De hele tijd moet ik denken aan Engelse romans uit de jaren vijftig. Over jongens uit de arbeidersklasse die in het voetbal worden ontdekt. Altijd was hun ster snel opgebrand. Dat kwam door de vrouwen of de drank of de grootheidswaan. Of door combines van boven af. Die jongens leken heer en meester op het veld, maar achter de schermen hielden geldschieters en lokale politici de touwtjes stevig in handen. De jonge god was eigenlijk een weerloze pion. Of een tragische held die in rechte lijn op zijn ondergang afstevende. Wat me zijn bijgebleven, zijn de ontgoocheling en het verraad. De modder waarin moest worden geploeterd. De zweetgeur en de spierpijn. De dure sportauto's en de mooie vrouwen. De wilde feestjes en de zware katers. En het besef dat die jongens werden gebruikt. Vooral dat. Ik weet nu eenmaal veel meer over boeken dan over voetbal. Dus als ik in een voetbalstadion rondloop of naar een voetbalmatch kijk, dan denk ik nog aan boeken. Het mooie aan boeken is dat elk mogelijk onderwerp erin aan bod komt. Wie met zijn neus in boeken zit, leert veel over de wereld. Over voetbal, bijvoorbeeld. Vraag is : hoe betrouwbaar is dat beeld ?
...

De hele tijd moet ik denken aan Engelse romans uit de jaren vijftig. Over jongens uit de arbeidersklasse die in het voetbal worden ontdekt. Altijd was hun ster snel opgebrand. Dat kwam door de vrouwen of de drank of de grootheidswaan. Of door combines van boven af. Die jongens leken heer en meester op het veld, maar achter de schermen hielden geldschieters en lokale politici de touwtjes stevig in handen. De jonge god was eigenlijk een weerloze pion. Of een tragische held die in rechte lijn op zijn ondergang afstevende. Wat me zijn bijgebleven, zijn de ontgoocheling en het verraad. De modder waarin moest worden geploeterd. De zweetgeur en de spierpijn. De dure sportauto's en de mooie vrouwen. De wilde feestjes en de zware katers. En het besef dat die jongens werden gebruikt. Vooral dat. Ik weet nu eenmaal veel meer over boeken dan over voetbal. Dus als ik in een voetbalstadion rondloop of naar een voetbalmatch kijk, dan denk ik nog aan boeken. Het mooie aan boeken is dat elk mogelijk onderwerp erin aan bod komt. Wie met zijn neus in boeken zit, leert veel over de wereld. Over voetbal, bijvoorbeeld. Vraag is : hoe betrouwbaar is dat beeld ? Het stadion van Standard ligt in ieder geval op de 'juiste' plek. Hier zou zo'n roman zich probleemloos kunnen afspelen. De buurt ziet er dodelijk vermoeid uit. De huizen zijn klaar voor de sloop en aan de overkant van de Maas produceren oeroude fabrieken het roet dat de hele omgeving onder een zwart laagje bedekt. Dag en nacht spuwen de schoorstenen rook. En op die vuilnisbelt, zou de dichter zeggen, bloeit een vurige roos : Sclessin. Een roos of een doos, dat hangt ervan af. Alles is een kwestie van perceptie. Op een van de muren is het portret van een speler geschilderd met een gouden bord achter zijn hoofd. Telkens opnieuw neem ik me voor om de naam van deze sportheilige te vragen, telkens opnieuw vergeet ik het. Of durf ik het niet. Ik wil mijn onwetendheid niet afficheren. Je vraagt ook niet aan een priester wie die gozer is die aan dat kruis in zijn kerk hangt. De boodschap is in ieder geval duidelijk : voetbal wordt hier ernstig genomen. Alsof daar twijfel over zou kunnen bestaan. Maar hoe zit dat met de spelers ? Zijn zij de gemanipuleerde marionetten waarover ik in die romans gelezen heb ? De persverantwoordelijke van Standard heeft voor mij een afspraak met MohammedTchité en Oguchi Onyewu geregeld. Zij waren me tijdens de uitmatch tegen Brugge opgevallen. Tchité leek toen overal tegelijkertijd op te duiken. Geïntrigeerd wilde ik weten wie die bom energie was. En ik had met mijn eigen ogen gezien hoe Gert Verheyen Onyewu probeerde