Als Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport was Johan Sauwens de eerste die "Sport" expliciet in zijn titel droeg. Tot anderhalf jaar geleden zat de sport nog verscholen achter "Cultuur". Daarvoor was de staatshervorming van 1970 verantwoordelijk. Die hevelde een aantal federale bevoegdheden over naar de gemeenschappen, met name "de culturele aangelegenheden, het onderwijs, de persoonsgebonden aangelegenheden en het gebruik der talen". Sinds een bijzondere wet uit 1980 weten we dat "de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven een culturele aangelegenheid is". Vandaar dat de minister van Cultuur ook steeds sport in zijn portefeuille kreeg. Het dopingbeleid zat dan weer bij Volksgezondheid. Sport als arbeid, ten slotte, valt onder de federale bevoegdheid van de minister van Werkgelegenheid.
...

Als Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport was Johan Sauwens de eerste die "Sport" expliciet in zijn titel droeg. Tot anderhalf jaar geleden zat de sport nog verscholen achter "Cultuur". Daarvoor was de staatshervorming van 1970 verantwoordelijk. Die hevelde een aantal federale bevoegdheden over naar de gemeenschappen, met name "de culturele aangelegenheden, het onderwijs, de persoonsgebonden aangelegenheden en het gebruik der talen". Sinds een bijzondere wet uit 1980 weten we dat "de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven een culturele aangelegenheid is". Vandaar dat de minister van Cultuur ook steeds sport in zijn portefeuille kreeg. Het dopingbeleid zat dan weer bij Volksgezondheid. Sport als arbeid, ten slotte, valt onder de federale bevoegdheid van de minister van Werkgelegenheid. Sauwens was de eerste, die sport als vrijetijdsbesteding (Cultuur) en sport als gezondheidsbeleving (Volksgezondheid) in één ministerie onderbracht : dat van de Sport, met een grote "S". Die nieuwe titulatuur is een perfecte weerspiegeling van de steeds belangrijkere plaats die sport in de samenleving is gaan innemen. Voorbij is de tijd dat de sportwereld zich boven die samenleving en haar wetten verheven kon wanen. Advocaat Johnny Maeschalck inspireerde het tot zijn inmiddels klassiek geworden boutade : "Het recht stopt niet aan de stadionpoort". Maeschalck is professor Sportrecht en -ethiek aan de VUB in Brussel. Tijdens de korte ambtstermijn van Sauwens was hij diens raadgever, tot de minister ontslag nam vorige maand en Sport bij Bert Anciaux terecht kwam. "Op de sport zijn geen andere dan de klassieke rechtsregels van toepassing", zegt Maeschalck. "Sportrecht als dusdanig bestaat dus niet." En toch. Meer en meer houdt de overheid - ook de Europese - zich bezig met de regelgeving in sportaangelegenheden. Geen duidelijker bewijs daarvan dan de Sportcodex, de verzameling van alle wetteksten in de Vlaamse Gemeenschap die betrekking hebben op de sport. Dit najaar verschijnt de vierde editie. Die zal 800 bladzijden tellen, 300 meer dan het vorige werkstuk uit 1998. Twee van die Vlaamse teksten zijn specifieke sportdecreten die de individuele voetballer en elke andere sportbeoefenaar rechtstreeks aanbelangen : dat op de medisch verantwoorde sportbeoefening en dat op de niet-professionele sportbeoefenaar. Een derde (dat op de private arbeidsbemiddeling) is geen sportdecreet, maar de sporter heeft er wel mee te maken. Aan Franstalige zijde was er tot voor enkele maanden geleden vrijwel niets decretaal geregeld (zie kader).Doping (1991)Tot het Vlaams decreet inzake de medisch verantwoorde sportbeoefening (27 maart 1991) had de sport alleen te maken met federale wetten, zelfs al was er in 1970 een staatshervorming geweest. Op 27 maart 1991 nam de Vlaamse decreetmaker het eerste initiatief. "Omdat hij vaststelde dat de wet van 1965, waardoor doping in het strafrecht