In de zestigjarige geschiedenis van het Europees landenkampioenschap voetbal zijn er veel geladen wedstrijden gespeeld en belangrijke doelpunten gemaakt. De finales zijn altijd de matchen die in het collectief geheugen gebrand blijven en in die finales zijn er twee goals die over het hele continent en zelfs ver daarbuiten een iconische status gekregen hebben. De allermooiste is er eentje die, ook als ze niet op zo'n cruciaal moment gescoord zou zijn, de tv-journaals was langsgegaan. Een goal van een van de grootste spitsen ooit, Marco van Basten.
...

In de zestigjarige geschiedenis van het Europees landenkampioenschap voetbal zijn er veel geladen wedstrijden gespeeld en belangrijke doelpunten gemaakt. De finales zijn altijd de matchen die in het collectief geheugen gebrand blijven en in die finales zijn er twee goals die over het hele continent en zelfs ver daarbuiten een iconische status gekregen hebben. De allermooiste is er eentje die, ook als ze niet op zo'n cruciaal moment gescoord zou zijn, de tv-journaals was langsgegaan. Een goal van een van de grootste spitsen ooit, Marco van Basten. Het is 25 juni 1988, kwart voor vijf 's middags in het Olympiastadion van München. Nederland neemt het op tegen de Sovjet-Unie. In de eerste helft heeft Ruud Gullit Oranje op voorsprong gekopt. De tweede helft is tien minuten bezig wanneer Arnold Mühren de bal op links krijgt aangespeeld. Hij zwiept die met een hoge boog voor doel, maar iets te ver. Van Basten ziet de bal dalen, net voorbij de hoek van de kleine backlijn. Zijn bewaker aarzelt, verwacht dat de Nederlander de bal zal controleren, maar die trapt hem met een volley in één tijd in de verste winkelhaak, achter een onthutste doelman Rinat Dasajev. Van puur ongeloof slaat Rinus Michels, de oude bondscoach van Oranje, de hand voor zijn mond.De volley van Marco van Basten is een verplicht nummer in elk EK-overzicht. Een andere goal, uit de finale van 1976, leverde de maker ervan eeuwige naambekendheid op: Antonín Panenka. Minder bekend is dat er achter zijn strafschop een verhaal zit van eigenzinnigheid, hoop en revolte. Eerst de voetbalfeiten. In 1974 mist Panenka voor zijn club Bohemians Praag twee penalty's in één wedstrijd. Een blamage die hij nooit meer wil meemaken. Hij denkt erover na hoe hij de doelmannen het beste kan verschalken en wanneer hij beseft dat die bijna altijd een hoek kiezen, valt zijn kwartje. Gewoon door het midden schieten vindt hij wat riskant, maar veinzen dat hij een 'normale' strafschop zal nemen en dan, wanneer de doelman vertrekt, de bal met een zachte lob binnen lepelen, dat moet lukken! Hij perfectioneert zijn techniek na elke training met Bohemianskeeper Zdenek Hruska en probeert zijn nieuwe techniek enkele keren uit in de competitie van Tsjechoslovakije. Dat land situeert zich in die tijd achter het IJzeren Gordijn, wat maakt dat Panenka's geheim goed bewaard blijft. Wanneer het in de finale van het EK'76 tot strafschoppen komt tussen Tsjechoslovakije en West-Duitsland, acht Panenka zijn moment gekomen. Bij 4-3 mist Uli Hoeness en mag hij het afmaken. De penalty van de Tsjech heeft een symbolische draagwijdte die het voetbal overstijgt. Het toont de frivole veerkracht van het Tsjechoslovaakse volk, dat in het Oostblok de dominantie van de Sovjet-Unie moest ondergaan. Panenka was negentien toen Praag in de zomer van 1968 danste op het ritme van de flowerpower en de rock-'n-roll. Het enthousiasme en de vrijheidsdrang van mei '68 was tot achter het IJzeren Gordijn doorgedrongen en de politieke leider van het land, Alexander Dubcek, wilde een beleid voeren met een menselijk gezicht. Die zogenaamde Praagse Lente was niet naar de zin van de Sovjets, die op 21 augustus met hun tanks de stad innamen. Het betekende het einde van Dubcek en zijn gematigde politiek. Panenka heeft dat allemaal van dichtbij meegemaakt. Met zijn penalty wil hij de Tsjechoslovaken weer laten