Het was op 1 september 1974 dat we voor de eerste keer als journalist naar Club Brugge trokken. Er werd toen nog gespeeld op de Klokke, op een zondagnamiddag, in een bruisende ambiance, de mensen stonden tot tegen de zijlijn geplakt, iedere ploeg trok er trillend en rillend naartoe. Club speelde tegen Berchem, een hapklare brok en het startte in een 3-3-4-opstelling. Hugo Pieters stond in de goal, Julien Cools was linksachter. Club was met zeven op negen het seizoen ingedoken en begon op een overrompelende manier. Zoals zo vaak. Henk Houwaart, voor de gelegenheid aanvoerder omdat Fons Bastijns op de bank zat, probeerde voortdurend het spel over de vleugels open te trekken, Johny Thio dweilde de rechterflank af zoals in zijn beste dagen, ook al vond hij op dezelfde flank vaak Roger Van Gool op zijn weg. Maar toen Raoul Lambert een strafschop op doelman Tony Goossens knalde, was Club alle vertrouwen kwijt. Het werd 0-3, de sensatie van de speeldag. Na amper 37 minuten verving Ernst Happel de falende Ulrich Le Fèvre door een andere Deen, de kopbalsterke Hans Aabech en dat leek logisch. 'Want', bedacht een collega in een lyrische opwelling, 'hoe kan dat nu? Club speelt holderdebolder en Aabech zit op zolder.' Het veranderde het spelbeeld niet. Club voetbalde wanordelijk en iedereen vroeg zich af: hoe is het mogelijk dat de bij Borussia Mönchengladbach zo sterk acterende Le Fèvre niet rendeert? De term miskoop werd al in de mond genomen en op de persconferentie kwam Ernst Happel niet verder dan wat gebrom. Naast hem zat Harry Heylen, de trainer van Berchem, te spinnen van tevredenheid.
...

Het was op 1 september 1974 dat we voor de eerste keer als journalist naar Club Brugge trokken. Er werd toen nog gespeeld op de Klokke, op een zondagnamiddag, in een bruisende ambiance, de mensen stonden tot tegen de zijlijn geplakt, iedere ploeg trok er trillend en rillend naartoe. Club speelde tegen Berchem, een hapklare brok en het startte in een 3-3-4-opstelling. Hugo Pieters stond in de goal, Julien Cools was linksachter. Club was met zeven op negen het seizoen ingedoken en begon op een overrompelende manier. Zoals zo vaak. Henk Houwaart, voor de gelegenheid aanvoerder omdat Fons Bastijns op de bank zat, probeerde voortdurend het spel over de vleugels open te trekken, Johny Thio dweilde de rechterflank af zoals in zijn beste dagen, ook al vond hij op dezelfde flank vaak Roger Van Gool op zijn weg. Maar toen Raoul Lambert een strafschop op doelman Tony Goossens knalde, was Club alle vertrouwen kwijt. Het werd 0-3, de sensatie van de speeldag. Na amper 37 minuten verving Ernst Happel de falende Ulrich Le Fèvre door een andere Deen, de kopbalsterke Hans Aabech en dat leek logisch. 'Want', bedacht een collega in een lyrische opwelling, 'hoe kan dat nu? Club speelt holderdebolder en Aabech zit op zolder.' Het veranderde het spelbeeld niet. Club voetbalde wanordelijk en iedereen vroeg zich af: hoe is het mogelijk dat de bij Borussia Mönchengladbach zo sterk acterende Le Fèvre niet rendeert? De term miskoop werd al in de mond genomen en op de persconferentie kwam Ernst Happel niet verder dan wat gebrom. Naast hem zat Harry Heylen, de trainer van Berchem, te spinnen van tevredenheid. Twee maanden later: voor het begin van een thuiswedstrijd tegen Club Luik kregen de Brugse supporters een strooibrief in de hand geduwd waarin hen werd gevraagd meer sympathie op te brengen voor de spelers. Die werden toen zo uitgejouwd dat sommigen met bibberende knieën aan een wedstrijd begonnen. 