zat, nooit was toegepast", vertelt Johnny Maeschalck. "Ten eerste, omdat men nooit kon bewijzen dat de intentie van het misdrijf aanwezig was. En ten tweede, omdat doping toen - net als vandaag - geen prioriteit was van de parketten. De Vlaamse decreetmaker heeft dopinggebruik dan uit het strafrecht gehaald, of met andere woorden : het gedepenaliseerd. Van dan af was in Vlaanderen de wet van 1965 opgeheven. Wij spreken nogal makkelijk van het dopingdecreet, maar het is veel meer dan dat. Medisch verantwoord sporten houdt ook in, bijvoorbeeld, dat voor bepaalde sporten leeftijdsgrenzen gelden." Is de sporter niet langer correctioneel strafbaar, de begeleider is dat nog altijd wel. Een in Vlaanderen op dopinggebruik betrapt renner, bijvoorbeeld, zal daarvoor een schorsing krijgen, maar zijn ploegleider riskeert een celstraf. Schorsingen kunnen uitgesproken worden door de sportfederatie of door de Vlaamse overheid. In het laatste geval neemt de federatie - ook een unitaire als de voetbal- of de wielerbond - de sanctie doorgaans over. Bijgevolg kan een speler van Club Brugge die positief bevonden is bij een controle door de Vlaamse Gemeenschap, ook in de uitwedstrijd bij Standard niet aantreden. Vandaag, tien jaar later, heeft de Franse Gemeenschap ook een dopingdecreet. Een ander decreet dan het Vlaamse, merkt Maeschalck op. "Het lieert doping aan het decreet van 26 april 1999 over de organisatie van de sport. Dat decreet is eigenlijk een mammoetdecreet : het gaat over de bestrijding van het dopinggebruik, de veiligheid, de rechten en plichten van de sportbeoefenaar én de overgang. Dat laatste, bijvoorbeeld, heeft in Vlaanderen een eigen decreet uit 1996. In haar dopingdecreet gaat de Franse Gemeenschap nog verder. Ze verplicht een federatie, wil ze erkend en gesubsidieerd worden, om bepalingen over doping in haar statuten op te nemen. Dus als een federatie geen controles uitvoert en geen gedegen vervolgingsbeleid voert, wordt ze niet meer erkend en gesubsidieerd. Een goede zaak, vind ik, alleen blijven de unitaire federaties, zoals de voetbalbond, buiten schot." Ander verschil is dat in Vlaanderen, sinds daar een echte minister van Sport is, doping voor een groot deel is weggehaald uit Volksgezondheid. In de Franse Gemeenschap is dat anders, waardoor hun minister van Sport, Rudy Demotte, niets te zeggen heeft als het over doping gaat. "Voor een overheid die aan dopingbeleid wil doen, maakt dat het er niet makkelijker op", meent Maeschalck. Transfers (1996)In 1996 kwam er een decreet dat de niet-professionele sporter in Vlaanderen het recht gaf om elk jaar zijn vrijheid aan te vragen. Dat moet hij doen tussen 1 en 30 april, waarna hij zich voor 25 juli bij zijn nieuwe club moet aansluiten. Onder een niet-professionele sporter werd op dat moment verstaan, al wie minder dan 551.951 frank bruto per jaar verdiende met zijn sport. Op wie meer verdiende bleef de wet van 1978 van toepassing. Maeschalck : "Dat decreet veroorzaakte veel opschudding, terwijl het gewoon in het verlengde lag van een decreet uit 1975. Dat was altijd dode letter gebleven, omdat er geen sancties in stonden en het dus niet afdwingbaar was. Op een bepaald moment echter is men in Wallonië systematisch naar de rechtbank beginnen stappen. Een rechter in Luik was de eerste om te zeggen dat het niet kan dat een vader zijn voetballende zoon moet vrijkopen. Tientallen gelijkaardige zaken over jeugdvoetballers volgden, en de media sprongen erop. Het was 1990, niet toevallig ook het jaar dat de zaak-Bosman begonnen is. "De eerste uitspraak in Vlaanderen kwam er in 1993, door de vrederechter van Lennik. Op zeker ogenblik was de Vlaamse minister - eerst Hugo Weckx, daarna Luc Martens - in stilte zijn decreet aan het schrijven, toen hij