Wlodek Lubanski: 'Ik ben naar Lokeren gekomen in 1975. Bij de club liepen toen al spelers van internationaal niveau zoals Wilfried Puis en Johan Devrindt. Ladislav Novak was toen trainer en dat was voor mij héél belangrijk, want Tsjechisch en Pools lijken goed op elkaar, en zo kon ik toch communiceren tijdens de eerste maanden. De aanpassing ging snel doordat ik in de kleedkamer Nederlands oppikte. Maar het was echt niet evident om zo'n moeilijke taal te leren, al was er direct een goede band met de medespelers.
...

Wlodek Lubanski: 'Ik ben naar Lokeren gekomen in 1975. Bij de club liepen toen al spelers van internationaal niveau zoals Wilfried Puis en Johan Devrindt. Ladislav Novak was toen trainer en dat was voor mij héél belangrijk, want Tsjechisch en Pools lijken goed op elkaar, en zo kon ik toch communiceren tijdens de eerste maanden. De aanpassing ging snel doordat ik in de kleedkamer Nederlands oppikte. Maar het was echt niet evident om zo'n moeilijke taal te leren, al was er direct een goede band met de medespelers. 'Ik kwam uit het Oostblok, en daar bestond het begrip profvoetballer niet. In de praktijk kwam het er wel op neer dat we in Polen enkel betaald werden om te voetballen. We hadden in principe ook een andere job, maar we werden gedelegeerd om te gaan trainen. Dus toen ik hier in 1975 toekwam was ik eigenlijk al profvoetballer. En ik kwam dan wel uit Polen, toch verwachtte ik me aan een modernere infrastructuur dan die van Lokeren. Op Daknam lag er wel een goed veld maar er stond nog maar één tribune. De mensen keken vanaf het hoger gelegen deel naast het terrein naar de wedstrijden. De eerste match tegen Anderlecht was uitverkocht, het stond hier bomvol, ook al was er nog geen tribune.' Mevrouw Lubanski herinnert zich nog goed in welke omstandigheden het gezin arriveerde in Lokeren. '(...) Clubbeheerder Fiel Laureys had ons met onze dochter opgehaald op de luchthaven en op de vraag waar we gingen slapen kwam er niet direct een antwoord. Tot Fiel plots een idee had: 'Mijn vrouw en dochter zijn aan zee en ik ben alleen thuis. Kom maar bij mij slapen.' Een volle week hebben we met zijn drietjes in het bed van Fiel Laureys gelegen tot zijn vrouw terugkwam van zee. Toen nodigde voorzitter Etienne Rogiers ons uit bij hem thuis tot er een onderkomen voor ons gevonden was. 'De eerste maaltijd op Lokeren was meteen super exotisch. Tomates crevettes hadden we nog nooit gezien en de eerste weken kregen we overal die rare kleine beestjes in een tomaat. Het heeft een tijdje geduurd voor we dat ook lekker vonden.' Wlodek pikt in: 'Na enkele weken was er een receptie op de club en weer stond er iets vreemds op het menu: oesters! Opnieuw iets wat ik nog nooit gezien had! Ik keek rondom mij en zag iedereen enthousiast die oesters leeg slurpen en dacht: laat ik dat ook maar proberen. Terug thuis maakte ik mijn vrouw wakker om haar te vertellen wat voor iets vies ik had leren eten, iets dat op slakken leek en koud was. Vandaag ben ik een fan van oesters. 'Er waren zoveel dingen om te leren hier in België: de taal, het eten, de gewoontes... Gelukkig waren er een pak mensen die ons hielpen bij onze aanpassing. Wat de taal betreft, was ik snel verplicht om Nederlands te leren omdat dat op de club de taal van de meerderheid was. Na enkele maanden kon ik al redelijk goed mijn plan trekken. In de kleedkamer wou ik absoluut kunnen meepraten en dus luisterde ik goed. Met de hulp van de medespelers pikte ik al snel het Nederlands op. Ook Aage Hansen, een andere buitenlandse speler, was er steeds voor ons. Hij had als Deen dezelfde aanpassingsproblemen gekend en dus hielp hij ons het eerste jaar volop om te integreren.''Ook het dagelijkse leven in België was voor ons een grote schok. In Polen waren de winkels leeg en kon je met moeite een stuk kaas en een stuk vlees krijgen. Hier kwam je in de Delhaize en wist je niet waar eerst kijken. Op zekere dag stuurde men ons naar Meubelen Reynders voor meubelen in ons nieuwe appartement. In Polen waren de meubelwinkels leeg. Eén keer in de maand werd er geleverd: allemaal dezelfde stoelen, tafels, banken enzovoort. Dus had iedereen dezelfde meubelen in zijn huis. En dan stap je plots Meubelen Reynders binnen waar je niet weet wat je ziet... 