P hilippe Clement is de 34e trainer die bij Club Brugge werkt sinds blauw-zwart in 1959 naar eerste klasse promoveerde. Bij zijn voorgangers waren er nogal wat vreemde exemplaren die er bizarre ideeën op nahielden. Norberto Höfling bijvoorbeeld, de ondoordringbare Roemeen die met Club naar eerste klasse promoveerde en Raoul Lambert met gewichten onder zijn schoenen liet trainen om nog sneller te worden. Tot woede van de spelersvrouwen voerde hij ook de afzondering in. Of Louis Dupal, de tot Fransman genaturaliseerde Tsjech die in februari 1965 bij Club kwam en spelers die geblesseerd waren steevast bij hen thuis ging bezoeken. Niet alleen om een praatje te maken, maar ook om hen te masseren. Dupal was erg geliefd bij de spelers, ze kropen voor hem door het slijk.
...

P hilippe Clement is de 34e trainer die bij Club Brugge werkt sinds blauw-zwart in 1959 naar eerste klasse promoveerde. Bij zijn voorgangers waren er nogal wat vreemde exemplaren die er bizarre ideeën op nahielden. Norberto Höfling bijvoorbeeld, de ondoordringbare Roemeen die met Club naar eerste klasse promoveerde en Raoul Lambert met gewichten onder zijn schoenen liet trainen om nog sneller te worden. Tot woede van de spelersvrouwen voerde hij ook de afzondering in. Of Louis Dupal, de tot Fransman genaturaliseerde Tsjech die in februari 1965 bij Club kwam en spelers die geblesseerd waren steevast bij hen thuis ging bezoeken. Niet alleen om een praatje te maken, maar ook om hen te masseren. Dupal was erg geliefd bij de spelers, ze kropen voor hem door het slijk. Helemaal te gek was Frans de Munck, de legendarische ex-doelman en, in 1969, de eerste Nederlandse trainer van blauw-zwart. Hij verbood de doelman in het zwart te spelen omdat er maar één Zwarte Panter was, waarmee hij alludeerde op de bijnaam die hij in zijn carrière had gekregen. De Munck liet voor een Europese wedstijd tegen Kickers Offenbach een foto rondgaan van de tegenstander. In werkelijkheid stond er op die prent een blote vrouw. Dat was natuurlijk lachen geblazen. Dan deed een andere Nederlander, Leo Canjels, het een stuk beter. Hij viel op door zijn menselijke warmte en gaf al eens een tuinfeest bij hem thuis, dat telkens weer behoorlijk uit de hand liep. Canjels pakte in 1973 met Club Brugge de eerste titel na 53 jaar. Een paar maanden later werd hij ontslagen omdat hij zich in een interview te kritisch had uitgelaten over het bestuur dat volgens hem uit een stelletje hobbyisten bestond. Niet iedere trainer bleek even competent. Zo was er in november 1978 de Hongaar András Béres, de opvolger van Ernst Happel. Hij was eigenlijk spelersmakelaar en had al zeven jaar niet meer getraind. Dat was eraan te zien. De spelers lachten met hem en toen hij op een gegeven moment technische patronen wilde inoefenen op een ondergesneeuwd veld, werd er aan zijn geestelijke gezondheid getwijfeld. Béres werd nog voor het einde van de competitie aan de deur gezet. Goed zes maanden hield de in november 1980 gearriveerde Gilbert Gress het uit. Hoewel de Fransman een zeer creatieve voetballer was die met in zijn tijd ongewone lange haren rebelleerde, liet hij de spelers constant lopen zonder bal. Die dachten dat ze zich op een marathon aan het voorbereiden waren. De Luxemburger Spitz Kohn werd in 1981 de opvolger van Gress. Hij kende de spelers niet en vroeg aan international Guy Dardenne op welke positie hij speelde. Na drie maanden werd Kohn op de keien gezet. Toen kwam Rik Coppens, de legendarische ex-spits van wie snel duidelijk werd dat hij niet gemaakt was voor het trainerschap. De zenuwachtige en razendsnel pratende Coppens kon zijn carrière als voetballer niet vergeten: tijdens trainingspartijtjes nam hij iedere vrij- en hoekschop zelf. Spelers die dat wilden doen, duwde hij weg. Coppens wilde zijn virtuoze balbehandeling showen, en speelde net zo lang tot zijn team won. Na een 13 op 34 mocht ook hij inpakken. Maar er kwamen ook andere trainers bij Club Brugge. De meest dwingende was, naast Ernst Happel, ongetwijfeld George Kessler die tussen 1982 en 1984 Club leidde. Hij werd meer beschouwd als een organisator dan als een pure voetbalman. Kessler omschreef zijn inbreng graag in fraaie bewoordingen. Toen hij kort na zijn aankomst in de catacomben een mooi bureau zag, vroeg hij aan de toenmalige sterke man en burgemeester Michel Van Maele wie daar zat. 'Ik', antwoordde Van Maele. 'Nu niet meer, vanaf nu is dat mijn bureau', antwoordde Kessler onbewogen. Van Maele dacht er niet aan hem tegen te spreken. George Kessler zou bij Club Brugge wel de noodzakelijke fundamenten leggen waarop gebouwd kon worden. Hij installeerde bijvoorbeeld een spelershome en scherpte zo het groepsgevoel aan. In de huidige professionele constellatie zou George Kessler perfect kunnen functioneren. Vele van zijn voorgangers daarentegen...