"Dat er nu vijf West-Vlaamse clubs in eerste spelen, die het met uitzondering van Roeselare allemaal vrij goed doen, is toeval", beweert sporteconoom Trudo Dejonghe. "Kom binnen vijf jaar eens terug. Dan zullen we misschien andere dingen zien. Vergeet niet: zes jaar geleden was het alleen Club Brugge ( zie kader pagina 33). "
...

"Dat er nu vijf West-Vlaamse clubs in eerste spelen, die het met uitzondering van Roeselare allemaal vrij goed doen, is toeval", beweert sporteconoom Trudo Dejonghe. "Kom binnen vijf jaar eens terug. Dan zullen we misschien andere dingen zien. Vergeet niet: zes jaar geleden was het alleen Club Brugge ( zie kader pagina 33). " Wat maakt het mogelijk dat er vijf clubs uit West-Vlaanderen in eerste spelen en van de andere provincies hoogstens drie ( zie kader pagina 32)? "Ten eerste: Club Brugge is eigenlijk geen West-Vlaamse, maar een Vlaamse club", zegt Dejonghe. "Iets meer dan de helft van hun publiek komt uit West-Vlaanderen. De rest rekruteren ze over heel Vlaanderen. "Ten tweede: in West-Vlaanderen heb je veel regionale steden. Dat zijn steden met een zekere aantrekkingskracht. Ik denk aan Oostende, Roeselare, Kortrijk en Brugge. Daar trekt ook de lokale voetbalclub volk, maar het nadeel van die steden is: weinig uitstraling buiten hun site. Zo komt bijna 60 procent van de abonnees van KV Kortrijk uit Kortrijk zelf. Ook bij SV Roeselare komt meer dan de helft uit Roeselare. "Ten derde: Zuid-West-Vlaanderen is een zeer rijke regio ( zie kader pagina 36). Met 'rijk' bedoel ik: bedrijven met een toegevoegde waarde, veel kmo's die potentieel kunnen sponsoren. Er is plaats voor een echte topclub, maar het probleem is: er zijn drie verschillende mentaliteiten en die zijn niet samen te krijgen. Dat is historisch gegroeid. Iemand van Roeselare gaat niet naar Kortrijk. Elk probeert dus op zichzelf te overleven. "In de eerste klasse met zestien clubs waar we naartoe gaan, verwacht ik dat er een van de vijf West-Vlaamse clubs zal sneuvelen. Puur economisch bekeken, zal dat Roeselare of Kortrijk zijn, twee clubs die een beetje in dezelfde sponsor-vijver aan het roeren zijn en van waar altijd al veel mensen naar Club Brugge gingen kijken. Bekijken we het in een historische context, dan moeten we concluderen: Roeselare. Het heeft geen historische band. Bovendien zijn de toeschouwersaantallen aan het dalen. "Waregem is een kleine stad, maar het is een traditieclub die volgens mij zal blijven bestaan. Toen het in derde of vierde speelde, bleek dat bijna niemand uit die regio naar eerste ging kijken. Als het slim is, rekruteert het binnenkort publiek en sponsors in de regio Oudenaarde. "Kortrijk maakt kans om te overleven. Als het zich twee jaar na elkaar kan redden, zal je er een soort boom krijgen. Het nadeel van Kortrijk is dat het zich als stad wat hautain opstelt ten opzichte van de rest van Zuid-West-Vlaanderen, dat toch een werkmansregio is. Voor Kortrijkzanen zijn die van Waregem kleinstedelijk en is ook Roeselare minder. Club Brugge is anders, dat is altijd meer een werkmansploeg geweest. Cercle was dan weer altijd de katholieke club. In West-Vlaanderen trekt dat gemakkelijk aan. "Procentueel gaan er in Limburg meer toeschouwers naar het voetbal in eerste dan in West-Vlaanderen (zie kader pagina 32). Er is dus nog groei mogelijk, bijvoorbeeld in de Westhoek ( de arrondissementen Ieper, Diksmuide en Veurne, nvdr). Die zal voor Club of Cercle zijn. Nu de autosnelweg er loopt, zijn Ieperlingen snel in Brugge, zeker als het nieuwe stadion van Club in Loppem zou komen. Voor topclubs is een snelweg een zegen, voor kleinere clubs een ramp. Ook de autosnelweg langs de kust is een uitstekende zaak voor Club. Ik denk niet dat Oostende nog eerste moet ambiëren. Het speelde er al, dat gaat om 4000 man uit eigen stad. Het is zoals de vroegere voorzitter zei: de vissen komen niet naar het voetbal. Aan de ene kant de zee en aan de andere kant de polders: Oostende ligt daar godverloren." Dr. Trudo Dejonghe is afkomstig van Blankenberge. Hij is amateurvoetballer, woont in De Pinte en is professor economie aan het Lessius University College in Antwerpen. In 2001 schreef hij een doctoraatsverhandeling over het lokalisatievraagstuk van het topvoetbal in België.