'Ook sportief was het begin niet evident. Mijn knie was nog niet volledig hersteld, ik kon niet alles doen wat ik wilde en ik voelde me heel rusteloos. Ik dacht er zelfs over om terug naar Polen te gaan. Onze dochter kwam wenend naar huis omdat ze niets verstond op school. Het was een moeilijke aanpassing voor heel het gezin. Maar in december begon ze Nederlands tegen haar poppen te spreken en ging ze zich thuis voelen. Het kantelmoment was voor mij de wedstrijd tegen Beveren. Ik maakte het enige doelpunt en ik was vertrokken. De supporters droegen me van het veld. 'Lokeren speelde nog maar een jaar in eerste toen ik hier aankwam, dus ik wist dat ik niet in een echte topploeg terechtkwam. Toch was ik omringd door echt goede spelers. Met mijn ervaring op het internationale niveau kon ik best inschatten wat de kwaliteit van de spelers was en ik kan je verzekeren: die was heel hoog. 'We trainden één, soms twee keer per dag maar er waren spelers die nog een parttime andere job hadden. In de voorbereiding trainden we 's morgens en 's middags en de spelers die nog geen 100 procent prof waren trainden enkel mee na hun werk. In die tijd bleven we niet heel de tijd op de club. Na de ochtendtraining gingen we terug naar huis, om daar te eten en de vuile kledij naar huis te brengen. Na de middag keerden we terug naar de club voor nog een training. Zo lang ik bij Lokeren voetbalde, at ik 's middags thuis en deed mijn vrouw de vuile was. Pas later, toen de spelers heel de dag op de club bleven, werd de vuile kledij ook daar gewassen. 'In het begin was er ook niet zoveel omkadering op medisch gebied: een kinesist en de voorzitter, dokter De Ryck met zijn eeuwige sigaar. Hij was trouwens ook onze huisdokter. In 1982, toen ik vertrok naar Frankrijk, werkte Lokeren al een stuk professioneler. Alois Derycker was toen manager maar vooral de inbreng van Etienne Rogiers, die barstte van de ambitie, maakte het verschil. Hij wou vooruit en het is echt geen toeval dat we in die tijd ongeveer elk jaar Europees speelden. Rogiers deed elk jaar de nodige inspanningen om de ploeg te versterken. Dankzij hem kwamen ook Preben Larsen en Grzegorz Lato naar hier. Dat maakte de club én Lokeren bekend in heel Europa. 'Toen ik terug op Daknam kwam als trainer, was de club al professioneler, met een betere infrastructuur, meer personeel, en iedereen bleef overdag op de club. Maar ik kan echt niet zeggen dat het ons als spelers aan iets ontbrak. Voor alles werd gezorgd en we beleefden een plezierige tijd. In die jaren waren de meeste wedstrijden op zondag om 15 uur. Voor elke thuiswedstrijd kwamen wij samen om elf in het Parkhotel. Daar aten we biefstuk met groenten en een fruitslaatje. Elke wedstrijd hetzelfde. Soms kreeg je wel eens gebakken vis als je echt geen vlees wilde. Dan volgde een klein wandelingetje rond het Bospark en daarna naar Sporting.' 'Waar ik met plezier aan terugdenk, is dat we elk jaar sterker werden en met mooi voetbal fantastische resultaten haalden. Niet zo lang geleden liep ik door Sint-Niklaas en er kwam er een Beverensupporter tot bij mij. Echt, een Beverensupporter, hé, en hij zei: 'Meneer Lubanski, ik kwam indertijd speciaal naar Lokeren kijken om goed voetbal te zien.' Terwijl Beveren toen wel kampioen werd, hé!' 