lachen. Hij neemt een aanloop, veinst, en wanneer Sepp Maier al naar de grond gaat, schept hij de bal in het net. Tsjchoslovakije is Europees kampioen. Het centrale Wenceslasplein in Praag stroomt vol feestvierders. Als geen ander beseft Panenka ook het risico dat hij nam: als zijn strafschop zou mislukken, was hem die lichtzinnigheid zeker aangerekend als insubordinatie. Wie weet waar hij dan geëindigd was. Sport en politiek geraakten in de jaren van de Koude Oorlog wel vaker met elkaar verweven. Denk maar aan de boycot van de Olympische Spelen in Moskou (1980) door de Amerikanen en aan die van Los Angeles (1984) door de Russen en hun bondgenoten. De strubbelingen op het Oude Continent maakten dat een Europees toernooi, zowel voor clubelftallen als voor landenteams, er pas vrij laat kwam. De eerste Europabeker voor Landskampioenen werd georganiseerd in 1955/56, het eerste EK in 1960. Vergelijk dat met Zuid-Amerika, waar de eerste Copa América al dateert van 1916. Dat de politieke wonden van de Tweede Wereldoorlog in Europa nog niet geheeld waren, blijkt uit de pijnlijke aanloop naar het eerste EK in 1960. Twee ideologieën clashten met elkaar: het fascistische Spanje van Francisco Franco en de communistische Sovjet-Unie onder de leiding van Nikita Chroesjtsjov. Spanje was een van de topfavorieten om dat eerste EK op zijn naam te schrijven. Real Madrid had net voor de vijfde keer op rij de Europacup I gewonnen en sterspelers Alfredo di Stéfano en Francisco Gento vormden ook de ruggengraat van de nationale ploeg, die voor het grootste deel bestond uit spelers van de Koninklijke. Bovendien schreven grote voetballanden als Engeland, West-Duitsland, Italië en Zweden (de verliezende WK-finalist van 1958) zich niet in voor die eerste editie. Maar als de Spaanse nationale ploeg voor een groot stuk Real Madrid was, dan was ze ook het uithangbord van het franquisme. Real was - officieus weliswaar - de bevoorrechte club van het regime. Spanjes minister van Buitenlandse Zaken noemde het 'de beste ambassadeur die we ooit gehad hebben'. In de eerste voorronde nam La Roja spelenderwijs de maat van Polen (4-2 en 3-0), toch ook geen kleintje. In de laatste voorronde, in feite de kwartfinales (het eindtoernooi werd met vier landen gespeeld), was de tegenstander de Sovjet-Unie. In de Tweede Wereldoorlog had Franco zowat 40.000 Spanjaarden naar Rusland gestuurd om er aan het oostfront van Hitler te vechten. In 1960 zaten velen van hen nog in Russische gevangenissen. Bovendien was Spanje ondertussen goede maatjes met de Verenigde Staten. Achter het voetbalduel schemerde dus de strijd tussen twee vijandige regimes. In volle Koude Oorlog betekende een nederlaag, om het nog eufemistisch te zeggen, zwaar gezichtsverlies. Hoe sterk de Spaanse nationale ploeg ook was, Franco had er niet het volste vertrouwen in. Twee dagen voor de afreis kwam het verdict: 'We gaan niet naar Moskou.' De Sovjet-Unie kreeg een vrijgeleide naar de eindronde. Chroesjtsjov maakte zich uitgebreid vrolijk over de 'owngoal' van Franco. Vier jaar later haalde El Caudillo wel zijn revanche. Spanje plaatste zich bij de laatste vier en kreeg de organisatie van het EK 1964 toegewezen. Het haalde de finale door Hongarije te kloppen en daarin wachtte ... de Sovjet-Unie. De vijandschap was allerminst bekoeld, maar Franco stond voor een voldongen feit, het was absoluut ondenkbaar dat het gastland zich zou terugtrekken uit de finale. En zo begon op 21 juni 1964 om 18.30 uur 'het politiek meest beladen sportevenement sinds de Spelen van Berlijn in 1936'. Het aanvangsuur was twee uur vervroegd, in de hoop dat de Sovjets last zouden hebben van de hitte in Madrid - alle middelen waren goed om Spanje het voordeel te geven. Het balbezit en de dieptepasses van de Spanjaarden leverden de thuisploeg al na zes minuten een voorsprong op, maar twee minuten later dompelde de gelijkmaker Bernabéu in een doodse stilte. Spanje