tegen te houden. In die blauwe zee Club Bruggefans zat ik stilletjes voor Standard te supporteren, bang dat ze mijn gedachten zouden raden, maar ook verontwaardigd over Verheyens gedrag. Maar die speelt vals, dacht ik, precies zoals je dat vroeger op de speelplaats zei. Op Onyewu had Verheyen het averechtse effect. Alsof hij een shot adrenaline gekregen had, rukte hij zich los en trapte de bal recht in de goal. Het was 1-1 en zou ook 1-1 blijven. Na de rust werd er eigenlijk niet meer gespeeld. Al bij al was het een ontgoochelende match. Donderdag 30 maart. In het perslokaaltje van Sclessin zitten 'echte' sportjournalisten aan een tafeltje op Dominique D'Onofrio te wachten. Hopelijk heeft hij nieuws voor hen. De kranten moeten iedere dag worden gevuld. Werkmannen dragen een bord met de namen van alle sponsors naar binnen en beginnen gaten in de muur te boren. Gelaten ondergaan de journalisten het lawaai. Een voor een slenteren de spelers door het perslokaal naar de kleedkamers als leerlingen die net turnles hebben gehad en weinig haast kennen om naar de klas terug te keren. Met verveelde gezichten nemen ze de journalisten op. Een interview is duidelijk het laatste waar ze behoefte aan hebben. D'Onofrio komt bij de journalisten zitten en gooit hen wat weetjes toe. Over de opstelling van de match tegen Moeskroen kan of wil hij nog niets kwijt. Alles is onder controle, zegt hij, alles gaat goed. Ik kan me van hem niet voorstellen dat hij iets anders zou beweren. Hij maakt een voorspelbare opmerking over vrouwen - dat die ook maar een bepaalde tijd meegaan - waarop ik hem al even voorspelbaar vraag : "Hoelang dan wel ?" - "Olala," zegt hij, "ik ben al 24 jaar met dezelfde vrouw getrouwd." Eén ding is zeker : deze man laat zich niet snel uit het lood slaan. Slim, volstrekt ongrijpbaar en naar ik vermoed zeer opvliegend. Hij doet me denken aan mijn turnleraar van vroeger, die net als hij klein en gestuikt was. Nu eens plaagde die ons, dan weer schold hij ons de huid vol. Want we waren flauwe trutten van meisjes. We moesten in beweging worden 'gekafferd'. "O, ja," zegt Stéphane Demol met een lach, "ik kaffer op hen. Niet meteen de eerste dag na een match, maar de dag daarop. Als het nodig is, dan kaffer ik." Hij en ik vormen een Vlaams eilandje in het onooglijke perslokaaltje van Sclessin. En of dat nu aan de taal ligt en het feit dat we woorden als 'kafferen' kunnen gebruiken of aan de Vlaamse klei waaruit we allebei zijn gekneed, ik weet het niet, maar er is meteen een grote vertrouwdheid. Anders dan D'Onofrio laat Demol wél in zijn kaarten kijken. Als ik vraag of hij al weet of hij hulptrainer wordt bij de nationale ploeg, neemt hij zijn gsm uit zijn zak en zegt : "Volgens mij zit het bevestigende sms'je nu in dit toestel." En dat er in België weer beter gevoetbald moet worden. De spelers zijn lui en gemakzuchtig geworden. Iedereen is luier en gemakzuchtiger dan vroeger. Wat is het leukst, speler zijn, of trainer ? "Speler, natuurlijk. Als speler ben je alleen met jezelf bezig. Het is wel afzien." Met een lach grijpt hij naar zijn knieën en zijn heupen. Ik denk aan wat ik daarnet aan Michel Preud'homme heb gevraagd. Of het waar is dat voetbal een sport voor luieriken is, zeker als je het met bijvoorbeeld wielrennen vergelijkt. Diplomatiek als altijd ontweek Preud'homme de vraag. Volgens hem hadden alle sporten nu een niveau bereikt dat niet meer kon worden overtroffen. Technisch kon er niets meer verbeterd worden. Elk antwoord dat ik krijg, leert me vooral iets over de geïnterviewde : de ongrijpbare D'Onofrio, de openhartige Demol en de verzoenende Preud'homme. Misschien valt er over voetbal niet zoveel te zeggen. Op mijn vraag wat nou precies de magie van het spel is, reageerde Preud'homme verrast. Dat had hij zich nog