Pieter Timmers: 'Voetballers spreken vaak over balgevoel. Voor ons, zwemmers, is watergevoel even cruciaal. Hoe soepeler je het water kunt 'pakken', hoe efficiënter je vooruitgaat. En dat gevoel verlies je snel. Na een vakantie, of zelfs een dag zonder training, lijkt het alsof je niet meer kunt zwemmen. Daarom zwem ik ook altijd de ochtend van een finale. Een goeie kilometer, heel relaxed.
...

Pieter Timmers: 'Voetballers spreken vaak over balgevoel. Voor ons, zwemmers, is watergevoel even cruciaal. Hoe soepeler je het water kunt 'pakken', hoe efficiënter je vooruitgaat. En dat gevoel verlies je snel. Na een vakantie, of zelfs een dag zonder training, lijkt het alsof je niet meer kunt zwemmen. Daarom zwem ik ook altijd de ochtend van een finale. Een goeie kilometer, heel relaxed. 'Daarna staat alles in het teken van rusten. Zoveel mogelijk zitten of liggen, elke druppel energie sparen. Fysiek - een siësta van een uur tot anderhalf uur - maar ook mentaal. Een film bekijken, spelletjes spelen op mijn gsm of, zoals in Rio, een stationsromannetje lezen. Verstand op nul. Daarom zet ik mijn gsm ook al van 's middags op vliegtuigstand. Alle sms'jes met succeswensen - hoe zeer ik dat apprecieer - doen me immers te veel aan de wedstrijd denken. 'Ik zal wél eens rechtstaan om me te scheren. De grote scheerbeurt doe ik meestal twee dagen ervoor, want ook dat kost energie, maar in Rio heb ik mijn mesje de ochtend van de finale nog een laatste keer over alle stoppels op benen, armen, buik... laten glijden. Mijn enige 'wandeling' is naar het restaurant: voor een stevig ontbijt en een maaltijd drie uur voor de race. Lichtere kost: wit brood of pasta zonder saus, mager vlees, yoghurt... 'Afhankelijk van de afstand tot de competitiehal vertrek ik uit het hotel zo'n twee uur op voorhand. Niet vroeger, omdat de temperatuur in de zwembaden meestal vrij hoog is en daar word ik loom van. Niettemin moet ik toch opwarmen in het water: een kilometer, met op het einde enkele sprintjes, waarbij Ronald (Gaastra, zijn coach, nvdr) me eventueel op technische details wijst. Op mijn concurrenten let ik dan absoluut niet, ik ben alleen met mezelf bezig. 'Na de opwarming, zo'n uur voor de start, maak ik mijn recupshake al klaar en stretch ik nog twintig minuutjes. Om de spieren op spanning te zetten en warm te blijven, want het water van het wedstrijdbad is altijd twee graden kouder dan dat van het trainingsbad: 26 tegenover 28 graden. Dat zou snellere tijden opleveren, maar als je heel scherp staat, zoals ik, is dat vrij koud. Daarom kleed ik me na de opwarming ook goed aan: sportschoenen - geen slippers - sokken, lange broek, zwembroek eronder, T-shirt en soms een lange jas, zeker als de wind, zoals in Rio, door het stadion waait. In dat geval neem ik zelfs een muts en handschoenen mee. 'Mijn zwembril en twéé badmutsen - met slechts één bestaat de kans dat water eronder vloeit en een bubbel vormt - zet ik zo laat mogelijk op, meestal pas als ze in de callroom mijn naam afroepen. Die badmutsen spannen immers enorm, om zo veel mogelijk kreuken en dus weerstand te vermijden. Zoals ook mijn zwembroek goed strak, als een tweede huid, rond mijn benen moet zitten, zodat het geen water 'pakt'. Zowel mijn muts als broek is het laatste nieuwe model, mijn bril is vrij klassiek. De nieuwste versies volgen de oogkas en zijn plat aan het uiteinde, maar daarin kijk ik scheel. (lacht) 'De bril, badmutsen en de broek worden in de callroom gecontroleerd. De broek aan de hand van een QR-code, zodat de jury meteen kan zien of het een officieel gekeurd exemplaar is. Op de muts moet dan weer de juiste sponsor staan. Andere zichtbare merknamen zijn verboden, zelfs op de koptelefoons die veel collega's dragen. Naar muziek luister ik zelf nooit, dat heb ik niet nodig om te focussen. Bovendien wil ik mijn naam horen als ze mij afroepen in de callroom, want zwemmers met een koptelefoon blijven na vijf keer vaak nog zitten. Hélemaal in zichzelf gekeerd, terwijl ik in de oproepkamer soms een praatje sla met een collega. Aan psychologische oorlogsvoering doe ik niet mee. Dat is ook vrij beperkt hoor, zeker op internationaal niveau, waar het onderlinge respect groot is. Op Belgische kampioenschappen doen sommigen dat wel, door boos te kijken je proberen te intimideren. Vroeger liet ik me daardoor beïnvloeden, nu lach ik daarmee. Als ik voel dat ik klaar ben, kan niets me van de wijs brengen. 