bleef dominant voetballen, maar de Sovjets gaven geen krimp. Tot zes minuten voor affluiten Marcelino naar een lage voorzet dook en de bal voorbij Lev Jasjin kopte. Op de tribunes ontvouwden zich de rood-gele vlaggen en de triomferende Franco werd luidkeels toegezongen. De Russische bondscoach Konstantin Berkov werd meteen ontslagen, naar verluidt door Chroesjtsjov persoonlijk. Die werd op zijn beurt enkele maanden later afgezet. Franco van zijn kant zou nog elf jaar, tot zijn dood, zijn schrikbewind voortzetten. Niet alleen in de eindrondes van de EK's hebben zich drama's afgespeeld, ook in de voorrondes lagen triomf en teleurstelling vaak heel dicht bij elkaar. Noord-Ierland wist zich in 2016 voor het eerst te plaatsen. In twee andere voorrondes konden de Noord-Ieren de kwalificatie al bijna ruiken, maar telkens waren tien minuten er te veel aan. Dat was zo eind vorig jaar, toen ze een barragewedstrijd moesten spelen tegen Slovakije. Het venijn zat daar in de staart. In minuut 88 maakte Noord-Ierland een 0-1-achterstand ongedaan en in blessuretijd strandde de goal van de kwalificatie op de paal. In de verlengingen bleef het gelijk tot tien minuten voor het einde Michal Duris Slovakije naar het EK schoot. Een veel heroïscher verhaal is dat van de voorrondes voor het EK 1984. Daarin zat alles vervat wat voetbal zo aantrekkelijk en spannend maakt. In tegenstelling tot 2016 en 2020 waren er in 1984 maar acht landen aanwezig op de EK-eindronde, kwalificatie was dus een stuk lastiger. Voor Noord-Ierland leek er weinig hoop weggelegd, want het werd in een groep geloot met West-Duitsland, de uittredende Europees kampioen en tevens verliezend WK-finalist in 1982. Toch hadden de Noord-Ieren ook hun troeven: in 1982 hadden ze zich geplaatst voor het WK en daar waren ze zelfs door de eerste ronde geraakt. De speler die daar opviel was Norman Whiteside, die het record van Pelé afnam als jongste speler op een WK-eindronde (17 jaar en 41 dagen). In 1986 zou Noord-Ierland zich opnieuw plaatsen. Geen slechte ploeg dus op dat moment. Maar dan nog: West-Duitsland... De voorronde begon meteen slecht. Uit bij Oostenrijk leidde een wanprestatie tot 2-0-verlies. En dan kwam de Mannschaft op bezoek, met toppers als Uli Stielike, Pierre Littbarski en Karl-Heinz Rummenigge. Uit het verlies in Oostenrijk hadden de Noord-Ieren wel één positieve noot onthouden: de eerste interland van de jonge Ian Stewart, die een gesel was voor de Oostenrijkse verdedigers. De pers smult van zijn verhaal. Als zeventienjarige was Stewart afgewezen door Everton en op een bepaald moment was hij er met zijn gitaar op uitgetrokken om als straatmuzikant iets te verdienen. Maar via tweedeklasser QPR kwam hij toch weer in het profvoetbal terecht. Het is uitgerekend Stewart die tegen de Duitsers zijn eerste interlandgoal maakt, een verre schuiver die Toni Schumacher kansloos laat. In de hele wedstrijd vindt de Mannschaft geen antwoord op het spel van de groenhemden. Na de match verlaat Stewart het stadion met de wedstrijdbal, gesigneerd door de beide teams, en met het shirt van zijn tegenstander Manfred Kaltz, die blij moet geweest zijn dat de wedstrijd voorbij was. Na die stuntzege laten de Noord-Ieren een punt in Albanië (0-0) terwijl ze in de terugmatch (1-0) en thuis tegen Turkije (2-1) niet echt aan hun doelsaldo werken. Dat doen de Duitsers wel, met ruime zeges tegen Turkije (1-3 en 5-1) en tegen Oostenrijk (3-0). Ook Noord-Ierland verslaat Oostenrijk, maar dan gaat het ten onder in Turkije. Op dat ogenblik hebben de Noord-Ieren een klein mirakel nodig om zich nog te plaatsen. Ze moeten winnen in West-Duitsland en dan mag de Mannschaft nadien ook niet winnen van Albanië. De vicewereldkampioen is er vrij gerust in, maar vindt de hele eerste helft geen gaatje tegen de mannen van bondscoach Billy Bingham en de fans in het Volksparkstadion in Hamburg beginnen te morren. In het begin van de