'De sfeer was heel goed maar dat had natuurlijk te maken met de goede resultaten en de geweldige spelers. Samen met Preben in de aanval was schitterend, maar ook met Lato, mijn compagnon in de Poolse nationale ploeg, vormde ik een schitterende combinatie. René Verheyen en Raymond Mommens waren twee absolute toppers, en we hadden een superkeeper, Bob Hoogenboom! Met hem heb ik fantastische momenten beleefd. Iedereen had schrik van ons. Toen ik na mijn carrière met Arie Haan en Juan Lozano sprak, vertelden die me dat een uitmatch op Lokeren voor hen in die tijd een absolute nachtmerrie was. Wij creëerden toen per wedstrijd zeker 5 à 6 open doelkansen. 'Het had allemaal anders kunnen gaan. Ik belandde in Lokeren als een halve invalide. Na mijn zware knieblessure in een interland met Polen ben ik nooit meer 100 procent geweest. Laten we eerlijk zijn: was ik niet zwaar geblesseerd, dan was ik nooit naar Lokeren gekomen. Ik ben daardoor toch zo'n 10 procent van mijn mogelijkheden kwijtgeraakt.' 'Je kunt je afvragen waarom wij nooit kampioen geworden zijn. Dat is een terechte vraag, met zo veel kwaliteit. In 1981 hadden we ferme tegenslag. Tijdens de wedstrijd op Club Luik vielen verdediger Bob Dalving en ikzelf met stevige blessures uit. Er waren nog behoorlijk wat matchen te spelen, en door ons uitvallen kreeg de ploeg een flinke inzinking. Toen we tegen het einde van de competitie weer paraat waren, was het al te laat om Anderlecht nog van de titel te houden, terwijl wij wel herfstkampioen waren geworden met vier punten voor op Anderlecht. Maar we hadden een te kleine kern. Zijn Bob en ik toen niet geblesseerd, dan worden we dat jaar zeker kampioen. Uiteindelijk eindigden we een aantal jaar bij de eerste vijf en speelden Europees met een budget dat vele malen kleiner was dan dat van Anderlecht, Club Brugge of Standard. 'Naast de resultaten waren er ook veel plezante momenten. Een anekdote die ik nooit zal vergeten, al was het maar omdat Preben Larsen die tot vandaag nog steeds ophaalt in talkshows, is een moment waarop we betaald werden op Sporting. Op het einde van elke maand werden onze premies uitbetaald. We kregen toen per gewonnen wedstrijd een bedrag. Die bewuste maand hadden we alles gewonnen. Toen ik na de training stond aan te schuiven in de rij voor het bureau van manager Alois Derycker vond ik het mijn moment om een grap uit te halen. In de koffer van mijn wagen had ik een heel grote reiskoffer gestopt en die ging ik vlug halen. Toen ik terug in de rij kwam, vroegen de andere spelers wat ik van plan was met die grote koffer. Ik zei droog dat ik verwachtte dat het deze keer echt wel de moeite ging zijn qua bonus, nu we alles gewonnen hadden, en dat ik daarom maar direct een grote koffer meegebracht had om alles in te stoppen! Iedereen plat op zijn buik van het lachen. (...) 'Echt: wij hadden toen een team dat kampioenwaardig was en het heeft echt niet zoveel gescheeld. Met het overlijden van Etienne Rogiers is niet alleen een schitterend mens gestorven maar kreeg ook de ambitie van Lokeren een flinke knauw. 'Vandaag zijn er bijna geen spelers meer die bij een club blijven uit clubliefde. Nu is het van: ' Show me the money!' En als het hen niet aanstaat zijn ze weg! Ik had indertijd kunnen vertrekken bij Lokeren, als ik gewild had. Ik kreeg van een andere club een héél mooi voorstel, maar Lokeren deed een tegenvoorstel om mijn contract te verlengen en op drie minuten tijd was dat geregeld, ook al miste ik zo een pak geld. Helemaal in het begin kwam Anderlecht eens komen aankloppen met 15 miljoen frank (375.000 euro), maar Rogiers lachte dat weg: 'Je kan hier iedereen kopen, maar Wlodek blijft hier!' Ik heb me dat nooit beklaagd. Etienne had ambities en hij heeft er alles aan gedaan om van Lokeren een topper te maken. En ik was blij dat ik daar bij mocht zijn.'