pakte uit met een afgemeten voorzet die Aruna Dindana maar hoefde binnen te tikken. Deze Stoica kan een meerwaarde zijn voor Anderlecht. Maar het probleem is en blijft dat hij de mentale kracht mist om telkens het uiterste van zichzelf te verlangen. De club hoopt hem dan ook zo snel mogelijk te zien vertrekken naar Monaco. Niemand in de groep die daarom zal treuren : het egocentrisme van het godenkind was al langer een bron van ergernis. Een transfer van Stoica kan de sfeer alleen maar ten goede komen in een ploeg die toch al geen grote groepscultuur heeft en waarin aanvoerder Glenn De Boeck al herhaaldelijk moest ervaren dat initaitieven om buiten het veld de band te verstevigen, gedoemd zijn een stille dood te sterven. Met een mentale opsteker is Anderlecht na een memorabel en door felle contrasten getekend jaar de winterstop ingedoken. Het hoopt zich in de terugronde onder meer verder te kunnen optrekken aan de groeiende vorm van Walter Baseggio, die op Beveren nog een karikatuur was van zichzelf, maar tegen Club Brugge samen met Alin Stoica in de tweede helft eindelijk de juiste machtsverhoudingen op het middenveld terugbracht. Waardoor ook Yves Vanderhaeghe in zijn rol als breker weer voortreffelijk functioneerde. Al te gemakkelijk werd een deel van de ellende de voorbije maanden op de schouders van de West-Vlaming afgewenteld. Daarmee werd Vanderhaeghe onrecht aangedaan. De altijd voor twee lopende en werkende middenvelder raakte alleen overbelast omdat hij plots ook het spel van de ploeg gestalte moest geven. Hoewel Vanderhaeghe voetbalintelligentie koppelt aan het vermogen om een bal in één tijd door te spelen, ligt deze rol hem niet. Hij begon steeds slechter te spelen, raakte bedolven onder de kritiek van de supporters en verloor zijn plaats in de nationale ploeg. Het zadelde hem op met een steeds groter gevoel van frustratie. Als het rollenpatroon is herschikt kan Vanderhaeghe zich op de essentie van zijn taak concentreren. Ook dan als de kampioen vooraan over wat meer stootkracht beschikt. Tegen Club Brugge viel niet te overzien dat ook Gilles De Bilde op de terugweg is. Op het zware veld demonstreerde hij mentaliteit, pakte één keer uit met een schitterende beweging, maar kan toch niet verbloemen dat zijn snelheid is afgebot. Net zoals hij vaak ook gedrevenheid op training mist. Dat laatste is ook een probleem bij Nenad Jestrovic in wie velen straks de absolute Verlosser zien. In de met 8-0 gewonnen invallerswedstrijd tegen Beveren scoorde hij vorige week vier keer en bleek hij dodelijk efficiënt in de zestien meter. Maar het harde labeur is niet aan Jestrovic besteed. Niet in een wedstrijd en niet op training. Dat hoeft in zeventig procent van de competitiematchen niet echt een probleem te zijn, maar dreigt zich wel op een hoger niveau tegen de ploeg te keren. En dat zondigt hoe dan ook tegen de terminologie die Aimé Antheunis over aanvallend voetbal zo graag in de mond neemt : technisch voetbal gekoppeld aan kracht, loopvermogen, snelheid en overbrugging. Of : indiviualiteiten die hun talent in dienst stellen van het collectief. Juist dat is ook het credo dat Trond Sollied zo graag in de mond neemt. Hij bouwt zijn ploeg binnen een systeem en niet rond een speler. Om die reden schoof hij ook Gert Verheyen naar de rechterkant, ofschoon de aanvoerder een centrale rol prefereert, bij voorkeur naast een balvaste aanvaller. Het opmerkelijke aan de topper was dat Verheyen van de flanken werd weggetrokken. Hij stond centraal achter de spitsen. En al even frappant was dat Verheyen na een halfuur, toen Nzelo Lembi geblesseerd uitviel, toch weer naar de flank verhuisde. Om na de rust weer zijn centrale positie in te nemen. Achteraf vond Verheyen dat die positie het enige was waarover hij zich kon verheugen. Maar of Sollied daar straks meer doorgaat ? Verheyen rendeert als centrale middenvelder het best met twee defensieve middenvelders in de rug. Of, in vaktaal : in een driehoek met de punt naar voren. Dan kan hij ook optimaal de ruimte gebruiken. Alleen : over die twee buffers beschikt Club Brugge niet. Het is één van de onvolmaaktheden in het spel van de herfstkampioen. Op Anderlecht bleken er nog andere te zijn. Bijvoorbeeld dat Club de eerste helft op een 0-0 afsloot na vijfenveertig minuten lang te hebben gedomineerd. Het illustreert het gebrek aan een tweede doortastende spits. Andrés Mendoza mag dan soms enkele fraaie bewegiginen uit te schoenen toveren, een koele opportunist is hij niet. Ook de positie van rechtsachter wordt voor Club Brugge steeds meer een nijpend probleem. Olivier De Cock, die onder Sollied in competitieverband nog nooit scoorde, is een verdienstelijke voetballer, maar weegt net iets te licht voor het topniveau. Hij kon in de tweede helft nauwelijks profiteren van de gewijzigde veldbezetting van Anderlecht en deed veel te weinig met de ruimte die hij kreeg. Niet helemaal ten onrechte hamerde Trond Sollied destijds bij zijn aanstelling vooral op de komst van twee flankverdedigers. Met Peter Van der Heyden kreeg hij er één. Die voetbalt veelal op intuïtie, heeft veel potentie, maar ook momenten dat hij bevangen wordt door een faalangst die voor de buitenwerld als nonchalance oogt. Hij illustreerde dat treffend op Anderlecht. Door na een vrijwel perfecte eerste helft na de rust twee keer dom balverlies te lijden in twee minuten. De tweede keer liep het fataal af. Het is voor Club Brugge bitter dat het de in de competitie opgebouwde voorsprong nu vrijwel volledig inleverde. En in de slotfase van de wedstrijd nog een strafschop onbenut liet. Hoe vreemd het ook klinkt : veel zuivere traptechniek steekt er niet in de ploeg. De doelpunten die dit seizoen met schoten buiten de zestien meter zijn gemaakt zijn al even zeldzaam als de treffers uit vrijschoppen.Dat Club desondanks zolang als een orkaan door de competitie donderde, heeft veel meer dan iets contradictorisch.door Jacques Sys