'Agressiviteit in mezelf pompen door te vloeken of haatgevoelens richting mijn concurrenten proberen op te wekken hoeft ook niet. Wel zeg ik tegen mezelf, zoals voor de olympische finale: 'Komaan, Pieter, dit is jouw moment!' En sla ik op mijn armen en benen, om me op te peppen. Ik probeer ook, zo dicht mogelijk voor de wedstrijd, nog iets te laten wegvloeien in het toilet... Al is het slechts 200 milliliter, of gram, die ballast ben je toch kwijt.' 'Als ik richting het startblok wandel, ben ik helemaal in the zone. Vroeger keek ik waar mijn familie en fans zaten, nu niet meer. In Rio was ik zelfs zo gefocust dat ik naar het verkeerde startblok stapte. Maar ik kon erom lachen, wat erop duidde dat ik, ondanks die hyperconcentratie, ook ontspannen was. Ik doe ook meestal zo vlug mogelijk al mijn warme kleren uit, om het gevoel te hebben dat ik helemaal klaar ben. Daarom sta ik altijd vroeg met mijn réchterbeen op het startblok, en linker nog op de grond. Een gewoonte die me ontspant, niets meer. bijgelovig ben ik niet. 'Wanneer er gefloten wordt, ga ik op het startblok staan. Handen vooraan - niet langs de zijkanten -, en met mijn linkerbeen vooraan en rechtervoet volledig - niet alleen met mijn tenen - op het achterste, schuine gedeelte. Zo kan ik bij het startschot meteen vol afstoten. Rechtsvoetigen, zoals ik, staan normaal met hun sterke voet vooraan, maar testen met een camerasysteem wezen uit dat ik met mijn línkervoet vooraan meer kracht kan zetten. 'Bij de start zwaai ik zo explosief mogelijk met mijn armen en zwier ik mijn benen omhoog. Dan duik ik in een juiste schuinere hoek van zo'n dertig graden in het water - niet te plat, met mijn benen óp het water - en spring ik ook iets verder, zo'n 3,5 à 4 meter. Niet mijn sterkste punt, die start, omdat ik zo groot ben (twee meter, nvdr) en omdat ik niet de meest explosieve spiervezels heb. Het zal een werkpunt blijven: in de olympische finale maakte ik een van mijn beste starts ooit, en toch lag ik achter. Ik schat dat ik daarop - door nog beter van het blok te springen, beter te stroomlijnen - een tiende kan winnen. Dat is véél, ja. Eens in het water maak ik me zo smal mogelijk en houd ik mijn hoofd tussen mijn gestrekte armen. Met mijn handen óp elkaar, waarbij de duim van mijn ene hand als een slot op de andere zit. Als je handen van elkaar schuiven of opengaan, is de race immers dán al naar de vaantjes. 'Na een eerste korte drijffase begin ik te kicken: een dolfijnslag - voeten naast elkaar - om zo veel mogelijk water weg te stuwen. Na zo'n dertien meter onder water is de break out, bóven water komen, ook heel belangrijk. De eerste slag met mijn rechterarm zet ik al in onder water, en met mijn benen ga ik van een dolfijnslag naar crawl, om als het ware uit het water te schieten en extra snelheid te maken. 'Daarna, richting het eerste keerpunt, is het vooral zaak om hard, maar vooral ontspannen en technisch juist te zwemmen. Als je te rap gaat - zeker in een finale kan je té enthousiast zijn - bekoop je dat op het einde. Heel moeilijk, die balans vinden, dat heeft me járen gekost. Net voor het keerpunt probeer ik iets te versnellen, om dan de koprol in te zetten. Ondanks mijn lengte kan ik heel goed keren, in Rio won ik zelfs een meter op de Braziliaan naast mij. De kunst is om niet te ver van de muur, maar ook niet te dicht te draaien, want dan kun je amper afstoten en blijf je hangen. Die afstand inschatten is puur op gevoel. En in het ene zwembad al moeilijker dan in het andere. Op het WK in Barcelona in 2013 was de muur bijvoorbeeld compléét wit, puur op geluk draaien dus. Veel beter zijn tegeltjes, met strepen, en ook een opstapje onder het water waar je je voeten op kunt zetten, wat meer reliëf geeft. 'Daarna is er weer een drijffase, gevolgd door een vijftal kicks, om na zo'n tien meter boven water te komen. Dan bewust letten op waar mijn tegenstanders liggen, doe ik alleen in een meer tactische estafette, niet in een individuele race. Door de vele spetters van het water zie je trouwens amper iets. In de olympische finale merkte ik wel dat de Canadees Santo Condorelli voor mij zwom, maar hoe ik dat zag, weet ik zelfs niet meer. Ik was daar ook vooraf niet mee bezig. Pas na de opwarming heb ik eens op het deelnemersblad gekeken - zó gefocust op mijn eigen wedstrijd. Niettemin gaf het me wel een boost toen ik Condorelli zag: die ga ik pakken! 