Op 6 december is het zes jaar geleden dat Raymond Goethals is gestorven. Den Tuveneir was bezeten van voetbal, een ander onderwerp was aan hem niet besteed. Het Songfestival bijvoorbeeld was hem onbekend. Dat was voor hem allemaal dikke ziever! Als we het met de ploeg over wielrennen hadden, begon hij steevast over zijn tijd, toen hij samen met een vriend op één dag op en neer reed naar de kust. 300 kilometer, op een fiets die 40 kilo woog. "En toen lag er nog geen macadam! Nu zijn ze al muug na 200 kilometer", voegde hij er dan altijd aan toe.
...

Op 6 december is het zes jaar geleden dat Raymond Goethals is gestorven. Den Tuveneir was bezeten van voetbal, een ander onderwerp was aan hem niet besteed. Het Songfestival bijvoorbeeld was hem onbekend. Dat was voor hem allemaal dikke ziever! Als we het met de ploeg over wielrennen hadden, begon hij steevast over zijn tijd, toen hij samen met een vriend op één dag op en neer reed naar de kust. 300 kilometer, op een fiets die 40 kilo woog. "En toen lag er nog geen macadam! Nu zijn ze al muug na 200 kilometer", voegde hij er dan altijd aan toe. Ik leerde hem kennen toen ik nog bij de nationale UEFA-juniores speelde, waarvan hij alle trainingen bijwoonde. Voor hem waren alle middelen goed om te winnen. Ik heb mij laten vertellen dat toen hij trainer was van STVV, hij de terreinverzorger verbood om het veld te rollen als er tegen Anderlecht werd gespeeld. Hoe slechter het terrein erbij lag, hoe liever hij het had. De Brusselaars speelden verfijnd voetbal en hadden er dus baat bij dat het veld er goed bij lag. De kanaries speelden met lange ballen, voor hun was het niet erg dat ze op een patattenveld speelden, integendeel. Als bondscoach maakte hij van de Rode Duivels de Witte Duivels, omdat hij vond dat zijn spelers, die niet meer van de jongsten waren, elkaar dan beter zouden kunnen vinden bij avondwedstrijden. Je moet er maar opkomen! Op de Heizel speelde hij liefst niet, omdat het terrein de maximumafmetingen had. " Da plaan es te gruut veur oens", herhaalde hij steeds. Het formuleren en onthouden van namen was niet zijn sterkste punt. Hij heeft mij zolang ik hem kende Van Bimst genoemd. Toen hij op een dag zei: " Zwolf, ne goeie joeng", hadden wij niet direct door wie hij bedoelde, hij had het namelijk over Dino Zoff. Van Batsen en Gullik behoorden ook tot de klassiekers. Je moet niet vragen wat het was als we bijvoorbeeld tegen de Russen speelden en hij hun elftal begon op te sommen. Den Tuveneir was nogal een verstrooide professor en dat is een understatement. Hij woonde op de vijfde verdieping van een groot appartementsgebouw in Molenbeek. Toen hij op een avond thuiskwam, stopte de lift om een onbekende reden op de vierde verdieping. Goethals stapte uit, ging het appartement binnen, zette zich in de zetel en begon de krant te lezen. Toen een verbaasde vrouw uit de keuken kwam gestoven en vroeg wat hij daar deed, besefte Raymond dat hij op de verkeerde plaats was beland. Tijdens een duurloop in het Zoniënwoud waren we hem kwijt. Terwijl wij onze rondjes afhaspelden, besloot onze trainer een wandelingetje te maken. Wij zaten al zeker een uur te wachten in de bus, maar van Goethals was geen spoor te bekennen. Uiteindelijk arriveerde er een politiewagen met Raimundo aan boord. Hij was helemaal verdwaald geraakt. Gelukkig hadden de agenten hem herkend en naar de juiste bestemming gebracht, want anders had Anderlecht moeten uitkijken naar een nieuwe trainer. " Al dei bumen trekken oep ien", zei hij toen hij op de bus stapte. Den Tuveneir veranderde niet graag zijn typeploeg, hij noemde ons zijn 'garde'. Met een gebroken been moest je bij wijze van spreken nog spelen. Voor de terugwedstrijd om de Europese Supercup tegen Bayern München had ik mijn knie verdraaid op training, ik voelde onmiddellijk dat het ernstig was. Ik kon met moeite bewegen en toch nam Goethals mij mee op afzondering. Mijn knie was hevig gezwollen, maar hij wilde absoluut dat ik nog een test aflegde voor de match. Ik zag de bui al hangen, ik kon met moeite stappen! Hij nam een bal en gooide die naar mij. Ik kopte de bal terug. " Da's dan in oerde, ge kunt speile", zei hij doodserieus. Ik geloofde mijn oren niet en antwoordde: "Maar trainer, ik kan niet draaien!" " We goen da es probeire, joeng", hield hij vol. Eén keer ben ik gedraaid en het was over, waarschijnlijk heb ik de blessure daar verergerd. Hij geloofde je gewoon niet als je beweerde geblesseerd te zijn. Hij sleurde dan zijn oud-spelers van STVV erbij: " Dei speilden altaid, joeng." De laatste keer dat ik hem zag, was tijdens een tv-uitzending voor het EK van 2004, samen met Carl Huybrechts, die hij altijd Karel noemde. Hij stal nog de show, maar men zag duidelijk dat zijn ziekte de bovenhand aan het nemen was. "Al dei bumen trekken oep ien"