vaststelde dat in Vlaanderen ouders hun kinderen nog steeds vrijkochten. Ondanks dat decreet van '75 dus. Toen Martens voor advies naar de Raad van State trok, heeft die het decreet nóg meer armslag gegeven. Dat gebeurde, weer niet toevallig, precies vier dagen nadat op 15 december 1995 het arrest-Bosman was geveld. Blijkbaar meende de Raad in dat arrest een voedingsbodem gevonden te hebben voor de redenering dat als een prof vrij weg kan, een amateur dat zeker moet kunnen." Druk van de voetbalwereld leidde op 26 juni 2000 tot een KB, waarmee toenmalig federaal minister van Arbeid Laurette Onkelinckx het loonscharnier van 551.951 frank (ondertussen aangepast tot 574.250 frank) halveerde. Sindsdien valt een sporter onder de wet van '78, van zodra hij 287.125 frank bruto per jaar verdient. Maeschalck : "De sportfederaties wilden meer betààlde sportbeoefenaars. Op die manier onttrokken zij een groot aantal sporters aan de bevoegdheid van de gemeenschappen, zodat het decreet van 24 juli 1996, dat hun jaarlijkse vrijheid garandeert, niet langer op hen van toepassing is. Dat is een uitholling van het decreet, inderdaad, omdat je minder sporters laat genieten van de voordelen van het stauut van de niet-professionele sportbeoefenaar. Maar als een speler daardoor de sociaal-rechtelijke bescherming krijgt die gekoppeld is aan de wet van '78, vind ik dat niet erg. Want dat vergeten veel clubs, hé, dat er voor hen heel wat verantwoordelijkheden bijkomen, zoals sociale zekerheid betalen voor de speler." Alle problemen rond gemeenschapsoverschrijdende transfers van amateurs zijn nog niet opgelost. In Vlaanderen is iedere frank bij een overgang verboden. In de Franse Gemeenschap daarentegen kan er nog een opleidingsvergoeding worden gevraagd, al is die som wel bij decreet geplafonneerd op ongeveer 70.000 frank.Makelaars (1999)Aan het decreet van 13 april 1999 op de private arbeidsbemiddeling voor sporters, wordt nogal makkelijk voorbijgegaan, maar belangrijk is het wel. "Vroeger was private arbeidsbemiddeling verboden en voorbehouden aan de VDAB", legt Maeschalck uit. "Alle makelaars werkten in de illegaliteit. Tot Europa vond dat dergelijk monopolie niet langer kon en de Vlaamse decreetgever zijn regelgeving moest aanpassen. Private arbeidsbemiddeling kan nu wel, op voorwaarde dat je erkend bent door de Vlaamse Gemeenschap. Vlaamse clubs zijn voortaan verplicht om uitsluitend met zulke makelaars te werken. Dat benadeelt hen, klagen, ze, omdat er in de Franse Gemeenschap geen gelijkaardig decreet is en Waalse clubs wél nog met om het even welke makelaar mogen werken. Dat creëert een ongelijkheid, inderdaad, maar dat maakt de zaak van de Vlaamse decreetgever niet. Hij heeft alleen maar alert en vooruitziend gereageerd op een Europese directieve. Ook het buitenland zal moeten volgen." Behalve voor ongelijkheid, zorgt het decreet ook voor enige onduidelijkheid. Maeschalck : "Wie moet de makelaar betalen, de speler of de aanwervende club ? In het voetbal gaat het anders toe dan in de normale arbeidsbemiddeling. Het is de speler die de makelaar vraagt om zijn belangen te verdedigen, en toch mag hem niks worden aangerekend, terwijl hij zélf wel op ieder moment een einde kan stellen aan de overeenkomst met zijn makelaar. Misschien dat daar nog een kleine bijsturing aan het decreet nodig is. Op dat vlak is er ook een heel belangrijke taak weggelegd voor onze ministers tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie. Vandaag heeft àlles een Europese dimensie, ook het voetbal. De Vlaamse decreetgever is vooruitziend geweest, en het behoort nu eenmaal tot zijn bevoegdheden om straks ook controles te gaan uitoefenen. Als een Engelsman naar hier komt, moet hij ook rechts rijden. Zoniet heeft hij pech."door Jan Hauspie