'Misschien moet je in deze voor Club zo donkere tijden maar eens een jonge voetballer gaan interviewen', bedacht de toenmalige hoofdredacteur, Karel Vander Mijnsbrugge. Dus trokken we naar de Brugse Pastoriestraat waar een 21-jarige Limburgse voetballer, samen met een paar andere jongeren, bij een hospita inwoonde. René Vandereycken vertelde zijn verhaal. Rustig, intelligent en bescheiden. Hij wilde het als profvoetballer maken, maar volgde voor alle zekerheid toch twee keer per week avondlessen voor handelsingenieur. Wat verder keek een andere voetballer toe. Hij zei geen woord. Het was Lei Clijsters. Niemand die dacht dat Club toen voor de meest vergulde periode uit zijn geschiedenis stond. Ook René Vandereycken niet. Zes maanden later, toen hij definitief een basisstek had veroverd, zei Vandereycken in een tweede interview, in dezelfde straat en bij dezelfde hospita: 'Ik ben me nooit bewust geweest van mijn mogelijkheden.' Ontmoetingen en impressies bij Club Brugge, ze zijn ontelbaar geweest in een lange carrière. Je kan blijven grabbelen in een ton van herinneringen. Maar steeds weer was er die diep in het hart van de vereniging gewortelde eenvoud, door sommigen als amateurisme versleten. Veel had te maken met de gezapig ogende manier waarop alles werd bestuurd, al waren er ook veel emotionele oprispingen. Van Antoine Vanhove bijvoorbeeld. Hoeveel keer hebben we hem niet gesproken, in zijn huis langs de Torhoutse Steenweg in Loppem? De ontvangst was altijd heel hartelijk, dampende koffie, een assortiment aan gebakjes en als je geluk had wilde Vanhove je wel eens meenemen in zijn tuin om zijn duiven te tonen. Weinig bestuurders geweten die zo'n behoefte hadden aan schouderklopjes als hij, maar die ook zo woedend konden reageren bij de minste kritiek. We noemden hem later in een verhaal eens een emotioneel kruitvat. Vanhove probeerde de grote baas te bellen. Alsof hij die typering kracht wilde bij zetten. Het paste allemaal in het tijdsbeeld van Club Brugge. Net zoals de stille voorzitter Fernand De Clerck.Hij gaf liever geen interviews, maar één enkele keer opende hij de poorten van zijn prachtig huis in Varsenare, in het najaar van 1980, kort nadat de Nederlandse trainer Johan Grijzenhout was ontslagen en Raymond Mertens tijdelijk de ploeg in handen kreeg. En De Clerck, die een kwarteeuw voorzitter zou zijn, vertelde dat hij eigenlijk maar een kleine schakel is in het radarwerk en van een nederlaag nog nooit één seconde heeft wakker gelegen. Voorzitters, zei hij, mochten vooral geen supporters zijn. Hij vertelde dat hij de spelers zo weinig mogelijk wilde zien want dat, verduidelijkte hij, betekende dat er geen problemen waren. En graag dompelde hij zich onder in de geschiedenis. En verhaalde over de tijd dat zijn grootvader voorzitter was en dat de spelers op nieuwjaarsdag bij hem thuis moesten komen. Ze kregen dan 50 frank, 1,25 euro. Voorzitters en bestuurders die het beleid nadrukkelijker bepaalden, ze zijn er natuurlijk geweest bij Club Brugge. Michel Van Maele die ons een keer via een medewerker in zijn villa, met zicht op het Boudewijnpark, ontbood omdat we wat al te kritisch waren over de aanpak van trainer René Verheyen. 's Ochtends om tien uur liet Van Maele champagne aanrukken, hij was niet kwaad, nee, er werd zowaar geklonken en gedronken, Van Maele wilde alleen even zijn mening geven over de dagelijkse gang van zaken. Een speciale figuur was het wel, de ex-burgmeester die destijds Club Brugge van de verdrinkingsdood redde. Toen hij Gille Van Binst eens opslag had beloofd en die naar zijn bakkerij trok om te vragen waar die loonsverhoging bleef, kwam hij terug met een... notentaart. Dat, zei hij, is je opslag. En stapte grijnzend weg. Niemand die zich in een leidende rol beter profileerde dan Michel D'Hooghe. Hoeveel uren hebben we bij hem niet gesleten, in zijn huis langs de Lange Rei in Brugge? Tien keer, twintig keer, we zijn de tel kwijtgeraakt. En telkens waren er gesprekken over voetbal uiteraard, vaak aangevuld met levenswijsheden. Dat je niet rancuneus mocht zijn bijvoorbeeld, omdat je rancune als een dood gewicht mee op je schouders neemt. En als D'Hooghe in een melancholieke bui achter zijn piano kroop, zoals hij dat eens deed na een lang gesprek in de donkere decembermaand van 1992, kon hij ook al eens bewonderend praten over Mozart, volgens hem het grootste wonder van deze maatschappij omdat er van hem nooit een kopij