Parijs, vrijdagmiddag. De zone van Père-Lachaise, het bekende kerkhof. Een paar uur voor we de tgv richting Brussel nemen, kuieren we rond in de buurt. Een vriendelijke politievrouw wijst ons de weg naar de hoofdingang van de plaats waar grootheden als Frédéric Chopin, EdithPiaf, Oscar Wilde en Jim Morrisson liggen begraven. Er loopt bewaking op straat maar bijna een jaar na de aanslagen op Charlie Hebdo is de Parijzenaar daar gewend aan geraakt. Stewards helpen schoolkinderen aan de overkant, op het kerkhof wijzen gidsen de weg tussen een doolhof van laatste rustplaatsen, ingedeeld in secteurs. In de veranda's van brasseries zitten mensen rustig hun krant te lezen en koffie te drinken. Het weekend komt eraan, er is voetbal vanavond, een galamatch, tussen de wereldkampioen en wat zij hopen de nieuwe Europese. Er zijn concerten. Geen mens die kan bevroeden dat op dit eigenste moment ergens vlakbij, in deze buurt waar een van hun auto's is teruggevonden, een aantal mensen de laatste hand leggen aan gruwelijke plannen. In het station Paris Nord is de veiligheid zo mogelijk nog scherper. Agenten kijken scherp toe op de reizigers, in groepjes van vier. Ook op de trein zijn ze aanwezig, al wordt in onze wagon niemand echt gecontroleerd. Het geeft een gevoel van veiligheid.
...

Parijs, vrijdagmiddag. De zone van Père-Lachaise, het bekende kerkhof. Een paar uur voor we de tgv richting Brussel nemen, kuieren we rond in de buurt. Een vriendelijke politievrouw wijst ons de weg naar de hoofdingang van de plaats waar grootheden als Frédéric Chopin, EdithPiaf, Oscar Wilde en Jim Morrisson liggen begraven. Er loopt bewaking op straat maar bijna een jaar na de aanslagen op Charlie Hebdo is de Parijzenaar daar gewend aan geraakt. Stewards helpen schoolkinderen aan de overkant, op het kerkhof wijzen gidsen de weg tussen een doolhof van laatste rustplaatsen, ingedeeld in secteurs. In de veranda's van brasseries zitten mensen rustig hun krant te lezen en koffie te drinken. Het weekend komt eraan, er is voetbal vanavond, een galamatch, tussen de wereldkampioen en wat zij hopen de nieuwe Europese. Er zijn concerten. Geen mens die kan bevroeden dat op dit eigenste moment ergens vlakbij, in deze buurt waar een van hun auto's is teruggevonden, een aantal mensen de laatste hand leggen aan gruwelijke plannen. In het station Paris Nord is de veiligheid zo mogelijk nog scherper. Agenten kijken scherp toe op de reizigers, in groepjes van vier. Ook op de trein zijn ze aanwezig, al wordt in onze wagon niemand echt gecontroleerd. Het geeft een gevoel van veiligheid. Hoe verkeerd... Brussel, zaterdagavond. Er hangt een gespannen sfeer aan de ingang van Vorst Nationaal, een uur voor de zaal vol zal lopen voor een concert van Simple Minds. Politiemensen met kogelvrije vesten en het machinepistool binnen handbereik schermen de toegang af. Een rij verderop wordt hier en daar gefouilleerd. Rugzakjes of tassen worden niet toegelaten. Eenmaal binnen is de sfeer onder een publiek van gelijkgestemden, blanke nostalgische veertigers en vijftigers relax en kan het feest beginnen. Maar de praktische ongemakken maken vanaf nu ook in landen als België deel uit van de aanloop naar grote manifestaties die vanwege de volkstoeloop potentiële doelwitten zijn geworden voor wie mikt op het creëren van angstgevoelens met maar één boodschap: jullie zijn nooit ergens meer veilig. Het is het soort gevoel waar ze in andere landen al langer gewend aan zijn. Een paar weken geleden bleek het gebruik van metaaldetectors voor personen én auto's al helemaal ingeburgerd in het dagelijkse leven rond openbare plaatsen in Istanbul. In een land als Israël is het al langer de gewoonte dat je voor het nemen van pakweg een lijnbus eerst door de metaaldetector moet. Dat een voetbalstadion geviseerd werd, komt vrij onverwacht. Want net sport, en met name voetbal, wordt toch aangezien als een van de publieke domeinen waar segregatie passé is. Voetbal is, op een paar uithoeken van de wereld na, een universele religie die niet geassocieerd wordt met een dominante cultuur, zoals de westerse cultuur tegenwoordig in een deel van de wereld vijandig bekeken wordt. Ook al wordt er in achterhoedegevechten nog weleens onverholen primair racistisch gereageerd, voetbal brengt mensen samen: op de tribune en op het veld, maar ook in Brusselse cafés en Parijse theehuizen, waar niet-autochtonen jubelen en supporteren voor Barcelona, Real Madrid, Marseille, PSG en Chelsea. Voetbal is voor bijna iedereen oké, terwijl veel andere onderwerpen dat niet zijn. Zelfs niet de vreselijke aanslag van vrijdag in Parijs. Die roept ook in Brussel in zaken gerund door vrome moslims verontwaardigde reacties op, maar niet bij iedereen. Terwijl de zaakvoerder