tweede helft volgt het beslissende moment van de match. Schumacher pareert een schuin schot van Stewart, maar de bal wordt terug voor doel gebracht, waar Whiteside kalm binnen schiet. Vanaf dan plooien de Noord-Ieren zich nog meer dubbel, een bal van Lothar Matthäus wordt van de lijn geveegd, maar de Duitsers slagen er niet in de muur van Martin O'Neill en zijn maats te slopen. Voor het eerst in negen jaar lijdt West-Duitsland een thuisnederlaag tegen een Europese ploeg. Maar niemand in Belfast en omstreken gelooft écht dat de kwalificatie nog mogelijk is. West-Duitsland moet thuis makkelijk de maat kunnen nemen van Albanië. Bingham gaat zelfs in de tuin werken, liever dan zichzelf te pijnigen door naar de match te kijken. Halverwege de eerste helft scoort Genc Tomori echter verrassend de 0-1. Maar Rummenigge maakt een minuut later gelijk en nog voor de rust krijgt Tomori rood. Maar de Balkanboys houden stand, de Noord-Ieren hopen, en de tijd tikt weg. Tot tien minuten voor het einde Gerhard Strack de ban breekt: 2-1. En zo worden de Noord-Ieren, ondanks twee stuntzeges tegen West-Duitsland, tien minuten voor de verlossing toch nog uitgeschakeld. Ook de eindronde in 1984 zorgt voor een opmerkelijk voetbalverhaal. Het begint allemaal met een kopstoot, zo eentje waar die van Zinédine Zidane aan Marco Materazzi in de WK-finale van 2006 een vriendelijke aai tegen lijkt. In de eerste wedstrijd van het EK wordt Manuel Amoros stevig getackeld door de Deen Jesper Olsen. De Fransman gooit eerst furieus de bal naar de zittende Olsen, mist die, en bukt zich dan voor een stevige buffelstoot. Door de schorsing van Amoros komt ene Jean-François Domergue in het elftal. De linksback heeft amper interlandervaring, hij speelde zijn eerste halve match in een voorbereidingsmatch tegen West-Duitsland. Tegen Denemarken valt hij in en tegen België en Joegoslavië behoudt hij zijn stek. Enkele dagen later, in de halve finale tegen Portugal, zou hij het schitterende hoogtepunt van zijn carrière beleven. De speler die iedereen zich herinnert van dat EK, is Michel Platini - en terecht, want hij speelde fantastisch - maar zonder Domergue had het allemaal anders kunnen lopen. Wanneer Frankrijk in minuut 24 een vrije trap krijgt, verwacht iedereen specialist Platini. Maar Domergue heeft een gaatje gezien en vraagt zijn kapitein of hij mag trappen. ' Vas- y', zegt Platini, waarop Domergue de bal met buitenkant links voorbij een stomverbaasde Bento jaagt. Frankrijk heeft nadien nog kansen om de score op te drijven maar krijgt een kwartier voor tijd het deksel op de neus, een kopbal van Jordão dwarrelt in doel. En in de verlengingen komt Portugal zelfs op voorsprong. 'Onze wereld leek in te storten', vertelde Domergue daar later over. Maar we zeiden tegen elkaar: als we iets willen doen, dan moeten we het nu doen. En we gingen ervoor.' Zes minuten scheiden het thuisland van de uitschakeling. Dan zet Domergue nog eens een raid op over de linkerflank. Hij speelt de bal richting penaltypunt. Platini komt bij de bal en lijkt gehaakt te worden door een verdediger, maar nog voor de scheidsrechter kan fluiten komt de doorgelopen Domergue aangestormd om de bal hoog in doel te knallen: 2-2. In de slotminuut maakt Platini het Franse geluk compleet. Voor Domergue zouden het zijn enige twee interlandgoals blijven. Hij zou ook niet verder komen dan negen caps. Maar die halve finale tegen Portugal nemen ze hem nooit meer af. Het verhaal van Domergue doet sterk denken aan dat van Lilian Thuram veertien jaar later. Frankrijk is dan opnieuw gastheer, van het WK'98 ditmaal. Het zit in de halve finale in nauwe schoentjes wanneer Davor Suker Kroatië op voorsprong brengt. De scheve situatie wordt weer rechtgezet door een flankverdediger die de enige twee goals in zijn interlandcarrière scoort: Lilian Thuram. En die zou in totaal zelfs 142 caps halen! Maar dat is een verhaal voor het eerstvolgende WK.