is gevonden waarop er ook maar één correctie is aangebracht. Ja, praten, Michel D'Hooghe deed en doet het graag. Maar praten, doceerde hij, is jezelf ook verrijken met de ervaringen van een ander. Een goed gesprek kon alleen bilateraal zijn. Club Brugge koketteerde nooit met welke vorm van grandeur dan ook. Zoals het in zekere zin hoort voor een club die de geest van de supporters uitademt. Geen enkele vereniging waar dat zo verweven is met de cultuur, KV Mechelen misschien buiten beschouwing gelaten. Een volksclub gedragen door volksjongens. Raoul Lambert symboliseerde die eenvoud. Maar hij stond niet te springen voor een interview. Heel anders dan Johny Thio, de enige speler van Club die na zijn dood een straat kreeg die naar hem werd genoemd.Thio's drang naar zelfbevestiging stond haaks op zijn imago van flierefluiter, nooit liet hij zich in een interview de mond snoeren. Of heel anders ook dan de sierlijke veldheer Pierre Carteus die als gevoelsmens echt ontbolsterde in de sfeer van verbondenheid die Club Brugge kenmerkte en die alleen maar aan een wedstrijd kon beginnen als hij een paar pintjes had gedronken. Spelers waren lang heel gemakkelijk bereikbaar. Je sprak Franky Van der Elst op zaterdagavond na een wedstrijd aan voor een gesprek en op zondagochtend zat je bij hem thuis. Eventueel verschoof Franky zelfs een gepland familiebezoek met een uurtje. Je belde Jan Ceulemans en twee dagen later mocht je langs gaan. Twee dagen? Dat was lang. Oké, kom dan maar morgen, zei Ceulemans. Je wilde een interview met de opkomende Marc Degryse en dat was zo geregeld. Inclusief een fotosessie in het mooie decor van het Brugse Begijnhof die de schuchtere Degryse, blozend omdat supporters hem herkenden, welwillend onderging. Geen nukken, geen ongeduld, maar dankbaarheid voor de journalistieke interesse. Andere tijden waren het, prachtige tijden. Geen perschefs die alles moesten voorleggen en nalezen en vooraf de duur van het interview bepaalden. Voetballers durfden ook al eens iets te zeggen. Zoals Walter Meeuws, nooit bang voor een gefundeerde mening. Zelfs als zijn vrouw Liliane hem vroeg of hij nu niet te ver ging. En zoals Lorenzo Staelens die ooit, in december 1992, zei dat de sfeer bij Club Brugge veel minder is geworden en dat er steeds meer groepjes samenhokten. Vroeger, zei Staelens, gebruikte Georges Leekens feesten om plooien glad te strijken omdat hij sfeer het belangrijkste vond. De toenmalige trainer Hugo Broos voelde zich aangesproken en ontbood Staelens op zijn bureel. Die bleef achter zijn woorden staan. Vandaag zouden dat soort passages bij het nalezen worden geschrapt. Ja, Georges Leekens, het was nog een van die voetballers waar je in een sfeer van warmte en hartelijkheid werd ontvangen. De interviews duurden lang, erg lang. Net zoals nu praatte hij graag over spelintelligentie, hij benadrukte in vrijwel ieder gesprek hoe modern Club onder Ernst Happel wel voetbalde: het snel overschakelen, het opsluiten van de tegenstander op de eigen speelhelft, de durf om die tegenstander te imponeren, de voetballer Leekens klonk als een trainer. De kracht van Club Brugge, sprak hij, was dat spelers te allen tijde in staat waren zelf bij te sturen. Club Brugge veroverde toen Europa, maar niet altijd waren er in de geschiedenis triomfen. Er waren ook tragedies. De meest gedenkwaardige Europese verplaatsing die we meemaakten was die naar Monaco, in november 1988. Vanwege de dichte mist was het gezelschap met drie uur vertraging vanuit Lille naar Nice vertrokken, maar het belette trainer Henk Houwaart niet om met een stralend humeur door het luchthavengebouw te lopen. Hij klopte journalisten vriendschappelijk op de schouder en praatte over alles, behalve over de wedstrijd. Hij vroeg zijn assistent Raymond Mertens om voor hem een broodje te gaan halen maar die zei: 'Houwaart, je weet dat ik niets voor jou doe.' Dat was lachen geblazen. Maar twee dagen later werd Club met 6-1 afgetroefd. En leek de terugvlucht