'Na de tweede break-out moet je, althans voor je gevoel, blijven versnellen, door ook je beenslag omhoog te krikken, waardoor je armen automatisch volgen. Het aantal slagen tellen doe ik nooit. Ik weet zelfs het aantal niet. Dat leidt alleen maar af, waardoor ik te rustig zou zwemmen. Alles gaat op gevoel, ook het ademen. Ik schat om de zes à acht slagen in het begin en op het einde om de vier slagen. Zo hard en snel mogelijk lucht happen. Nét boven het wateroppervlak, met mijn hoofd naar rechts gedraaid. Je moet immers, als een surfplank, zo plat mogelijk blijven liggen om weerstand te vermijden. Daardoor adem je met een scheve mond, en rolt het water rond je mondhoeken. Onvermijdelijk krijg je door de golven weleens water binnen en moet je doorslikken.' 'Focussen doe ik wél op het hoog houden van mijn ellebogen boven het water. Typisch voor mijn zwemstijl, mede door mijn lange armen (een spanwijdte van liefst 2m16, nvdr). Wel heel efficiënt: eens in mijn ritme hoor ik qua pure snelheid, zonder start en keerpunten meegerekend, tot de absolute top. Met dank ook aan mijn heel soepele schoudergewrichten en 'overstrekte' benen waardoor ik - als een balletdanseres - mijn voeten helemaal plat kan leggen en nog meer water kan wegstuwen. Door die hoge kruissnelheid zou de ideale afstand voor mij eigenlijk geen 100, maar 125 meter moeten zijn, over twee keer 62,5 meter. Daarom presteer ik ook altijd minder in een 25-meterbad. Voor ik in mijn ritme kom, moet ik immers al draaien. 'De grote moeilijkheid is je techniek bij topsnelheid vasthouden tot het einde, want zeker de laatste 25 meter lijken eeuwig te duren. Je hele lichaam verzuurt - na de olympische finale had ik zelfs pijn aan mijn kaken - tot boven de twintig millimol per liter (extreem veel, bij de anaerobe drempel van 4 millimol/l gaat een mens al in het 'rood', nvdr). Na de eerste 50 meter, in de geplande 23 seconden, kreeg ik er het op het einde heel moeilijk. Op de tweede 50 zwom ik zelfs 'slechts' 24,8 seconden. In Londen 2012 was ik drie tienden sneller (24,5), maar zwom ik de eerste 50 meter wel een seconde trager (24). In een perfecte race start ik met 23 seconden, keer ik in 24,5, en eindig ik in 47,5 - drie tienden rapper dan in Rio, mijn persoonlijk record. 'Ondanks dat klopje op het einde heb ik in Rio toch nog enkele concurrenten ingehaald. Puur op karakter, ik móést die medaille halen. Zelfs niet aangetikt met mijn platte hand, maar, want dat scheelt een honderdste, met volledig gestrekte vingertoppen, op het risico af mijn vingers te breken tegen de muur. Voor een olympische plak had ik dat ervoor over, ja. 'Goed finishen - door je hoofd naar beneden te houden en op je zij te draaien waardoor je je lichaam verder uitstrekt - kan ik ook als de besten. Niet omdat ik lange uitschuifarmen heb, zoals Ronald (Gaastra, nvdr) dat vaak zegt, ik kan gewoon goed inschatten hoe ik na een vollédige slag kan aantikken. En omdat ik, zoals in Rio, op het einde, door die hoge topsnelheid, vaak gewoon sneller zwem dan mijn concurrenten. 'Na het aantikken zijn wij zo geconditioneerd dat we ons metéén richting het scorebord draaien. De uitslag staat er ook direct op, in volgorde van de banen. Nooit was ik zo verbaasd als in Rio toen ik, in baan zeven, 'Timmers 2' zag staan. 'Dat kan niet!? Ik zie het toch juist!?' Toen kort daarna de uitslag in de juiste volgorde werd getoond, besefte ik het wél. Zilver!!! Dát gevoel, na al die jaren, na al die duizenden baantjes trekken, dat is onbeschrijfelijk. 'Op het WK opnieuw? Dat zou me verbazen. Nochtans zwom ik in het voorjaar mijn beste tijden ooit op training. Zelfs een 'setje' van drie keer 50 meter, met tijden van achtereenvolgens 24,8, 24,6 en 24,4 seconden, zónder badmuts en wedstrijdbroek, en niet geschoren. Zelfs in aanloop naar de Spelen is dat me niet gelukt. In juni ben ik echter papa geworden. Om de bevalling te kunnen bijwonen heb ik alle voorbereidingstoernooien en stages geschrapt. En ook veel slaap en trainingen gemist. Dat zal wellicht sporen nalaten. Maar mijn zomer kan sowieso al niet meer stuk.' DOOR JONAS CRETEUR - FOTO'S BELGAIMAGE'Ik schat dat ik op mijn start - door nog beter van het blok te springen - een tiende kan winnen. Dat is véél, ja.' Pieter Timmers 'De grote moeilijkheid is je techniek bij topsnelheid vasthouden tot het einde, want zeker de laatste 25 meter lijken eeuwig te duren.' Pieter Timmers