nooit afgevraagd. Misschien had het met traditie te maken, zei hij, en het feit dat voetbal hier altijd zo'n cruciale rol heeft gespeeld. "Wat je als kind hebt gezien, maakt een blijvende indruk."Eindelijk komen de spelers opdagen. Ze zijn lang genoeg weggebleven voor een douche, een sauna én een Turks stoombad. Ze slepen met hun voeten. Als ze kinderen waren, zou je hun vragen : hef je voeten eens op. Dat is trouwens wat Preud'homme over hen heeft gezegd : "Het zijn kinderen. Kinderen met geld en talent, maar nog altijd kinderen." En dat je dat niet uit het oog mocht verliezen. Voelde hij zich dan als een vader voor hen ? "Wel ja," zei hij, "dat hoort er onvermijdelijk bij." Alles is relatief. Nog niet zo vreselijk lang geleden werden veertienjarigen in deze streek naar de mijn of de fabriek gestuurd. Onyewu en Tchité nemen tegenover mij plaats. Ik voel me de schooldirectrice die weerbarstige leerlingen op het matje heeft geroepen. Vooral Tchité heeft er weinig zin in. Laten ze me a.u.b. geen al te grote trut vinden, denk ik. Laten ze niet in de gaten hebben hoe weinig ik over voetballen weet. Tegen Preud'homme had ik het daarnet over 'Luik' in plaats van over 'Standard'. Vriendelijk wees hij me terecht. "Dat mag je nooit doen. Standard en Luik zijn twee verschillende ploegen." Het is voorlopig mijn enige blunder. Denk ik. Hoop ik. Onyewu en Tchité zijn ondubbelzinnig : de speler wil spelen, de speler wil winnen. Meer valt daar dus niet over te zeggen. En nee, er zijn voor de match tegen Moeskroen geen afspraken over een tactiek of een strategie gemaakt. Ze willen winnen. En spelen. Zo eenvoudig is dat. Sterker zelfs : ze zullen winnen. On va gagner. Wat de hele santaboetiek van trainers, voorzitters, raad van bestuur en sponsors ook mogen zeggen of zeuren, het gaat om spelen en spelen dat doen zij. Het doet me denken aan de vraag die dikwijls aan schrijvers wordt gesteld : wat hoopt u met uw werk te bereiken ? Hebt u een boodschap ? Het enige echte antwoord luidt : ik wil schrijven en ik wil gelezen worden. Daar komt helemaal geen boodschap aan te pas. Je weet vooraf niet of het zal lukken. Je kunt niet zeggen wat nou precies het geheim is. Dat is ook het mooie. Op een bepaald moment moet je het gewoon doen. In zekere zin overkomt het je. Je kunt natuurlijk een handje toesteken door je goed voor te bereiden en je concentratie op te bouwen en uitgerust te zijn. Je moet jezelf volzuigen met informatie over je onderwerp en tegelijkertijd moet je je hoofd zo leeg mogelijk laten lopen zodat de woorden straks lekker op het papier gaan stromen. Leeglopen en opladen, daar gaat het om. De uren voor de match brengen de spelers in een hotelkamer door. Ze luisteren naar muziek of kijken televisie. Onyewu en Tchité delen dan de kamer. "Maar we zijn geen homo's", zegt Onyewu met een lach. Hij noemt Tchité zijn kleine broertje. His little brother. Tchité bidt altijd vlak voor de match. "En ik denk, nee ik weet, dat hij ook bidt." Onyewu ontkent het niet. De speler heeft die hulp uit de hemel harder nodig dan de schrijver. Hij kan de match niet een uurtje laten uitstellen. Zelfs niet een kwartiertje. Hij moet oog hebben voor het gouden moment. Het nu of nooit. Hij moet het maken én hij moet het grijpen. Tijdens de matchen die ik zie, valt het me op hoe dikwijls de spelers met de bal alleen zijn. Hoe ze daar soms met die bal in hun eentje staan met alleen maar spelers van de andere ploeg in hun directe buurt. Hoe ze aan dat grote veld zijn overgeleverd. Een mens zou voor minder bidden. Deze jongens lijken me in ieder geval niet de weerloze slachtoffers die ik ken uit romans. Onyewu wil voor een Engelse ploeg gaan spelen. Ik vraag hem niet of hij op België is uitgekeken, maar ik kan me voorstellen dat hij het soms een bizar land