wel een begrafenis. De blunderende verdediger Tew Mamadou zat warempel te wenen. Hij kreeg het vaak te hard te verduren na een nederlaag. Zoals eerder op Borussia Dortmund eens, na een 3-0-nederlaag. De ogen van de Senegalees spuwden vuur toen hij in de kleedkamer met de vinger werd gewezen: 'C'est toujours moi.' Journalisten hoorden het allemaal, ze mochten meteen na de match de kleedkamer in, iedereen vond dat normaal. Twee weken later zette Club de situatie recht: 5-0. En hoe vreemd was een andere Europese verplaatsing niet, in november 1995 naar Londen. Club had in de kwartfinale voor de Europacup voor Bekerwinnaars met 1-0 gewonnen van Chelsea en wilde nu de poort naar de halve finale openbreken. Maar wat tot een historische avond had moeten uitgroeien, werd in het artistieke centrum van Londen een ramp en leidde tot bezinning aan de boorden van de Theems. Club verloor met 2-0 en in een opwelling van teleurstelling en frustratie plaatste Antoine Vanhove in de Londense luchthaven Gatwick zowaar een paar kanttekeningen bij de veldbezetting 'want het was uiteindelijk zo dat een paar spelers elkaar in de weg liepen.' Wat verder zat Hugo Broos. Hij oogde als een groggy gemepte bokser. Zelfs toen een meegereisde supporter er wat animo probeerde in te brengen, werd de gewijde stilte niet doorbroken. De supporter stond nochtans bekend om zijn bulderende lach. Het was Jean-Luc Dehaene. Trainers bij Club Brugge, er zijn er een stoet gepasseerd. De verbaal meest sterke: met afstand George Kessler, de man die had berekend dat hij op 845 stappen van het Olympiastadion woonde en daar in normale weersomstandigheden 8 minuten en 48 seconden over deed. Toen Kessler op zijn eerste werkdag een bureau uit de beheerraadzaal opeiste, wist iedereen hoe laat het was. Heerlijk toeven was het altijd ten huize van deze Nederlandse Duitser die in prachtige volzinnen praatte en ook wel wist dat hij met zijn onuitputtelijke rijkdom van de taal kon imponeren. Hij wilde journalisten ook wel eens in een chique restaurant uitnodigen en koketteerde met etiquette. Slechts één enkele keer hebben we geweten dat Kessler de zaak niet zelf in de hand had: op het oefenveld naast het stadion ging hij kijken naar een invallerswedstrijd en had hij zijn hond meegenomen, een Duitse herder. Het dier gehoorzaamde niet en liep op een gegeven moment tussen de spelers, achternagezeten door een woedende Kessler, de stok in de hand. Een hilarisch beeld. Het dwingende van George Kessler, we hebben het later nog bij zijn halve landgenoot Christoph Daum gezien. Toen we hem eens interviewden liet de perschef horen dat het gesprek niet langer mocht duren dan één uur. Precies na die zestig minuten brak hij het gesprek af. Terwijl Daum net goed op dreef was. Die repliceerde meteen, bars en autoritair: 'Wir machen weiter.' Veel is er veranderd bij Club. Maar niet het gevoel van samenhorigheid, de ingebakken solidariteit, de handelsmerken van blauw-zwart. Is dat ooit beter gebleken dan na het overlijden van François Sterchele, de James Dean van het voetbal, inmiddels acht en een half jaar geleden? Een ingetogen stilte voor de wedstrijd tussen Club Brugge en Westerlo, een beklijvend eerbetoon. En tijdens de wedstrijd werd er getreurd en geweend. Twee uur na de match zat er op een bank voor het Brugse station een man te huilen als een klein kind. Een paar toeristen vroegen zich af wat er scheelde, maar de man kon niet reageren. Naast hem lag een trui van François Sterchele. Het was een beeld met symboliek. Van een voetbalgemeenschap in totale shock. Bij de dood van een voetballer van en voor het volk. Naar het beeld van Club Brugge. DOOR JACQUES SYS - FOTO'S BELGAIMAGEJe vroeg Franky Van der Elst zaterdagavond na een wedstrijd om een interview en op zondagochtend zat je bij hem thuis. Nooit was René Vanderyecken zich bewust geweest van zijn mogelijkheden. Veel is er veranderd bij Club. Maar niet het gevoel van samenhorigheid en de ingebakken solidariteit.