het erg vindt, merkt een klant van middelbare leeftijd van Noord-Afrikaanse afkomst spontaan op: het moest er eens van komen, ze hebben het zelf gezocht. Het is allemaal de schuld van de Amerikanen, de Fransen en al die andere landen die denken dat ze het overal voor het zeggen hebben. Misschien hadden de daders niet al die onschuldige mensen moeten ombrengen, maar een symbolisch monument opblazen in een van de westerse landen die actief zijn in het Midden-Oosten. Zo'n spontane reactie leert dat niet iedereen de zaken vanuit hetzelfde oogpunt bekijkt, én dat er ook bij de gemiddelde man of vrouw met een niet-Europese achtergrond een diepgewortelde frustratie leeft. In de sport zelf is die frustratie nog amper aanwezig. Dat kan ook niet als je de samenstelling van het gemiddelde profteam bekijkt. Teams met één of twee nationaliteiten bestaan niet meer, sinds eerst Chelsea en later AA Gent rond de eeuwwisseling voor een primeur zorgden door in een nationale competitie met alleen buitenlanders aan te treden. Voetballers worden niet langer beoordeeld op hun kleur of afkomst, maar op hun voetbalkwaliteiten. Dat vrijdagavond net het stadion werd geviseerd waarin in 1998 een team wereldkampioen werd dat samengesteld was uit alle mogelijke achtergronden (het Frankrijk van black-blanc-beur, met de Franse Algerijn Zidane als uitblinker), is toeval, maar ook een beetje bitter. In de meeste West-Europese landen gebeurt de samenstelling van de nationale ploeg vandaag zonder kleur of etnische achtergrond als criterium. Zelfs Italië, waar tot voor kort de discussie woedde of oriundi (geassimileerde spelers van vreemde afkomst) welkom zijn, stelde de voorbije jaren spelers op van vreemde origine. Mario Balotelli was er vrijdag niet bij, Stefano Okaka (die Nigeriaanse ouders heeft) en Stephan El Shaarawy (met een Egyptische vader) wél. Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, België, Zweden,... Allemaal zijn ze multicultureel. In België supporteren op de tribunes al een tijdje autochtone supporters voor spelers met in hun oren vreemde achternamen. Nog niet zo lang geleden belandden negatieve reacties op de redactie van Sport/Voetbalmagazine na lovende stukken over hoe spelers van diverse afkomst België sterker maken, met de simpele opmerking: dit is niet langer mijn team. Niet om communautaire redenen, maar door de diversiteit op etnisch vlak. 'Geen echte Belgen, mijnheer.' Op dat vlak heeft dit land nog een lange weg te gaan, het wij-zij-denken vormt nog een splijtzwam in de samenleving. Wij, dat zijn de goeien, de echten; zij zijn vreemden, ook al willen ze er misschien graag bij horen. Voor elke Syriëganger zijn er voorbeelden te noemen van wie een andere keuze maakte en zich niet afkeert van de samenleving waarin hij opgroeit. Alleen al de nationale ploeg loopt vol spelers van vreemde afkomst die het project België omarmen, op zijn minst op voetbalvlak, maar ook daarbuiten. Niet dat dat altijd simpel is. De gemiddelde autochtone Belg zou zich flink gegriefd voelen als hij in zijn omgeving over zich heen zou krijgen wat pakweg Marouane Fellaini of Nacer Chadli te horen kregen toen ze voor België en niet voor het land van hun ouders wilden voetballen. Toen Fellaini voor België koos, was dat geen sexy keuze, voetballen voor een land dat vaker verloor dan won en op de FIFA-ranglijst rond de zeventigste plaats schommelde. Je mag van Fellaini als voetballer vinden wat je wilt, een opportunist kan je hem zeker niet noemen. Hij én Chadli - om er maar twee te noemen - hebben België op voetbalvlak veel bijgebracht, en hebben er ook een mooie sociale erkenning aan overgehouden. Dat vereist wel een nieuwe attitude, minder achterdochtig tegenover wie aan de deur klopt, maar open, en tegelijk zelfbewust. Niet langer bang voor het onbekende, maar trots op een aantal waarden en normen waar geen toegevingen op gedaan mogen worden, ook niet om religieuze redenen. Maar wel altijd met begrip voor wie er anders uitziet, andere gewoontes koestert en anders eet, op voorwaarde dat het respect ook van de overkant komt. In de nationale ploeg en de gemiddelde Belgische eersteklasseclub gaan de meeste spelers van diverse afkomst anno 2015 op een gewone manier met mekaar om. Dat is uiteindelijk de eerste vereiste om samen een toekomst te kunnen uitbouwen. Gewoon een praatje maken is de eerste stap om het aantal potentiële bommenmakers in en rond de stadions en concertgebouwen in de toekomst beperkt te houden. Waarom zou, wat op het voetbalveld kan, ook niet naast het veld kunnen? Het alternatief ziet er niet vrolijk uit. Het is, extreem gesteld, de keuze tussen een staat van permanente oorlog en een van permanente vrede. ?DOOR GEERT FOUTRÉ EN PETER T'KINT - FOTO'S BELGAIMAGE