vindt. De zondag voordien is hij na de match Brugge-Anderlecht door supporters van Club bedreigd. Hij, zijn vriendin en twee vrouwen van bevriende Anderlechtspelers zaten al in de auto, toen hij werd herkend. Zijn auto incasseerde de klappen. Onyewu wilde uitstappen, maar zijn vriendin hield hem tegen. Het was al genoeg dat zijn auto lichte schade opliep. "De politie stond erbij en keek ernaar", zegt hij verontwaardigd. "Een hele rij agenten in gevechtsuniform liet hen begaan. Supporter jij voor Club Brugge ?" vraagt hij voorzichtig. "Nee, nee", zeg ik beslist. Ik herinner me wat supporters van Club na Brugge-Standard in de richting van Standardfans riepen : "Fuck Di Rupo !" En boegeroep overstemde de verwelkoming in het Frans van de spelers van Standard. Tchité denkt voorlopig niet verder dan Standard. Zegt hij. Zijn geheim is " l'envie de jouer". De goesting om te spelen. La prière, la concentration et l'envie.Twee dagen later rij ik opnieuw langs de Maas naar Sclessin. Dit keer zit mijn petekind Kasper bij me in de auto. Kasper is bijna negen en speelt in een lokaal ploegje mee. Voetballen is niet zomaar een hobby voor hem. Het is zijn grote passie. Hij kent de samenstelling van alle grote ploegen uit het hoofd en het verloop van alle belangrijke wedstrijden. Zelden zie je hem zonder bal. Onlangs tijdens Benfica-Barcelona heeft hij gezegd dat hij Ronaldinho wil zíjn. Hij wil weten hoe het voelt om de beste voetballer ter wereld te zijn. "Wat is het mooiste aan voetbal ?" vraag ik. "De acties", zegt hij zonder aarzelen. "De kansen. Dat heb je bijvoorbeeld bij zwemmen niet.""En hoe heb jij beseft dat je goed bent ?""Omdat ik complimentjes kreeg. En krijg." Hij lacht. "Wat is je grootste droom ?""In een goeie ploeg spelen.""En wat is het belangrijkste : de ploeg of jijzelf ?""De ploeg."Dat is het antwoord waarvan hij weet dat hij het moet geven. Meent hij het ook ? Of is er nu al een verschil tussen het achterste en het voorste van zijn tong ? Hij lijkt in ieder geval perfect te beseffen dat hij geïnterviewd wordt. "Is het belangrijk dat je het goed kunt vinden met de jongens van je ploeg ?""Natuurlijk," zegt hij, "anders geef je elkaar geen ballen door."Kasper lacht. Hij is een klein mirakel. Nog niet lang geleden lag hij in zijn wieg en nu verslijt hij een paar schoenen per maand. Misschien wordt hij ooit een grote. Niet zo groot als Ronaldinho, maar misschien zo groot als Tchité. Misschien. Zijn moeder houdt haar hart vast. Zij houdt bij wie in welke wedstrijd welke kwetsuur heeft opgelopen. Ze weet hoe ruw het eraan toe kan gaan. Zijn vader wou dat hij af en toe voor iets anders interesse opbracht. Voor boeken, bijvoorbeeld. Zelfs al was het maar voor boeken die over voetballen gaan. Kasper wil maar één ding : spelen. Dat heeft hij al met Tchité gemeen : l'envie de jouer. Helemaal ongelijk kun je zijn ouders niet geven. Zeker zijn moeder niet. Is voetbal oorlog of is voetbal harmonie ? Ik heb de vraag aan Michel Preud'homme gesteld. "Alle twee", antwoordde die met een brede lach. "Soms is het oorlog, soms is het harmonie." Maar Preud'homme wil dat het een feest is. En dikwijls is het ook een feest, zeker als Standard thuis speelt. Hij laat me foto's zien van het uitbundig versierde stadion. Daar zorgen de supporters voor. Ze vormen een grote familie : la famille des Rouches. Ik kan me niet goed voorstellen dat al die hooligans van vroeger zich nu bekeerd hebben tot het maken van vlaggen en slingers. Het heeft verdacht veel weg van bezigheidstherapie. "Je zult het wel zien", zegt Preud'homme. "Ik weet niet wat er aan de hand is met Europa. Mensen hebben alleen nog oog voor het slechte. Er is zoveel chagrijn. Daar willen wij hier iets tegenover stellen. Kinderen hebben nog het vermogen om het goede te zien, maar volwassenen ..." Hij glimlacht wrang. Het poëtische beeld van daarnet lijkt dan toch te kloppen : Sclessin als de roos die groeit op een vuilnisbelt. Van het Jan Breydelstadion herinner ik me vooral beton. De kleur blauw en beton. Voor Kasper is voetbal in ieder geval feest. Zelfs over de lamlendige match Brugge-Standard bleef hij enthousiast. Voor Standard-Moeskroen heeft hij zijn sjaal van Club thuisgelaten, maar ik heb een picknick meegebracht. Het wordt mijn tweede blunder. Bij voetbal hoort junkfood. In de straten rond Sclessin staat iedereen hotdogs, hamburgers en curryworsten te eten. We banen ons een weg door een walm van ranzig vet. "Vind jij het niet eigenaardig dat mensen die zich voor sport interesseren zich volproppen met die troep ?" Kasper haalt zijn schouders op. Ik begrijp duidelijk de essentie van het voetbal niet. Bij het parkeerterrein achter het stadion ontdekken we een fraaie terril waar het eerste lentegroen is ontloken. Ik grijp de gelegenheid aan om over de mijnen te vertellen. Kasper luistert met een half oor. Over een uur begint de match. Hij wil al naar binnen. Bij Le Cup en de Buvette en de Bois d'Avroy wordt er flink gehesen. Het is eindelijk zacht genoeg om op straat te staan. "Die gaan straks allemaal moeten pissen", zeg ik, praktisch als altijd. "Dat kunnen ze wel ophouden", zegt Kasper. Echte mannen hebben een stevige blaas. En een sterke maag. Dit is mijn feestje : een picknick met mijn petekind in de voorjaarszon. Maar Kasper is niet meer te houden. De picknick wordt weggeborgen. Picknickmanden zijn taboe in een stadion. We zitten hoog en droog vlak voor een rij opgedirkte meisjes. Chichi madammekes, noemden we dat type vroeger. Ik beeld me in dat ze vriendinnen zijn van de spelers. Of vriendinnen in spe. Vandaag is Sclessin niet versierd, daarvoor is de match niet belangrijk genoeg. Iedereen die ik gesproken heb, heeft me duidelijk gemaakt dat ze zullen winnen. Een andere afloop is ondenkbaar. Punt uit. En ze doen wat ze zich hebben voorgenomen te doen. Ze winnen. Tchités gebed wordt verhoord. Hij scoort zijn negentiende doelpunt van het seizoen. Vlak voor het einde wordt hij van het veld gehaald. "Dat is een applausvervanging", legt Kasper me uit. God is Tchité genadig en ook zijn fans verwennen hem met een warm applaus. Zegezeker maakt het publiek een Mexican wave. De overwinning lijkt in de sacoche. Maar dan trapt Moeskroen op de valreep de bal in het doel. Het is een klunzige goal, maar toch kun je even de paniek van Standard ruiken. Goddank gebeurt het ondenkbare niet. Na afloop staan overal mannen tegen muren en hekken te pissen. De urine stroomt door de goten van de straten rond Sclessin. Wat zouden de spelers nu doen ? Naar huis gaan ? Sauna ? Feestje bouwen ? Af en toe moet je erin vliegen, zei Stéphane Demol. Dat heb je nodig om de stress te hanteren. Maar verder moeten ze veel rusten. Trainen, rondhangen en rusten. Televisie kijken, muziek beluisteren, wachten. Is dat het leven dat ik Kasper toewens ? Voorlopig is het in ieder geval het leven waarvan Kasper droomt. Hij kan zijn oren niet geloven wanneer ik hem vertel dat Standard op de donderdag voor de match binnen heeft getraind. "Wat ? Omdat er een beetje regen viel ? Pfff, wij hebben buiten getraind."Misschien staat er een strijdlustiger generatie in de coulissen klaar. "Heb jij écht met Onyewu en Tchité gesproken ?" vraagt hij. Ik knik. "Wow !"Hoeveel boeken ik nog schrijf of prijzen ik nog win, nooit kan ik hopen nog zoveel indruk op mijn petekind te maken. En straks is het zijn beurt om op mij indruk te maken. Daarmee is hij al begonnen. "Wie weet," zeg ik, "kom ik hier op een dag naar jou kijken."Hij lacht. Zijn ogen verraden zijn goesting. Goesting om te spelen en goesting om te leven. Son envie. KRISTIEN HEMMERECHTS